Trouw BoekenclubDido Michielsen

Dit wilden Trouw-lezers weten van schrijfster Dido Michielsen over haar boek ‘Lichter dan ik’

In Trouws Boekenclub stellen lezers vragen aan een door hen gelezen auteur. 1e aflevering: Dido Michielsen over ‘Lichter dan ik’.

Lichter dan ik’ hielp de een de Paasdagen door, de ander wil weten of het geschikt is voor als de boekenclub straks weer bij elkaar kan komen. Bij een derde lezer bracht Dido Michielsens ‘Lichter dan ik’ herinneringen naar boven aan eigen ­ervaringen met Nederlands-Indië. Sinds Trouw drie weken geleden een oproep aan lezers deed om als boekenclub ‘Lichter dan ik’ samen te lezen, en vragen te mailen voor de auteur, ontving de krant tientallen mooie reacties. Daarvan stelde de redactie een lezersinterview samen. In deze eerste aflevering is het woord aan Dido Michielsen.

‘Lichter dan ik’ is het verhaal van Isah, een jonge vrouw die halverwege de 19de eeuw wegloopt uit de Javaanse kraton, het hof van de sultan waar haar moeder werkt als batikster. Om aan uithuwelijking te ontkomen, kiest zij ­ervoor als njai, concubine, in te trekken bij een Nederlandse militair. Ze krijgt twee dochters van deze Rudolph Gey van Pittius, Pauline en Louisa. Het geluk is voorbij als hij terugkeert naar Nederland om te trouwen, Isah afdankt en de dochters laat adopteren door vriend Arnold van Boekhout en diens Indische vrouw Lot. Isah kiest ervoor als baboe bij haar kinderen te blijven, maar kan hen niet vertellen dat zij hun moeder is. Ook als de kinderen volwassen worden, probeert Isah het contact met hen te behouden.

Betovergrootmoeder

Dido Michielsen raakte geïnspireerd tot deze roman door een foto van haar betovergrootmoeder, een njai die net als Isah kinderen kreeg van een Nederlander. Haar naam is tot op de dag van vandaag onbekend. “Wat weet ze nu precies over die betovergrootmoeder?”, vroeg mevrouw Schild. En er waren meer lezers die willen weten hoe het nu precies zit met Michielsens eigen ­familiegeschiedenis. “Wat mij intrigeert, is wat die voor haar zelf betekent”, schrijft Jos van Eijden. “Hoe is het die half Nederlandse/Indische kinderen verder vergaan”, vraagt Corrie Schrier. “Zochten kinderen van njais naar hun biologische moeders”, vraagt Agaath Schilder. “Waarom hebt u ­bepaalde namen gebruikt?”, verwondert zich Nicoline d’Arnaud van Boeckholtz, die haar eigen naam in het boek aantrof. Heeft Michielsen die betovergrootmoeder kunnen terugvinden, vraagt Clara Dubber. En hoe, vraagt Ineke Dooge zich af, is zij als achterkleindochter aan de informatie over haar gekomen? 

Michielsen: “Ruim tien jaar geleden kreeg ik van mijn moeder allerlei documenten over onze familie. Daarin trof ik verhalen aan dat mijn betovergrootmoeder een prinses zou zijn, maar dat werd door een ander dagboek weer ­tegengesproken. Zij was een njai, en meer informatie had ik niet. Als ik een boek wilde schrijven over het leven van deze vrouw, dan moest het wel een ­roman worden.”

“Het meeste in dit boek is dus niet echt gebeurd. Maar wat ik wel uit mijn moeders documenten heb gebruikt, is de naam van de man met wie deze betovergrootmoeder kinderen kreeg: Rudolph Gey van Pittius. En dat hun dochters Pauline en Louisa geadopteerd werden door Arnoud van Boekhout die aan zijn adoptiekinderen de verfranste achternaam d’Arnaud van Boeckholtz gaf. Die twee dochters heb ik in de officiële archieven teruggevonden. Louisa is de moeder van mijn opa, en mijn eigen moeder was eerlijk gezegd altijd een beetje bang voor haar. Hoe het haar verder is vergaan, kan ik nog niet vertellen.” 

Waarom niet? Veel lezers vragen zich af of er nog een vervolg komt op ‘Lichter dan ik’, maar dan over de dochters.

“Dat komt er inderdaad! Ik ben daar nu mee bezig.”

Lezeres Lida Houkes wil ook weten of Tjanting Wiggers echt bestaan heeft.

“Jazeker. Zij was de andere oma van mijn moeder. Zij is de vertelster in ‘Lichter dan ik’, een njai die uiteindelijk wel trouwde met de Indische vader van haar kinderen. Tamelijk uitzonderlijk voor die tijd. Ze was een hele lieve vrouw die altijd voor mijn moeder zorgde.”

Heeft het schrijven van dit boek u verbonden met uw wortels, vraagt Marlijn Nijboer. Fenna van der Wall vraagt zich ook af of uw Indische afkomst ­invloed had op uw opvoeding.

“Ik heb me jarenlang niet zo beziggehouden met mijn Indische achtergrond. Mevrouw Schild vroeg ook of ik last had van het feit dat mijn voorouders onderdrukt zijn door de Nederlanders in Indië. Dat is op zich niet zo. Ik heb ook nooit het gevoel gehad dat ik gediscrimineerd zou zijn. Van twee kanten heb ik zowel Indonesische als Nederlandse voorouders. Ik ben hier geboren en voel mij ‘Indisch’ en niet ‘Indonesisch’. Ik ben wel grootgebracht met die gevoeligheden over gemengde en ongemengde afkomst. Dat vonden mijn ­ouders belangrijk.

“Ongetwijfeld heeft mijn Indische achtergrond mij gevormd, zoals ook ­lezeres Pauline van Rooijen vroeg. We hadden veel Indische spullen in huis, en de clichébeelden van veel aandacht ­besteden aan feesten, eten en familie­leven klopten bij ons ook wel. Ik ken aan spullen soms wel een ziel toe, gooi ze niet zomaar weg als ze me jarenlang gediend hebben. Iets van animisme, ­zoals lezeres Sabine van der Heijden suggereerde over Isahs religie, zit er bij mij ook wel in. Maar die achtergrond houdt me pas sinds dit boek echt bezig. En sinds mijn moeder er niet meer is, die twee jaar geleden overleed. Heel erg jammer dat zij het verschijnen van ‘Lichter dan ik’ niet meer heeft kunnen meemaken. Ik ben me door dit verhaal veel meer verbonden gaan voelen met haar en mijn voormoeders. Ik begon steeds meer Indische elementen uit mijn jeugd te herkennen, en voelde opeens toch: dit zit ook in mij. Het mooie is dat ik voor het verlies van mijn moeder die verbondenheid met mijn voorouders in de plaats heb gekregen.”

“Wat lezers misschien niet weten, is dat ik zelf ook twee dochters heb ­geadopteerd. Ik ben in de familie de eerste die met een Nederlander getrouwd is (schrijver en journalist Auke Kok, red.) en toen wij kozen voor adoptie, stond meteen wel vast dat wij het liefste kinderen uit Azië zouden hebben. Die kinderen zouden zich in mij meer kunnen herkennen dan kinderen uit andere werelddelen. We hebben twee Chinese dochters. Dat er in ‘Lichter dan ik’ een adoptiethema zit, is dus ook niet helemaal voor niks.”

Maar die adoptiemoeder komt er in ‘Lichter dan ik’ niet goed vanaf, merkt lezeres Femke de Slegte op. Carla van de Camp en Hennie van Muijen vragen: “Waarom is zij zo beschreven dat je haar wel moet haten?”

“Ze is inderdaad een dubbele figuur, de dochter van een Nederlandse vader en een inheemse moeder die werd weggestuurd. Haar vader was liefdeloos, en zij heeft al vroeg geleerd: je kunt maar ­beter bij de blanke mensen horen. Ze gaat daarom naar boven likken en naar beneden trappen. Die mensen heb je nog steeds natuurlijk. Het levert Lot ­alleen maar frustratie op, want donker als ze is, zal ze er bij de blanken nooit helemaal bijhoren. Uiteindelijk is Lot net zo goed een slachtoffer van de ­samenleving.”

Lezeres Thea Vodegel is zelf ­kleindochter van een njai, en is ­geïnspireerd geraakt om zelf op ­onderzoek uit te gaan. Heeft u tips voor haar?

“Ze kan zich wenden tot de Indische ­genealogische vereniging, igv.nl. En de stichting Zieraad, zieraad.org. Ik heb zelf de namen van mijn personages niet uitgeplozen, maar ze voor mijn boek overgenomen uit de familiedocumenten. Er waren meer lezers met vragen over de historische achtergrond van njais en hun nazaten. Reggie Baay schreef hierover een boek dat voor mij belangrijk was: ‘De njai. Het concubinaat in Nederlands-Indië’. Mijn bezoek met een gids aan de kraton in Yogyakarta was ook waardevol. Archieven heb ik daar niet kunnen raadplegen, want die zijn in het Javaans. Maar het gele stenen huisje waarin ik Isah heb laten ­opgroeien, staat er echt.” 

En dan tot slot: de titel. Lezers Arend van Maanen, Huib Stolk en Gerda ­Brouwer willen weten waarom u die gekozen heeft.

“Het gaat om de huidskleur van de dochters, die door hun lichtere teint qua status beter af zijn dan hun moeder. Vanaf 1848 mochten Nederlanders trouwen met inheemse vrouwen, maar vijftig jaar later was pas 10 procent van de huwelijken in Nederlands- Indië ­gemengd. Vaders erkenden hun eigen kinderen bij njais vaak niet, noemden hen zelfs inlanders. Of ze haalden ze weg bij de moeder om op kostscholen te laten opvoeden tot goede christenkinderen. Over die familierelaties gaat dit boek. Isah was de eerste die ervoor zorgde dat er gemengd bloed in haar ­familielijn kwam. Ze is een vrouw die altijd haar eigen keuzes maakte, al was de keuze voor Gey een naïeve. Maar hoe het ook zij, haar keuze heeft enorme gevolgen gehad.”

Dit interview kwam tot stand met behulp van veel meer vragen en reacties van lezers die we omwille van de ruimte helaas niet allemaal in dit artikel konden verwerken. Trouw dankt alle deelnemers voor hun betrokkenheid en commentaar.  

Volgende boek: ‘Uit het leven van een hond’

Wie ook wil meelezen met Trouws Boekenclub, kan alvast aan de slag met ‘Uit het leven van een hond’ van Sander Kollaard. Morgen (23 april) introduceren we dit boek bij de lezers. Over drie weken verschijnt het lezersinterview met Kollaard op basis van uw vragen. Deze kunt u mailen naar boekenclub@trouw.nl. 

Lees ook:

Trouw Boekenclub: Wat vindt u van ‘Lichter dan ik’ van Dido Michielsen?

Leest u mee? Na urenlang videobellen, mailen en appen kan offline lezen een verademing zijn. Vandaag begint de Trouw Boekenclub met ‘Lichter dan ik’ van Dido Michielsen, over een Indische njai, een bijvrouw. Een liefdevolle, onthullende roman, vinden wij. Maar wat vindt u?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden