Review

Diep in het oerwoud leven gruwelijke monsters

Net als het beroemde ’Hart der duisternis’ van Joseph Conrad, speelt de spannende Catalaanse roman ’In het hart van het oerwoud’ zich af in de jungle: symbool voor het onbekende. En net als zijn illustere voorganger stemt Albert Sánchez Pinol tot nadenken: Is een sterk verhaal ons liever dan de waarheid?

Het is bijna 120 jaar geleden dat de Pools-Britse schrijver Joseph Conrad zich inscheepte op een stoomboot richting de vrijstaat Congo, toen nog een privékolonie van de Belgische vorst Leopold II. De wreedheden die hij tijdens deze reis zag, vormden de inspiratiebron voor zijn beroemde novelle ’Hart der duisternis’ (1899), waarin een idealistische ivoor agent, Meneer Kurtz, zich in het oerwoud ontpopt tot een gewelddadige tiran.

Omdat Conrad de inheemse bevolking uitbeeldde als primitieve monsters die krijsen en schreeuwen, wild met hun voeten stampen, luid in hun handen klappen, en elkaar ongegeneerd opvreten, wordt er in academische kringen heel wat afgeleuterd over de kwestie of de auteur al dan niet een racist was.

Je zou hierdoor haast vergeten dat ’Hart der duisternis’ juist een zeer scherpe aanval op de Europese beschavingsmissie was. Congo was in de eerste plaats de plek waar blanken zwarten uitbuitten, uithongerden en nadien koelbloedig afmaakten. Congo was, voor Conrad, het absolute dieptepunt van de Westerse civilisatie.

De literatuur telt wel meer voorbeelden van blanken die in barbarij allerminst onderdoen voor de zwarten. Denk maar aan David Lurie uit Coetzee’s ’In ongenade’ (1999). Deze professor is zwaar aangeslagen nadat zijn dochter, kort na het einde van de apartheid, door een stel wraakzuchtige zwarten werd verkracht, maar schrikt er zelf niet voor terug een van zijn studentes tot seks te dwingen.

Een ander voorbeeld is ’Braziliaans rood’ (1998) van de Franse schrijver Jean Christophe Rufin, waarin ridder Nicolas de Villegagnon in 1555 vol humanistische idealen aan de verovering van Brazilië begint, maar tegelijk ongemeen hard tekeergaat tegen de protestanten in zijn troepen. Zelden echter werd de blanke verdorvenheid subtieler weergegeven dan in Albert Sánchez Piñols laatste roman.

’In het hart van het oerwoud’ vertelt het verhaal van de jonge zigeuner Marcus Garvey die in Londen gevangen zit. Hij wordt ervan beschuldigd twee Engelse aristocraten, William en Richard Craver, te hebben vermoord in de Congolese jungle, tijdens hun zoektocht naar goud. Zijn advocaat heeft een ongebruikelijk plan om hem van het schavot te redden. Hij schakelt ghostwriter Thomas Thomson in om Garvey in de gevangenis op te zoeken, op te tekenen wat er daadwerkelijk in Afrika is gebeurd, en zo de publieke opinie voor zijn zaak te winnen. Hij bestelt een klassieke raamvertelling: Thomson moet Marcus’ verhaal omlijsten met de ontstaansgeschiedenis van zijn verslag. Hij moet uitgebreid beschrijven hoe de gevangenisbezoeken verliepen, welke indruk Marcus daarbij op hem maakte, welke twijfels hem tijdens het schrijfproces overvielen enzovoort. Sluw bedacht van de advocaat, zo'n raamvertelling, want door een verhaal in een ander verhaal te plaatsen, gaat het tweede echter lijken, en dat is nou net wat Marcus nodig heeft.

Want het verhaal dat hij te berde brengt, is hoogst bijzonder. Na een wekenlange trektocht door het broeierige oerwoud stuiten de gebroeders Craver en hun gevolg – de kok Marcus en honderden negers die met stokslagen in het gareel gehouden worden – eindelijk op het lang verwachte goud. „De negers moesten graven, graven en nog eens graven. Toen het gat breed en diep genoeg was, bevrijdde William hen van hun ketenen. Die waren niet meer nodig: vanaf dat moment zouden ze in de mijn slapen. Overdag werkten de negers onder dwang van de geweren, ’s nachts werd de ladder opgehaald. Niemand kon eruit. De mijn was tegelijk een perfecte gevangenis.”

Op een ochtend worden de Cravers en Marcus wakker door luid geschreeuw van de zwarten. Bij het graven zijn ze op een monsterlijke figuur gestoten die zichzelf een ’tekton’ noemt. Hij is ongewoon wit, mager en lang als een asperge, heeft een puntige kale schedel en telt zes vingers aan elke hand. Wie Sánchez Piñols vorige boek heeft gelezen, begint te vermoeden wat de goudzoekers te wachten staat. Net als in ’Nachtlicht’ is dit ene monster slechts een voorbode van horden vijandige bezoekers die de hoofdpersonages het leven ondraaglijk maken. Doemden de monsters in de roman uit 2003 op uit de oceaan, in dit nieuwe boek komen ze – zoals hun naam al deed vermoeden– uit de aardkorst gekropen. Nacht na nacht schreeuwen de mijnwerkers het uit van de angst. Tot ze er op een dag genoeg van hebben en er door middel van een list tussenuit knijpen.

Toen waren de expeditieleden nog maar met zijn drieën. Of beter gezegd: met zijn vieren, want intussen heeft zich – net als in ’Nachtlicht’ overigens – een vrouwelijk monstertje bij het kamp van de mensen gevoegd. Haar naam is Amgam en al snel wordt Marcus verliefd op haar.

Maar veel tijd om bij haar door te brengen heeft hij niet, want de aanvallen van de tektons worden steeds grimmiger. Richard is intussen door een van hen vermoord. William en Marcus vormen nu een makkelijke prooi en worden genadeloos mee gesleurd in een uiterst hachelijke en adembenemend spannende tocht onder de grond. Wat ze daar ontdekken, is een volledig nieuwe wereld. En deze wereld maakt zich op om de mensheid te vernietigen.

Dat dat uiteindelijk niet gebeurt, is Marcus’ verdienste. Hij weet te ontsnappen en blaast later, met de hulp van Amgam, de brug op die de wereld van de tektons met die van de mensen verbindt. Hij is de redder van het mensdom. Hij verdient niets anders dan vrijspraak. En zo geschiedt.

Op de hooghartige rijkeluiszoontjes Craver na valt het qua brutaliteiten jegens de zwarte bevolking tot hier toe allemaal best mee. Marcus maakt er zich op geen enkel ogenblik schuldig aan. Hij is zelfs bereid om zijn tent met een zwarte te delen, hetgeen in die tijd – we schrijven 1912– ondenkbaar was. En de stokslagen die William en Richard uitdelen, zijn niets vergeleken bij de ontelbare hoofden op staken waarmee Conrads Meneer Kurtz zijn handelspost omheinde. Waarin verschilt het boek van deze jonge Catalaanse schrijver dan van bovengenoemde romans?

Het antwoord vindt ghostwriter Thomson op een avond in het pension waar hij verblijft. Hij raakt er aan de praat met een zwarte heer die aan de expeditie van de gebroeders Craver blijkt te hebben deelgenomen. Thomson krijgt de ware toedracht van het Congolese avontuur te horen. Al snel wordt duidelijk dat Garvey een loopje met hem en de lezers heeft genomen en het hele verhaal uit zijn duim heeft gezogen. De manke zigeuner heeft op een perverse manier de angst van de mensen bespeeld. Hij heeft ze doen geloven dat er een reële dreiging bestond, en dat er daarom moest worden ingegrepen. Er zijn genoeg wereldleiders en leiders van politieke partijen die de doeltreffendheid van deze tactiek kunnen bevestigen.

Dat het publiek het verhaal niet in twijfel trok, zegt veel over het masochistische plezier dat wij mensen aan terreur beleven. Het is alsof we maar al te graag geloven in het bestaan van een verre, onbestemde dreiging, die ons onze dagelijkse problemen en beslommeringen even doet relativeren, en ons met zelfmedelijden vervult.

Anderzijds toont het succes van Thomsons boek de ongekende kracht van de vertelkunst aan. Met een sterk verhaal kun je veel bereiken. Je kunt er iemands leven mee redden, maar je kunt er ook iemand mee belazeren. Wie over een ongebreidelde fantasie en een vlotte pen beschikt, heeft een flinke stap voor op de anderen. Misschien is dat wel de belangrijkste boodschap van dit boek. Om ongestraft misdaden te begaan, hoef je niet uitzonderlijk slim of sterk te zijn, je moet het nadien gewoon goed kunnen uitleggen.

En dat kon Marcus Garvey. Met zijn uitgestreken gezicht slaagde hij erin de meest ongeloofwaardige gebeurtenissen voor waar te laten doorgaan. Zoals wanneer hij vertelt dat hij na de tocht onder de grond te hebben overleefd, een week lang de liefde met Amgam bedreef op de top van een boom. Enkel mensen zonder inlevingsvermogen, zoals Thomsons buurman MacMahon, merken op dat zoiets niet kan: „Ik heb even zitten rekenen. Ik heb de gemiddelde hoeveelheid ontlasting die twee mensen per dag produceren vermenigvuldigd met zeven. En dan kom ik uit op een hele berg stront! Vraag is: hoe konden ze de stank verdragen?’”

’In het hart van het oerwoud’ is een schitterende hommage aan de kunst van het vertellen. Sánchez Piñol slaagt er met veel brille in een geheel nieuw universum te scheppen en dat geloofwaardig te doen overkomen. Tegelijk zet hij de lezer voortdurend op het verkeerde been waardoor hij hem ook doet nadenken. Niet alleen over de kracht van het vertellen, maar ook over fenomenen als massapsychose en manipulatie. Een boek dat de hoge verwachtingen na zijn prachtige debuut ’Nachtlicht’ volledig inlost.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden