Interview

Dichteres Esther Jansma: Ja, ik ga een blije oude moeder worden

Esther Jansma Beeld Patrick Post

Esther Jansma huiverde toen Trouw haar vroeg voor een gedicht over het Boekenweekthema ‘De moeder de vrouw’: ‘Het raakt me ook op een andere manier diep. Moederschap krijgt vaak een zuurstokroze sausje, terwijl alles wat mensen mooi en lelijk maakt, zit ook in moeders.’

Het gesprek is bijna ten einde als Esther Jansma even wegloopt. Niet veel later komt ze terug met een kindertekening. “Ooit gemaakt door mijn dochter, toen ze nog klein was. Ze was bang, net in de fase dat ze zich begon te realiseren dat ook ouders ooit dood zullen gaan. En ik vertelde haar: ‘Als je alles van de tijd en ruimte bij elkaar pakt en als je dat allemaal in één punt stopt, dan gebeurt alles tegelijkertijd en gaat nooit iets voorbij.’ Dat idee troostte haar en ze knutselde toen dit. Deze cirkels met die kleine tekeningen, dat zijn scènes uit ons leven. Hier mijn vader en moeder, en hier vraagt Wiljan, mijn man, me ten huwelijk en dit zijn wij in Disneyland. Ik vond die scènes zó mooi, dat ik er poëzie van gemaakt heb.

Negen gedichten waarin mijn dochter spreekt. “Ik vind het fijn als dingen niet verdwijnen. // Soms mis ik je nu al in de schaduw van later / zeg jij kom ik niet voor en overal met iedereen // gaat dat voortdurend zo.”

Verschrikkelijk missen

Dat missen is alomtegenwoordig in Jansma’s oeuvre. Haar dochter is inmiddels volwassen, net als haar zoon, maar er waren nog twee andere kinderen. Een meisje, Floortje, dat bij haar geboorte stierf, en een zoontje, Abel, hij werd acht maanden oud.

In 1990, in ‘Bloem, steen’ schreef ze over het verlies van haar dochtertje:

Ik wil haar overal horen, ik wil
dat ze spelregels breekt en steeds
opnieuw en anders wordt geboren.
Ik wil duizend levens voor haar.

‘Hier is de tijd’ (1998), haar met de VSB-Poëzieprijs bekroonde bundel, eindigde met een reeks voor haar gestorven zoon: “missen / is veelvoud, blijft opengaan in het nu // en je begrijpt niet hoe.”

Het gedicht waaruit deze regels komen nam u later nogmaals op in uw bundel ‘Dakruiters’. Waarom?

“De aanleiding voor dit gedicht was een verschrikkelijk missen. Maar toen ik de laatste keer zwanger was, wilde ik een reeks maken die van afwezigheid naar aanwezigheid zou gaan, elf gedichten waarin steeds andere houdingen aangenomen worden ten opzichte van dat niet-zijn. Dat missen kon ik niet beter verwoorden dan ik hier gedaan heb. En in het laatste gedicht van deze reeks, ‘Aanwezigheid’, wist ik hoe ik het kind in mijn buik zou gaan noemen.” ‘Vanaf nu kan zij gekend worden, ga ik heel lang // met haar in een huis wonen en haar eten geven”.

Zuurstokroze sausje

En toch. Al schreef Jansma over kinderen, leven, dood, het missen, ze huiverde toen Trouw haar vroeg om een gedicht bij te maken bij het Boekenweekthema ‘De moeder de vrouw’.

“Dat komt doordat het me ook op een andere manier diep raakt. Moederschap krijgt vaak een zuurstokroze sausje, terwijl vrouwen, en moeders dus ook, normale mensen zijn. Alles wat mensen mooi en lelijk maakt, zit ook in moeders. Ik heb zelf, na de veel te vroege dood van mijn vader, een nare jeugd gehad. Mijn moeder mishandelde me, geestelijk en lichamelijk.

Het stemmetje in dit gedicht is een kind dat praat tegen zichzelf. ‘Op een stoel gesmeten, je haren geroofd. / Jouw hoofd, jouw straf. Had je maar / niet moeten bestaan.’

“De harde taal die ze uitslaat, heeft ze geleerd van haar moeder. Ze scheldt zichzelf uit. ‘Onmeisje.’ De hardheid van de woorden correspondeert met de ervaring. Ik kan niet mooi schrijven over lelijkheid. Goeie literatuur ontstaat als er een kloof gaapt tussen jou en de werkelijkheid. Die kloof, die hier heel pijnlijk is, heb ik geprobeerd in taal te laten zien. Maar dit gedicht gaat ook over een nieuwe wereld bij elkaar denken, één waarin dit ‘onmeisje’ als een soort verkenner vanuit een ruimteschip mag rondkijken op aarde. Naar of niet, ze kan maar beter willen wat ze meemaakt want ze is hier maar één keer. Die verhalen vertelde ik mijzelf vroeger. Dat hielp me, al wist ik natuurlijk dat het niet waar was.”

Shit happens

Toen u zelf moeder werd, besloot u het anders te doen? Dat is ten minste hoe ik deze regels lees: ‘wanneer zij groot is // ben ik altijd al oud en blij geweest’.

“Ja, ik ga een blije oude moeder worden, absoluut gaat het daarover, en dat is gebeurd. Al ben ik ook een bezorgde moeder. Ik weet gewoon, shit happens.

De moeder-kindrelatie heb ik op allerlei manieren met mezelf geoefend. Door alles te ervaren wat ik voor mijn kinderen voelde, heb ik mijn eigen jeugd in perspectief kunnen plaatsen. Mijn Abeltje was ziek, hij had van alles, maar mijn liefde was onvoorwaardelijk. Ik wilde hém en niet een ander kind.” Ook toen de kinderen nog klein waren, werkte Jansma fulltime. Ze is archeoloog.

Niet van deze tijd

Hoe verhoudt dat werk zich tot uw poëzie? “Ik ben bezig om uit de jaarringen van hout uit archeologische vindplaatsen af te leiden wanneer er in Nederland grote overstromingen zijn geweest. Dat nagaan van de gelukkige en ongelukkige tijden in het leven van die bomen vind ik ongelooflijk interessant. Want hoe ze groeiden zegt iets over hoe mensen het indertijd hadden. Hadden ze een goede oogst of stond het land ineens onder water? Konden ze zich verplaatsen of zaten ze muurvast? Dat soort gebeurtenissen, momenten waarop de boel kantelt, zit ook in mijn gedichten, dat het soms allemaal anders gaat dan je dacht.

“Houtonderzoek geeft me een idioot gevoel van zekerheid. Ik kan zeggen: deze boom is omgehakt in de winter van 124 op 125 na Christus. Zo’n precieze datering van iets dat zo lang geleden gebeurde, dat botst natuurlijk totaal met hoe weinig we eigenlijk weten over onszelf, over onze ouders, en grootouders.”

Het motto van de Boekenweek, ‘De moeder de vrouw’, vindt ze eigenlijk niet van deze tijd. “Het klinkt nogal ouderwets, ‘de moeder de vrouw’. Zoiets wordt gezegd door mannen. ‘Kom op, makkers, we hebben hard gewerkt, we gaan eens terug naar moeder de vrouw. Kijken wat de pot schaft.’

“Begrijp me goed, dat gedicht van Nijhoff is hartstikke mooi. Het gaat over verlangen naar zijn moeder, naar geborgenheid, naar wat je niet meer kunt hebben. En door zijn moeder achter het roer van een schip te zetten, verruimt hij de rol van moeders en vrouwen. Maar zelf houd ik niet zo van het begrip ‘de vrouw’. Ik voel mij van binnen een mens. Niet per se alleen een vrouw, evengoed in sommige opzichten een man. En ik ben vast niet de enige.”

Aardlingen

Ze is, vindt ze zelf, door de jaren heen anders gaan schrijven. Minder autobiografisch ook. “Lang dacht ik dat ik niet mocht bestaan. Dat veranderde toen ik begon te schrijven. Ieder gedicht dat ik maakte was een soort psychologisch landjepik. In taal kon ik dingen versleutelen. ‘Mijn moeder gordt haar tanden aan’ schreef ik ooit, niet: ‘Ik word gek van dat mens’.

“Dat gevoel van niet passen in de wereld, betrek ik nu op de actualiteit. Zoveel mensen op de vlucht, en er wordt vaak zo respectloos over gesproken. Terwijl het individuen zijn, mensen met een naam en een geschiedenis. Om woedend van te worden. Iedereen die op aarde wordt geboren, heeft recht op de aarde. We zijn aardlingen. Ben ik toch weer terug bij mezelf als verkenner. Haha.”

Zelf schreef ze dit keer een ‘hard’ gedicht over moederschap. “Maar dat wil niet zeggen dat ik geen prachtige, ‘zachte’ gedichten over dit thema ken.” Ze pakt een bundel van de Zuid-Afrikaanse dichter Antjie Krog en leest voor, een liefdevol sonnet uit de reeks ‘Liederen voor nieuw leven’. Over een pasgeboren kind: ‘de grootte van haar hoofdje stelt ons voor / een raadsel. onder haar haartjes, een voor een / vouwen zich blaadjes toe tot been’.

“Dit vind ik zo mooi. Zij is goed, verdorie.”

Hik-stuip-lach

Haar zoon en dochter zijn het huis uit. Jansma en haar man missen het ‘jolige gefilosofeer’ aan de keukentafel, de gesprekken over de oerknal, over parallelle universa. In een recent gedicht schrijft ze:

het heelal is een lichaam dat ademt van oerknal 
naar oerknal

alle mogelijke variaties van de clustering van
moleculen
zijn gebeurd en zullen weer gebeuren, oneindig
veel bewegingen van zwellen en krimpen later
zitten we samen aan tafel, ik houd je handen vast

en zeg: het heelal is een lichaam dat ademt,
wij hebben in alle variaties al samen bestaan

“Dit is een gedicht tegen het missen. Hier zeg ik: dit moment komt terug, wij zullen later, na een oneindige reeks oerknallen weer aan deze tafel zitten. En lachen. Ik hoop dat de achterblijvers, als ze straks in zo’n hik-stuip-lach schieten, denken: ‘O ja, zo lachten onze ouders.’

“Overigens hebben we het hier in huis ook over kleine dingen, hoor!”

Voor Trouw schreef Esther Jansma het volgende gedicht over het Boekenweekthema ‘De moeder de vrouw’:

Je kunt aan van alles denken

Op een stoel gesmeten, je haren geroofd.
Jouw hoofd, jouw straf. Had je maar
niet moeten bestaan.

Rechtop gezet en weer voorover
geduwd boven een grijze gootsteen
in een ijsplens kraanwater.

Het is hier vreemd. Maar je wilde het zelf.
Ook dit, toch, verkenner, planeetbezoeker?
En het duurt maar even.

Kale kop, onmeisje, niet-mens,
je kwam hier om alles te zien en te weten,
ook dit: hoe het is om te leven

in de snijdende vorst uit haar lichaam
in de winter van haar bijtende stem.

Esther Jansma (1958), dichter, schrijver en archeoloog, debuteerde in 1988 met de dichtbundel ‘Stem onder mijn bed’. Zij publiceerde tien dichtbundels en een roman ‘De Messias’ (2015, geschreven samen met Wiljan van den Akker). Jansma’s poëzie werd meermaals bekroond, onder andere met de VSB- poëzieprijs (‘Hier is de tijd’, 1999). In 2014 ontving ze de C.C.S. Croneprijs voor haar gehele oeuvre.

Jansma is werkzaam aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en is de wetenschappelijk directeur van de Stichting Nederlands centrum voor Dendrochronologie waar men de ouderdom en herkomst van hout onderzoekt.

In 2007 werd ze benoemd tot bijzonder hoogleraar dendrochronologie en paleoecologie van het Kwartair aan de faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht.

Lees ook:

Het boekenweekthema ‘De Moeder de Vrouw’ is een schot in de roos

De Moeder de Vrouw als thema voor de boekenweek van dit jaar. De CPNB had niet kunnen dromen dat dit thema tot zoveel aandacht en ophef zou leiden. Dat is echter, als vaker, alleen ingegeven door afkeuring en boosheid. 

‘De moeder, de vrouw’ kan onze ondergang betekenen

Driehonderd schrijfsters (en schrijvers) zijn deze week van hun werkkamer afgedaald om, boos, een petitie te tekenen. De tekst, die in NRC Handelsblad werd gepubliceerd, had een sterk Dolle Mina 1970-gehalte.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden