Interview

Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja: Ik schrijf mezelf erin

Tsead BruinjaBeeld Rosa van Ederen

Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja is een geëngageerde dichter. Zijn poëzie wil saamhorigheid teweegbrengen, maar net zo goed bij gelijkgezinden perspectieven verbreden. ‘Als ik voor de eeuwigheid zou schrijven, zou ik mijzelf beperken.’

‘Wacht even.’ Tsead Bruinja kijkt aandachtig naar een klein tafereel dat zich afspeelt in het café waar we hebben afgesproken. Een vrouw heeft haar portemonnee laten vallen. Haar pasjes vormen een zon op de grond. Als de vrouw haar spullen weer heeft opgepakt, hervat Bruinja het gesprek. “Hoe die pasjes liggen, of daar een spannende structuur in zit, daar let ik op.” Dit soort toevallige momenten ‘jat’ hij graag. Hij slaat ze op in zijn hoofd, schrijft ze op in een notitieboekje. Bankpasjes op een cafévloer kunnen materiaal zijn voor poëzie.

Onlangs verscheen Bruinja’s nieuwe dichtbundel ‘Ik ga het donker maken in de bossen van’.

Vanwaar die titel?

“Het is een onaffe zin, die suggereert dat er iets volgt. Die zin is de titel van een reeks die ik maakte voor Alexander Hutchison, een Schotse dichter, ik ontmoette hem ooit bij een poëziefestival. We deelden een liefde voor muziek, voor poëzie, voor het goede leven. Ik voelde me diep verbonden met hem. Hij stierf in 2015. En toen hij er niet meer was, dacht ik: wat als ik in plaats van één iemand, een heel bos van hem maak? Probeer het je eens voor te stellen, je geliefde of je kind als een groep.”

je moet me loslaten zegt het bos de oude man
jij weet niet wat het is dat ik dan los zou laten
zegt het bos de jonge man

“Het is een van de belangrijkste dingen die ik de afgelopen jaren maakte. Ik probeer hier iets dat in de buurt komt van het rituele, het mystieke. Het is een kwetsbare reeks, het zijn gedichten die dichtbij komen.’

Tsead Bruinja (1974) schrijft in het Fries en in het Nederlands en wie dat werk leest – ‘Ik ga het donker maken in de bossen van’ is zijn dertiende dichtbundel –, leert de dichter aardig kennen. Dat hij opgroeide in een Fries dorp, naar school ging in de stad. Dat hij nog jong was toen zijn moeder ernstig ziek werd: moeder zei aan de eettafel tegen een vriendje // ik ben hartstikke kaal // hij geloofde het niet / als stan laurel / tilde ze haar pruik op. Dat zijn vader werkloos raakte in de jaren tachtig: ik zie mijn vader nog aan tafel zitten / pratend met mijn moeder over het opeten van ons huis / als hij niet snel nieuw werk zou vinden.

Het is allemaal uit zijn gedichten te halen, net als het moment waarop de liefde voor zijn vrouw begon: die eerste zoen in de kou was een triomf / maar voor mij was het al aan / toen ze achterop sprong. En dat Bruinja inmiddels gescheiden is.

Je toont jezelf klussend in het huis van een vriend, we zien je zitten op de wc. Denk je nooit: moet dat allemaal wel in die gedichten?

“Ik laat veel van mezelf zien, maar er is genoeg dat privé blijft. Mijn eerste gedichten schreef ik in het Engels. Die waren nogal associatief, gingen alle kanten op. Tijdens mijn studie leerde ik die associaties binnen de perken te houden. Pas toen ik voor het eerst een meer persoonlijk gedicht schreef, over mijn moeder, merkte ik dat ik mensen raakte.

“Het persoonlijke maakt mijn poëzie sterker. Laatst schreef ik een gedicht voor een oudere vrouw, over haar bewogen leven en over de liefde. Dat gedicht kreeg pas diepte toen ik mezelf en mijn ex-vrouw erin schreef:

in het huis waar ik sinds mijn scheiding alleen woon
en soms mijn ex-vrouw nog achter de piano zie zitten
lees ik dat wanneer een stervende plots her opleeft
dit een teken kan zijn dat het bijna gedaan is

“Tegenover het actuele moet iets persoonlijks staan. Als ik poëzie lees wil ik weten: ‘Ja maar wíe zegt dit allemaal, wie is hier aan het woord?’

“Daar komt bij: van nature ben ik nogal stil, graag alleen. Door gebeurtenissen, anekdotes, herinneringen op papier te zetten en ze op een podium uit te spreken, blijf ik in contact met mezelf, met mijn verleden, met de mensen om me heen.”

Toch is Bruinja allerminst een navelstaarder. We zien hem weliswaar regelmatig in zijn eigen veilige huis, maar wat daarbuiten gebeurt, laat hem niet onberoerd. de dichter is de conciërge van de tijd, schrijft hij ergens, en Bruinja herinnert zijn lezers aan the burning man, een Mozambikaan die in Zuid-Afrika levend verbrand werd; aan een anonieme jongen die zijn land probeerde te ontvluchten in het landingsgestel van een vliegtuig: de avond kauwt met lange tanden / aan zijn bevroren / tenen. Aan grote en kleine gebeurtenissen in politiek Den Haag – de sp-leider bejubelt zichzelf.

Zijn werk ligt in het verlengde van hoe hij in de maatschappij staat, vindt Bruinja. “Betrokkenheid bij de wereld was bij ons thuis normaal. Mijn vader was vrijwillig chauffeur op de ambulance en gaf ’s avonds lezingen over openbaar onderwijs. Ik ben geëngageerd, zonder te zeggen dat ik de wijsheid in pacht heb. Ik probeer het goede te doen, als mens en als dichter. Wat dat is? Kijken waar je staat, wie je bent in deze maatschappij, als witte man met je privileges.”

Sinds januari van dit jaar is Bruinja Dichter des Vaderlands. Twee jaar lang schrijft hij gedichten bij actuele gebeurtenissen.

Was jij, een persoonlijk dichter met oog voor de actualiteit, de ideale kandidaat voor het ambt?

“Misschien, maar ik vind mezelf niet de beste dichter van Nederland. Wel schrijf ik graag in opdracht en kan ik onder druk werken. Achteraf ben ik blij dat ik elf jaar geleden geen Dichter des Vaderlands ben geworden, toen was ik ook in de race. Ik was toen te jong, te kwetsbaar.”

De gedichten die hij tot nu toe schreef als Dichter des Vaderlands nam hij op in zijn nieuwe bundel. Kritische gedichten over het Nederlandse koloniale verleden: land dat we in kaart brachten / werd handel die we in kaart brachten / werd volk dat we ons aanschaften.

Boze, opzwepende gedichten, zoals dat bij de klimaatmars van afgelopen maart: over zes jaar vreet het hele internet een vijfde van alle stroom / de rest gaat op aan diepvriezers waar meelwormen en zeewier / koud gehouden worden om later door een 3d-printer / als bloedrode steak op je bord te worden gedropt / het komt allemaal goed

Wat maakt je zo boos?

“Dat er niet meer gelijkheid is, dat mensen gekwetst worden, dat de planeet er zo beroerd aan toe is, dat het moeilijk is om in een toekomst te geloven. Het klinkt cliché allemaal, maar het maakt me verdrietig.”

Kan een gedicht daar iets aan veranderen?

“Dat vind ik moeilijk te zeggen. ‘dartel als een vlinder steek als een bij’, dat klimaatmars-gedicht, is een boos gedicht. Ik had er veel research voor gedaan.

“Het zal misschien vooral gelezen worden door mensen die er ongeveer hetzelfde over denken. Onder hen kan het een gevoel van saamhorigheid teweegbrengen, en het zou hun perspectief iets kunnen verbreden. Dat zie ik wel als ‘nut’ van zo’n gedicht, zoals het ook troostend kan zijn.

“In de Dichter des Vaderlands-gedichten diep ik een ervaring of een toestand uit en geef daar woorden aan. Ik drijf soms een beetje de spot met mijn eigen stem en wijsheid. Zo bekeken hebben die gedichten ook iets clownesks. En als ze andersdenkenden bereiken, zou dat mooi zijn.”

Een Dichter des Vaderlands moet snel op het nieuws reageren. Als er ’s ochtends iets ge­beurt, wordt er ’s avonds een gedicht van jou verwacht. Is dat lastig?

“Een gedicht kan in een uur klaar zijn. Dat heb ik het liefst. Soms, zoals bij de aanslag in Utrecht in maart, houd ik de hele dag het nieuws in de gaten, en ga daarna schrijven. Meestal lukt het dan.

“Maar ik doe ook weleens een week over een gedicht. Dan zit ik te klooien met zinnetjes en structuren. Haal je een woordje weg of verander je het perspectief, of de tijd, dan moet alles anders. Dichten is als muziek componeren: er is een probleem dat aan het begin naar een bepaalde oplossing zoekt, een slotakkoord, een open einde.”

Zijn gedichten bij de actualiteit bestand tegen de tijd?

“Niet allemaal. Er zullen gedichten zijn waarvan mensen over vijf jaar denken: waar ging dat in hemelsnaam over?’

“Dat vind ik niet erg, zolang het gedicht de komende twee jaar sterk genoeg blijft, is dat prima. Als ik voor de eeuwigheid zou schrijven, zou ik mijzelf beperken. Ik kijk uit naar het moment dat niemand nog weet wie Mark Rutte ook weer was.”

Het gedicht waarmee je je als Dichter des Vaderlands voorstelde, ‘voor volk en moeder­land’, opent met de regel: nederland je gaf mij een dubbele tong. Wat is jouw eerste taal?

“Het Fries. Hoewel, niet als schrijver, ik schreef eerder in het Nederlands dan in het Fries. Mijn Friese woordenschat is kleiner dan mijn Nederlandse. Dat komt doordat ik niet in die taal naar school gegaan ben en ik meer in Nederlands heb gelezen dan in het Fries. Maar door ook in mijn moedertaal te gaan schrijven, veranderde er iets in mijn Nederlandse gedichten. Die werden helderder.

“Fries ligt dichterbij mijn hart, het zingt meer in m’n hoofd, de klanken worden gevormd op een andere plek in mijn mond, waardoor mijn stem ook anders klinkt als ik Fries lees. Mijn band met taal is emotioneler. Als ik Nynke Laverman hoor zingen, dan raakt me dat fysiek.

“Iets vergelijkbaars heb ik met het Zeeuws-Vlaams van Broeder Dieleman of het Gronings van Ede Staal – klank fascineert me. Dat je hoort waar iemand vandaan komt, het ontroert me.”

Juist daarom wil de Dichter des Vaderlands, die ook ‘ambassadeur voor de poëzie’ is, graag een bloemlezing maken met gedichten in alle talen die Nederland rijk is.

Bruinja: “Ik ga de provincies in, op zoek naar poëzie in het Drents, het Limburgs, het Stellingwerfs, het Papiaments. In elke taal, in elk dialect vind ik ten minste tien goeie gedichten. Zeker weten.”

Hij schrijft, treedt twee à drie keer in de week op. Bruinja’s agenda is vol. En dan geeft hij ook nog les. ‘Creatief schrijven’.

Wat leer je je studenten?

“Het belang van de vorm, het belang van gedichten als manieren van denken. En we lezen veel. Ik laat mijn studenten bijvoorbeeld zien hoe Martin Reints het woordje ‘en’ gebruikt in zijn gedichten, en hoe hij schrijft over het mooie bedrag op de teller van de benzinepomp. Ik wijs ze op de verwondering in het werk van K. Michel. Of op de mooie zinnetjes van F. van Dixhoorn: Wat is lekker bij wat?

“Jarenlang schreef ik al dat soort mooie zinnetjes op. Ik hoorde ze in interviews, las ze in de krant, gebruikte ze in mijn poëzie. Dat doe ik nog steeds. En deze blijft briljant.” 

Lees ook:  

Goeie dichters, daar zit Friesland niet om verlegen 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden