null

EssayGoed doen

Designer met gewetensnood zoekt een Volvo V40-gordel (linksvoor)

In zijn vrije tijd reist Arnout Meijer stad en land af voor een tweedehands autogordel. Maar de ontwerper in hem wil steeds weer iets nieuws scheppen, alsof de wereld nog niet genoeg spullen heeft.

Jos, Hans, Bart, Ben, Karaman, Ugur, Ismet en Adnan zouden het kunnen hebben. Ik heb het lijstje van mijn monteur die ochtend op de achterkant van een envelop gekrabbeld. Het zijn autosloop bedrijven die relatief dicht bij mij in de buurt liggen. Tenminste één zou een goedwerkende gordel uit een afgedankte Volvo V40 te koop moeten hebben.

Wat is het geval? Mijn auto komt niet door de APK. Sinds zijn fabricage achttien jaar geleden is er een enorme hoeveelheid kilometers­­ afgelegd, de afstand komt overeen met zeven rondjes om de evenaar. Maar aan de motor of het chassis markeert niks, hij rijdt nog steeds prima. De nylon garen in de bestuurdersriem zijn na het vele los en vast gespen licht gaan rafelen. Bij één losse draad wordt de veiligheidsgordel en daarmee je hele auto afgekeurd. Hij staat sinds deze ochtend vast bij de garage.

Natuurlijk kan ik gewoon een nieuwe bestellen. Voor elk oud type kan er door een dealer blijkbaar nog een gordel worden nageleverd. De kosten: 250 euro, en ik moet vijf werkdagen wachten. Maar de monteur tipte mij dat ik voor één tiende van de prijs precies hetzelfde product kan kopen bij een autosloop. Er staat vast ergens een gehavende versie van mijn auto weg te roesten waarin nog een puntgave gordel zit. Ik kies voor deze goedkoopste en snelste optie. En de meest duurzame.

Arnout Meijer (1988) studeerde aan de Technische Universiteit Delft (industrieel ontwerp) en aan de Design­­ Academy in Eindhoven, en culturele analyse aan de Universiteit van Amterdam. Hij heeft zijn eigen ontwerpbureau Arnout Meijer Studio in Amsterdam.

Waarom zou ik iets opnieuw kopen als het al afgedankt is door een ander? Met deze retorische vraag in mijn achterhoofd rijd ik (vaak) stad en (soms ook) land af naar allerlei Marktplaats-adressen. Op mijn vaste fietsroutes in Amsterdam is er altijd wel iemand die kinderspeelgoed, tuingereedschap of een boek in de aanbieding heeft. Ik houd in de gaten wanneer ik die week in de buurt ben, stuur ter plekke een tikkie en ben binnen twee minuten weer weg.

Het blijft me verwonderen dat je met open armen bij een vreemde thuis wordt ontvangen, nadat je een paar euro hebt geboden voor een afgebladerde hark. Het vertedert me iedere keer, altijd stap ik opgewekt naar buiten. Van al mijn marktplaats-spullen herinner ik me de vorige eigenaar, hun interieur en hun verhalen.

In een object zit zoveel werk en toewijding

Zou ik zo graag oude spullen hergebruiken, omdat ik zelf producten ontwerp en weet hoeveel werk en toewijding er in een object gaat zitten? Ik denk het niet. Of ben ik zo stellig in hergebruik en reparatie doordat mijn positieve beeld van design aan het kantelen is? Iedereen weet dat we door onze overvloed aan spullen bezig zijn de aarde onherstelbaar te beschadigen. Afhankelijk van het moment dat je begon op te letten heeft de Club van Rome, James Lovelock, Al Gore, Greta Thunberg of David Attenborough je al verteld dat de nood hoog is.

Een beschrijving van design waar ik me tegenwoordig steeds meer in kan vinden, komt van de Amerikaanse vormgever en criticus Victor Papanek, waaraan dit jaar een tentoonstelling in het Design Museum Den Bosch was gewijd. Hij opende zijn manifest Design for the Real World: Human Ecology and Social Change in 1971 treffend: ‘Er zijn beroepen die schadelijker zijn dan dat van designer, maar echt veel zijn het er niet’.

Terwijl ik naar de telefoonnummers zoek, zie ik op hun websites dat de sloperijen zichzelf geen sloperij, maar handelaar in auto-onderdelen noemen. Of ze ‘doen aan auto-demontage. Andere gaan nog verder en spreken van een bedrijf voor auto-recycling, soms zelfs op een duurzame manier. Het blijft mij een raadsel hoe ze alle stukken plastic, de vele chemische lijmlagen en elke giftige druppel vloeistof uit een auto op een milieuvriendelijke manier terug in de humus van de aarde gaan oplossen. Ik ben benieuwd.

null Beeld

Bij de eerste sloperij die ik bel brokkelt het laagje vernis van dit groene imago meteen af. “De sloperij”, hoor ik nadat er is opgenomen. Andere zeggen kortweg “Slooooop”. Ik word te woord gestaan door druk bezette mannen die elk type auto op hun terrein, inclusief de nog overgebleven onderdelen, uit hun hoofd lijken te kunnen oplepelen. Na elk gesprek wordt mijn vraag korter. De eerste keer licht ik de situatie bij mijn garage nog toe, maar opgegeven moment heb ik door dat ik mijn naam niet eens meer hoef te noemen.

“Sloop.”
“Heb je een Volvo V40-gordel linksvoor?”
“Nee hebben we niet.”
Verbinding verbroken.

Nadat ze me allemaal hebben moeten teleurstellen vergroot ik mijn zoekstraal. Aan het einde van de Polderbaan onder de oksel van knooppunt Rottepolderplein zit industrieterrein De Liede verstopt. Uit een tweede consult met mijn garagemonteur begreep ik dat hier tientallen autosloperijen zitten, allemaal met een Turks klinkende naam. Hij zei: “Bellen heeft geen zin, ze nemen toch nooit op.” Ik leen de auto van een vriend en vertrek richting Schiphol.

Mijn klanten accepteren alleen puntgaaf werk

Onderweg in de file overdenk ik de ongemakkelijke positie waarin ik me heb gemanoeuvreerd. Mijn pogingen om als consument zuiver te leven hebben me als producent hypocriet gemaakt. In het dagelijks leven streef ik naar oude, tweedehandse of afgedankte spullen. Maar de ontwerper in mij wordt gedreven door het continu scheppen van iets nieuws. Ik maak lampen, lichtsculpturen en onderdelen van gebouwen waar artificieel en natuurlijk licht een bijzonder beeld vormen. Halffabricaten als gegoten plexiglas, aluminiumprofielen en glasplaten laat ik machinaal bewerken en ik koop ledstrips, transformatoren en andere elektronische componenten in.

Omdat mijn klanten alleen puntgaaf werk accepteren is alles wat ik gebruik nieuw. Een loepzuivere grote glasplaat maken van losse scherven lukt niet zonder eigen glasfabriek. Voor het repareren van opgebrande led-transformatoren mis ik de kennis. Zelfs wanneer ik beide wel had, zouden mijn productiekosten zo hoog zijn dat ik mezelf direct uit de markt zou concurreren. Hoe meer ik weet over de gevolgen van de industrieën die ik gebruik, hoe meer ik gedesillusioneerd raak over mijn beroep.

Ben ik de enige ontwerper die hier last van heeft? Ik denk het niet. Maar toch, op elke ontwerpopleiding is mij verteld dat design een vakgebied is van optimisme en hoop. Op de TU Delft werden we als ontwerpers in spe via een stappenplan tot een ‘goed’ eindproduct klaargestoomd­­ om met minuscule wijzigingen aan een babyfoon of opklapbarbecue de wereld net iets ‘beter’ te maken.

Een jaar later, op de Design Academy, werd een ontwerpproces niet zo strikt ingekaderd, maar de verhalende esthetiek sprak zonder uitzondering ook over een deugdzaam en beter leven. Mijn afstudeerwerk van een lamp met natuurlijker licht incluis.

In deze afvalhoop kwijnt vast een oude V40 weg

Tegen het middaguur kom ik bij industriegebied De Liede aan. Achter de hekken staan de roestige en versleten wrakken op elkaar gestapeld als de afgegraven lijken in een massagraf. Soms zijn de ruiten aan diggelen alsof ze van honderden meters hoog precies op de stapel zijn gevallen, bij andere is het gebutste plaatwerk van de motorkap gekruld om een lege afdruk van een paal of tegenligger­­. Naast de auto’s zie ik deuren in rijen gesorteerd, er liggen bergen bekabeling en de stapels autobanden torenen boven mij uit. In deze afvalhoop staat vast een oude V40 weg te kwijnen.

Het eerste magazijn dat ik binnenloop is van Ismet. Hij heeft zijn stellingkasten tot de nok gevuld met airbag-ringen, cilinderkoppen, stuurkolommen, veerpoten, expansiereservoirs, gasdrukveren en waterpompen, netjes van etiket voorzien. Dit lijkt verdomd veel op een auto-demontage bedrijf, moet ik toegeven. Je kan het zo gek niet bedenken of hij heeft het. Het verbaast me dat al deze onderdelen al ontmanteld, gesorteerd en gelabeld zijn. Blijkbaar wordt er toch meer gerecycled in Nederland dan ik dacht. Volgens beproefd recept val ik met de deur in huis: “Hallo, heb je een Volvo V40-gordel linksvoor?”

“Nee, heb ik niet”, antwoordt Ismet direct, zonder naar een stellingkast om te kijken. Al dank zeggend loop ik naar de volgende loods.

“Ha, heb je een Volvo V40-gordel?”
“Welk jaar?” vraagt de monteur.
“2002.”
“Nee, hebben we niet”, zegt ook hij zonder een plank te hoeven raadplegen.

Nadat ik ook Karaman, Ugur, Adnan en nog een tiental andere magazijnen ben afgestruind concludeer ik dat de meeste sloperijen mijn type niet hebben. Voor V40’s rond de millenniumwisseling blijkt geen grote markt te zijn.

null Beeld

Het is al twee uur geweest. Hergebruik is een principekwestie, maar ik ben nu al een halve dag bezig met deze gordeljacht. Marktplaats dan: de dichtstbijzijnde advertentie is van Autosloopbedrijf Pieper in Putten. Niet naast de deur, maar zonder files kan ik net op tijd terug zijn bij mijn garage om de riem erin te laten zetten. Om er voor te zorgen dat deze me niet alsnog ontglipt, bel ik het nummer. De openingszin klinkt mij vertrouwd in de oren:

“Sloperij.”
“Ha, ik zag online een Volvo V40-gordel linksvoor en heb je die nog?”
“Even kijken, heb je het ID-nummer?”
“Dat is zes twee vijf drie drie.”
“Even kijken…. jazeker die heb ik hier.”
“Top! Dan kom ik er nu aan.”
“Onder welke naam zal ik’m klaarleggen?”
“Meijer. Tot zo.”

Design wordt verblind door zijn eigen optimisme

Terug op de snelweg rijd ik vol goede moed naar Putten, nu gaat het lukken. Waar mijn zoektocht naar een afgedankte gordel me ook brengt, telkens kom ik terug bij mijn vakgebied. Design wordt wat mij betreft ook verblind door zijn eigen optimisme. Ondanks dat de wereld gebukt gaat onder een verstikkende hoeveelheid spullen, geproduceerd in vervuilende fabrieken onder mensonterende omstandigheden met steeds schaarser wordende grondstoffen, lijkt er niets ingeboet aan positiviteit in het vakgebied.

In woonbladen en op designblogs zijn ze natuurlijk altijd optimistisch, daar wordt de consument verleid iets nieuws te kopen. Maar ook in het gros van de vaktijdschriften, nationale kranten en museale tentoonstellingen wordt de loftrompet gestoken over de gutmensch-designer. De titels van de meest recente design exposities in Museum Boijmans van Beuningen en het Stedelijk Museum Amsterdam spreken boekdelen: Change the System en Dream out Loud. Op de toonaangevende ontwerpersconferentie What Design­­ Can Do bejubelen gevierde sprekers uit het vakgebied elk jaar opnieuw de revolutionaire krachten van design. Ze lijken te zijn vergeten wat design al heeft veroorzaakt.

Zelfs met oprechte goede bedoelingen kunnen utopische vergezichten gezichtsbedrog blijken. De minuscule personenauto Smart werd geïntroduceerd als duurzaam alternatief voor een normaal formaat, maar het kleine model werd vooral aangeschaft voor de boodschappen, als tweede auto. Of neem de plastic tas, uitgevonden door Sten Gustaf Thulin in de jaren zestig om ontbossing als gevolg van papieren tassen tegen te gaan. Zo slecht heeft milieubescherming waarschijnlijk nog nooit uitgepakt.

Ik ben niet tegen optimisme, een wanhopig of, nog erger, apathisch wereldbeeld garandeert een slechte afloop. Maar het verdacht positivistische design-vocabulaire van oneindig recyclen, bio-plastics en circulair design voedt het waanbeeld dat ‘betere consumptie’ leidt tot een ‘beter milieu’. Oneindige groei in een eindige wereld is onhoudbaar. Dat ziet nu toch iedereen? Paradoxaal genoeg denken we bij een te negatief vooruitzicht niets te kunnen en bij een te positief vooruitzicht niets te hoeven. Beide schetsen een oneerlijk beeld. Zoals de filosoof Donna Haraway in haar meest recente boek Staying with the trouble de twee uiterste reacties op de klimaatcrisis beschrijft, altijd perfect balancerend tussen ironie en ernst: ‘Neither despair nor hope is tuned to the senses’.

Deugd wordt vaak aangeprezen als intrinsieke eigenschap van design

Is dit in plaats van de ontwerpers niet het design discours­­ aan te rekenen? Voedt het vakgebied niet het waanbeeld dat zolang je maar blijft door ontwerpen de wereld automatisch beter wordt? Het Design Museum­­ Den Bosch gaf afgelopen jaar nog een tweede realistisch beeld van wat design kan doen: de tentoonstelling Design van het Derde Rijk. Volgens het museum wordt vormgeving ‘vaak gepresenteerd als een bijdrage aan een betere wereld’, terwijl het in Nazi-Duitsland ‘een instrument was in de handen van het ultieme kwaad’.

Deugd is vanzelfsprekend geen intrinsieke eigenschap van design, maar zo wordt het wel aangeprezen. Dankzij industrieel design is het leven de afgelopen eeuw zonder twijfel enorm verbeterd, maar alleen voor de fabrikant en beoogde consument. De rest heeft de prijs moeten betalen.

Bij de autosloperij in Putten ligt mijn bestelling al klaar. Een veiligheidsriem is blijkbaar niet alleen een riem. Een zwaar stalen oprolmechanisme en allerlei bouten en plaatjes zitten vast aan de reep stof. Het is een roestig ding met een oude vervilte grijze band. Op een of andere manier had ik er na al die tijd meer van verwacht. Maar, de gordel is niet gerafeld dus de buit is binnen. Ik reken af en euforisch draai ik de auto om, eindelijk naar de garage.

Nadat ik de leenauto heb afgezet in Amsterdam sprint ik op mijn fiets verder. Net voor sluitingstijd loop ik mijn garage binnen, waar zoals afgesproken mijn auto nog klaar staat en de oude gordel er direct in wordt gemonteerd. Ik loop alvast naar het kantoor om af te rekenen. Dezelfde monteur waarmee ik die dag heb gebeld staat achter de balie: “Dit laatste kost niks, krijg je van de zaak.” Blijkbaar vindt hij dat de reis me al genoeg heeft gekost vandaag. Hij raadt me aan volgend jaar niet meer terug te komen: “Dat is deze auto niet meer waard”, zegt hij. “Je kan beter direct naar de sloop.” Ik vrees dat ik tegen beter weten in gewoon weer terug kom. Mij is het wel waard, al die moeite.

Welke spullen koopt u nieuw, en welke liever tweedehands? Reacties (max. 150 woorden) zijn welkom via tijdgeestreacties@trouw.nl. Graag naam en woonplaats vermelden.

Lees ook:

De illusie van recyclen: plastic dat u braaf inzamelt, wordt overal gedumpt

Veel Nederlandse huishoudens scheiden al sinds 2010 braaf het plastic afval: liefst 52 procent zou worden hergebruikt. Maar is dat wel zo? En wat gebeurt er met de rest?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden