De ziel ligt dagelijks op de snijtafel

Het tuinhuisje waar de Groninger Jellema graag zat te schrijven. Beeld
Het tuinhuisje waar de Groninger Jellema graag zat te schrijven.

Twee gedreven dichters, Leonard Nolens en C.O Jellema, laten zich in hun dagboeken van hun persoonlijkste kant kennen.

Jaap Goedegebuure

Grofweg genomen zijn er twee soorten dagboekenschrijvers. De een kiest elke dag een moment om de lopende gebeurtenissen en handelingen te registreren, als het moet tot in de allerbanaalste details. „Prettig geschoren. Hond uitgelaten. Sherry gedronken bij mijn uitgever.” De ander gebruikt het dagboek als een middel tot zelfonderzoek, reflectie, het opmaken van de balans in de geestelijke huishouding. Zo iemand slaat wel eens een dag over als er niets van belang te melden valt.

Het bespiegelende dagboek kent een lange traditie. Uit de tweede eeuw dateren de monologen die de Romeinse keizer Marcus Aurelius ’Tot zichzelf’ richtte. Dan zijn er de beroemde ‘Pensées’ van filosoof Blaise Pascal (1623-1662) en literaire pareltjes als het half gefingeerde ‘Uit het leven van Frank Rozelaar’ van Lodewijk van Deyssel (1864-1952), het onder fijnproevers zeer geliefde ‘The Unquiet Grave’ van Cyril Connolly (1903-1974) en natuurlijk het klassiek geworden ‘Leven als ambacht’ van Cesare Pavese (1908-1950).

Pavese’s invloed is duidelijk naspeurbaar bij Frida Vogels en Leonard Nolens. Van de dichter Nolens verscheen onlangs een meer dan duizend pagina’s dikke uitgave waarin zijn vier tot nu toe gepubliceerde dagboekdelen werden gebundeld, samen met een deel dat nog op de plank lag. De flaptekst laat weten dat hij de administratie van het innerlijk hiermee voor gezien houdt. Twee jaar geleden hield hij ermee op, gelukkig niet op de manier van Pavese die na de slotzinnen van zijn journaal („Dit is allemaal weerzinwekkend. Geen woorden. Een gebaar. Ik schrijf niet meer”) een einde aan zijn leven maakte.

Niet dat Nolens het bestaan opvat als een lichte taak. Als liefhebber van woordspelingen herschrijft hij het toepasselijke woord ‘overpeinzingen’ naar het niet minder toepasselijke ‘over pijn zingen’. Want dat is precies wat hij hier doet: ongenoegen, frustraties, woede en verdriet omzetten in formuleringen die niet alleen scherp en precies, maar ook elegant zijn. Zelfs waar hij beweert dat de naakte en onverbloemd weergegeven waarheid hem liever is dan de schone letteren, zie je hem naarstig zoeken naar het juiste woord en de soepel lopende zin.

Een terugkerend motief is de spanning tussen het verlangen om een mens uit één stuk te zijn en het besef dat zoiets een vrome illusie moet blijven voor wie zijn ziel dag in, nacht uit op de snijtafel legt. Goed dat hij van de nood een deugd weet te maken. De eenzame schrijver, zo vindt Nolens, moet de vele personen die in hem schuilgaan de kans geven zich te manifesteren, tot troost van lezers die gevangen zitten in een sociaal keurslijf dat hen dwingt tot consistentie. „Het is de schepping van een vrij ik dat, wars van zijn bijvoorbeeld economische bruikbaarheid, de als normaal beschouwde spelregels discrediteert.”

De last van een versplinterd ik is door C.O. Jellema (1936-2003) mooi verbeeld in het gedicht ‘Zelfportret’: „De naam is legio, want wij zijn velen: / wil, wanhoop, woede, wensdroom, twijfel, maar / dat lijf houdt ons als kluwen bij elkaar, / die kop soms dol van ons verward krakelen.” Van diezelfde Jellema is nu een ruime keus beschikbaar uit de dagboeken die de erven na zijn overlijden aantroffen. Ze laten hem zien in de worsteling met zijn homoseksuele identiteit, met het geloof dat hem als domineeszoon liet opteren voor een – snel afgebroken – studie theologie, met een dominante moeder van wie hij maar niet kon loskomen, en last but not least met de twijfels omtrent de waarde van een dichterschap dat pas laat tot bloei kwam en nog later door de deskundigen als waardevol werd erkend.

Waar Nolens zijn aandacht vooral richt op gemoedsbewegingen en betrekkelijk weinig melding maakt van levensfeiten en feitjes, komen we van Jellema te weten wat er zoal omgaat in zijn bestaan en dat van zijn naaste familie en vrienden.

Het verschil tussen de twee dagboeken laat zich niet alleen verklaren uit de tegenstelling tussen bespiegeling en documentatie, maar vooral uit de omstandigheid dat Nolens al in een vroeg stadium had besloten tot publicatie, terwijl Jellema dat overliet aan de nabestaanden. Nolens wilde van zijn dagboek een monument maken, Jellema was het er hooguit om te doen momenten vast te leggen waaraan hij achteraf teruglezend betekenis kon toekennen.

Natuurlijk zijn er bij dit grote verschil ook talloze overeenkomsten, bijvoorbeeld in de door Nolens en Jellema gedeelde neiging tot zelfkastijding, en – wat bij deze dichters uiteraard veel belangrijker en relevanter is – in hun totale overgave aan de poëzie, die voor de mystiek geïnteresseerde Jellema sowieso aan het goddelijke raakt en voor de veel sceptischer ingestelde Nolens altijd nog het allerhoogste en allerkostbaarste goed belichaamt. Hoger zelfs dan zijn dagboek, dat voor hem op zijn best een bijproduct is van het vers. Want, zo schrijft deze nu eens hovaardige en dan weer deemoedige man op 10 maart 1981: „Al mijn notities zijn mislukte gedichten.”

Het tuinhuisje waar de Groninger Jellema graag zat te schrijven. (FOTO REYER BOXEM) Beeld TROUW
Het tuinhuisje waar de Groninger Jellema graag zat te schrijven. (FOTO REYER BOXEM)Beeld TROUW

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden