De wereld op handformaat

In een tijd waarin de wereld steeds groter leek, werden de schilderijen steeds kleiner. Miniatuurschilderijen dienden in de 17e eeuw als plaatjesboek over ondekte landen en gevoerde oorlogen. Een overzicht van een opmerkelijke expositie.

Het zijn zo maar drie piepkleine meesterwerken: een monumentaal aangepakt mansportret, door Frans Hals in zijn flamboyante stijl geschilderd, een fijn gedetailleerd bloemstuk door de vader van alle bloemstillevens Ambrosius Bosschaert de Oude vervaardigd, een lief meisjesportret van Michael Sweerts dat ooit aan Vermeer deed denken. En dat alles op een formaat dat dat van een paperback niet overstijgt. Oftewel: kunst op ansichtkaartformaat, geschikt om aan de muur te worden opgehangen of in de panelen van een kunstkabinet te worden opgenomen.

Al in het begin van de 17de eeuw werd het schilderij op ansichtkaartformaat geïntroduceerd. En als altijd waren het de Vlamingen die verantwoordelijk waren voor dit nieuwe type schilderij: vader en zonen Brueghel zijn de ware 'inventors' van het briefkaartdoek, dat in hun tijd nog op hout werd neergezet. Er zijn op dat formaat waarschijnlijk even veel werken gemaakt als schilderijen in grotere verhoudingen. Alleen, in Nederland zijn die grote formaten vrijwel niet verzameld. Zodat ze ook niet in onze musea hangen. Uitzonderingen zijn het Rijksmuseum dat sommige kabinetstukken (de niet officiële vertaling van het Engelse begrip 'cabinet pictures') in daarvoor ontworpen meubels kan tonen, en een museum als De Lakenhal in Leiden. Uit die stad kwamen dan ook de schilders die in het kleine formaat hun specialisme vonden: de Leidse fijnschilders werden beroemd om hun kwaliteit die ze op de vierkante centimeter etaleerden.

,,Eigenlijk is het vreemd dat jullie nooit zulke kabinetstukken hebben verzameld. Het is toch een door en door een Hollands onderwerp,'', zegt Christopher Wright. Hij is de samensteller van een expositie over dit fenomeen bij de Londense kunsthandelaar Richard Green. Het gaat hier om werken uit museumbezit, en die zijn naar goede Britse traditie niet te koop.

Wright, die als freelance in te huren kunsthistoricus een grote kennis over Nederlandse schilderkunst opdeed (hij werkte drie jaar aan een inventaris van Nederlandse schilderijen uit de 17de eeuw in Nederlands openbaar bezit), kan zich er nog over verbazen. ,,Als ik deze tentoonstelling op basis van in Nederland aanwezige kunst had moeten maken, was ik niet ver gekomen. Nu mag er dan interesse voor het onderwerp zijn, vroeger werd er niets van dien aard verzameld. In Engeland daarentegen kom je kabinetstukken in praktisch elk museum voor schone kunsten tegen. Niet alleen een groot museum als de National Gallery in Londen, maar ook de provinciale musea. Ik moet er wel bij zeggen dat die musea op gebied van kleine formaten nauwelijks een beleid hebben. Ze zijn door schenkingen aan deze schilderijen gekomen. Sinds de 17de eeuw zijn ze naar Engeland geëxporteerd, waar ze vaak in adellijke collecties terechtkwamen.''

Er is geen direct aanwijsbare reden voor het feit te vinden dat de kleine formaten in de 17de voor een bepaald deel van de markt werden gemaakt. Schilderijen die niet in opdracht werden gemaakt, waren voor de vrije markt bestemd. Deze werken vonden hun weg naar de traditionele jaarmarkten waar ze onder het oog van de 'gewone man' kwamen. Die wilde ze best kopen, voor prijzen van niet meer dan een paar gulden. Zo'n schilderij moest ook aan de muur kunnen hangen, ze vormden een wezenlijk deel van de stoffering van het Hollands binnenhuis. De schilder hield dus rekening met de toekomstige bestemming van zijn werk.

Voor die opvatting pleit het argument dat vrijwel elke schilder zulke kleine formaten kon aanleveren. Het overzicht dat de Greens lieten samenstellen, bevat een scala aan bekende 17de eeuwse schilders, een overzicht waaraan alleen Rembrandt en Vermeer ontbreken. Het rijtje bevat illustere namen als Jacob van Ruisdael, Jan van de Cappelle, Jan Steen, Jan van Kessel (een echte miniaturist die de hele natuur op postzegelformaat heeft geinventariseerd) en Carel Fabritius. Hun vakmanschap verschilt op klein formaat even weinig als dat op de meer reguliere formaten. Van Goyen schilderde een landschap op een A-4tje even mooi als een groter doek. Frans Hals bereikte zijn impressionistische stijl met een wat kleinere penseel even goed als op de monumentale doeken. Het formaat blijkt ook geen enkele restrictie te leveren voor de inhoud. ,,Alleen heb ik geen kerkschilders gevonden,'' zegt Wright, ,,schilders als Pieter Saenredam en Hendrick van Vliet hebben niet op kleine doeken gewerkt. Ook in de hoek van de architectuurschilders (zoals bijvoorbeeld Vredeman de Vries, CS) kwam ik geen voorbeelden tegen. Maar dat zijn de enige categorieën die ontbreken.''

Toch moet er meer zijn dan alleen de economische motieven die het schilderen op klein formaat zo heeft gestimuleerd. Die reden moet gezocht worden in de omstandigheden waarom deze schilderijen werden aangeschaft. Als je kijkt naar de opkomst van het kleine formaat, dan loopt die ontwikkeling gelijk op met de grote ontdekkingsreizen aan het einde van de 16de en het begin van de 17de eeuw. In die tijd moest de 'gewone man' ervaren dat zijn wereld steeds groter werd. Oorlogen werden in verre landen gevoerd, of op zee, ver uit de kust. De 17de eeuw is de begintijd van het kolonialisme: Nederland kreeg bezittingen in het Verre Oosten en Westen. Met deze reizen groeide de informatiestroom, de kennis over tot dan toe onbekende feiten. En tegelijk ontstond er behoefte aan zekerheid, aan het vastleggen van wat verdwenen raakte en gekoesterd moest worden. Het kabinetstuk bracht de wereld letterlijk binnen handbereik. De wereld liet zich verklaren door haar letterlijk op de hand te lezen. Daar was niet eens veel geld voor nodig: de schilderkunst was een democratisch middel om de mensen inzicht in hun wereld te verschaffen. Daarom hebben veel van die schilderijen ook zo'n explicerend karakter. Bosschaert legde haarfijn uit welke nieuwe tulpensoorten er waren, David Teniers confronteerde de stedeling met het boerenleven. En als Willem van Mieris, een van de bekendere Leidse fijnschilders, een portret maakte, was dat zo levensecht, dat het er op leek alsof de afgebeelde tastbaar in de kamer aanwezig was. Zo werd de wereld veroverd, gewoon in de Hollandse huiskamer.

Blijft de vraag waar de grenzen lagen van het kleine formaat. Is een doek of paneel van 40 bij 50 cm nog een kabinetstuk? Christopher Wright: ,,Ja, en daar zit de crux. Er zijn geen officiële grenzen aan te geven. Elk klein formaat kan een kabinetstuk zijn. Wat geldt is dat het formaat geschikt was om in huis te worden opgehangen. De grotere formaten werden vaak in opdracht vervaardigd en daarmee vervalt de definitie van een kabinetstuk.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden