Review

De wei gaat steeds meer op een dierentuin lijken

Albert Beintema, Oene Moedt, Danny Ellinger: Ecologische atlas van de Nederlandse weidevogels. Schuyt & Co, Haarlem; geb., 352 blz. - ¿ 115 (bij Vogelbescherming in Zeist ¿ 98,50).

De hoogste tijd dus om de kennis over de bewoners van de vroeger zo vermaarde bonte wei te bundelen. Uitgever Schuyt koos voor de vorm van een ecologische atlas, de derde al in een reeks. De weidevogels kregen gerenommeerde beschrijvers: bioloog Albert Beintema is bekend vanwege zijn jarenlange professionele onderzoek aan weidevogels, aardrijkskundeleraar Oene Moedt door de schitterende foto's die hij van de bewoners van onze groene cultuursteppen maakt.

Wat is een weidevogel? Het antwoord is even eenvoudig als verrassend: 'Een echte weidevogel pur sang bestaat niet'. Gelukkig zijn er ornithologische commissies, die dit soort vraagstukken oplossen. Zodoende kennen we sinds 1987 primaire en secundaire weidevogels. Primair zijn onder meer grutto's, kieviten, tureluurs, watersnippen en kemphanen. Tot de secundaire soort behoren de wintertaling, de patrijs en de uiterst zeldzame grauwe gors.

Volgens Beintema is op dat onderscheid wel het een en ander aan te merken, net als op de oudere indeling in 'kritische' en 'niet-kritische' weidevogels. Wat twintig jaar geleden een niet-kritische soort was - bijvoorbeeld de grutto - is dat intussen bijna wèl. En de wulp, in Duitsland en lange tijd ook bij ons als kwetsbaar en niet te redden beschouwd wanneer de intensivering van de landbouw zou doorgaan, ontwikkelt zich in Nederland intussen tot een rasechte weidevogel.

Na deze schermutselingen over de terminologie beschrijft Moedt het signalement en de geschiedenis van de weidevogels, hun leefgebied en hun gedrag. Beintema tekent voor de ontwikkeling van de weidevogels en alle haken en ogen die daaraan vastzitten: de ei- en kuikenfase; verlies door predatie (vraat door dieren), vertrapping en eierrapen; opgroeistrategieën, overleving en voedsel.

Hoe staat het er nu voor met onze weidevogels? Dat valt eenvoudig samen te vatten: op een uitzondering na nogal beroerd. Profiteerden ze aanvankelijk nog van de toegenomen voedselrijkdom ten gevolge van sterkere bemesting, daarna waren verlaging van de grondwaterstand, overbemesting, verkaveling, toenemende beweidingsdruk en natuurlijk het simpelweg verdwijnen van goede graslandgebieden er de oorzaak van, dat het met de meeste soorten niet goed gaat. Eigenlijk gedijen de weidevogels alleen nog in speciale beheers- en natuurgebieden.

Daar kun je heel zielig over doen, en het zou ongetwijfeld ook een verarming van het landschap zijn als er geen kieviten meer buitelen of grutto's skriesen, maar het blijft een feit dat de dichtheden bij ons onnatuurlijk hoog waren - en deels nog zijn - in vergelijking met het oorspronkelijke leefgebied van de betreffende vogels.

Waar zal de achteruitgang eindigen? Raken we een aantal soorten kwijt? Moeten we ons druk maken over de verdwijnende kemphaan of moeten we beseffen dat Noord-Europa en Siberië vooralsnog miljoenen broedparen tellen?

Een bikkelhard feit blijft ook dat de gebieden die mogelijk iets natuurlijker zijn dan onze weilanden, eveneens onder druk komen te staan; echte steppen bijvoorbeeld worden schaarser. Nog even en de poesta leeft alleen nog in kruiswoordpuzzels voort.

Wat wordt er tegen die achteruitgang gedaan? Veel, en steeds meer. Maar de weiden gaan daardoor wel op een dierentuin lijken. Veel weidevogels kruipen nog uitsluitend uit het ei, doordat vrijwilligers de nesten hebben beschermd tegen maaimachines en grazend vee.

En wat te denken van de nieuwste bedreiging: de mestinjecteur. Het is de vraag er nog maar één ei zou uitkomen als vrijwilligers niet voortdurend met nestbeschermers rondliepen. Dat geldt ook voor Friesland, hoewel ze daar, op een enkele uitzondering na, als tegenprestatie nog steeds tot in april de eieren rapen. Daar schijnt Beintema niet veel moeite mee te hebben. Hij noemt het eierrapen wel het meest controversiële onderwerp van de weidevogelbescherming. Enerzijds bevreemdt het hem dat veel eierzoekers zich zo ergeren aan kraaien die wel eens een eitje roven, maar anderzijds vindt hij het vreemd dat tegenstanders van het rapen de predatie door kraaien 'natuurlijk' noemen.

Hier spreekt te zeer de onafhankelijke onderzoeker in Beintema. Hij had natuurlijk gewoon stelling moeten nemen tegen alle onnatuurlijke factoren die het broedseizoen naar een later tijdstip verschuiven. Want steeds eerder gaan de machines het land op, steeds eerder wordt er gerold en gemaaid. Als de eierzoekers de eieren zouden laten liggen, zouden de vogels eerder kunnen gaan broeden, en daarmee de vernietigende machines vaker kunnen ontlopen.

Beintema schijnt ook niet echt goed raad te weten met het verschijnsel jacht. Althans, hij wil zich er niet echt over uitspreken, op een enkele uitzondering na: “Nu de jagers: niet alle jagers sturen de door hen aangetroffen ringen op. Sommigen zijn bang dat de daaruit afgeleide gegevens tegen hen gebruikt kunnen worden en als zij dit lezen, kunnen ze daar gelijk in krijgen.”

Dan denk ik: is dat goed of slecht voor de weidevogels, dus moeten we nu voor of tegen zijn? Moet je het normaal vinden dat de Fransen jaarlijks alleen al 'twee miljoen kieviten overhoop schieten'? En 900 000 watersnippen?

Al met al word je niet vrolijk van de weidevogelatlas. Het absolute dieptepunt is de mededeling, dat de positieve ontwikkeling van de gruttostand in Noordhollandse natuurreservaten en beheersgebieden “ongeveer het enige positieve is dat er op het gebied van de ontwikkeling van weidevogelpopulaties in Nederland in dit boek te melden valt”.

Blijft overeind dat deze atlas een boeiend en prikkelend - en prachtig geïllustreerd - boek is. Hier en daar aan de taaie kant, en voor iemand die niet bereid is zich erin vast te bijten, niet altijd eenvoudig te volgen. Een aantal hoofdstukken had samengevoegd moeten worden om herhalingen te voorkomen en meer samenhang te scheppen. Op te veel plaatsen zijn foutjes blijven staan. Sommige legenda, tabellen en figuren bevatten onjuistheden of zijn onduidelijk. Het boek blijft een beetje hangen tussen een bestemming voor profs of amateurs, het valt nergens echt lekker in het grid.

Je moet een liefhebber zijn om het aan te schaffen, ook gezien de prijs. Maar dat Beintema en Moedt tot dit resultaat zijn gekomen, is zeer verdienstelijk. Anders zouden latere generaties misschien nooit hebben geweten dat Nederland ooit vergeven was van de weidevogels.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden