De wederopstanding van de Rossini-tenor: Heuse haantjes die kukelen als nooit tevoren

null Beeld Fadi Nadrous
Beeld Fadi Nadrous

Hij kon superhoog en superwendbaar zingen, de Rossini-tenor. Totdat een nieuw soort, gespierder zanger het stemtype om zeep hielp. Maar met de renaissance van zijn muziek stond ook de Rossini-tenor weer op.

Toen Gioachino Rossini in 1837 de Franse tenor Gilbert Duprez in de Parijse Opéra een hoge c hoorde zingen in zijn opera ‘Guillaume Tell’ reageerde hij – onderkoeld als altijd – met de onsterfelijk geworden uitspraak dat het geluid hem deed denken aan ‘het gekrijs van een kapoen die gekeeld wordt’. Op zijn Italiaans: ‘L’urlo di un cappone sgozzato’. Voor uw begrip, een kapoen is een gecastreerde haan. Door de castratie werd hij vetter en malser en dus aantrekkelijker voor de haute cuisine. De opmerking van Rossini is misschien in dat licht ook wel vileiner dan hij in eerste instantie lijkt, omdat de gedrongen Duprez nogal vette en malse proporties had. Toen een ballerina van de Opéra door iemand werd ­geattendeerd op Duprez, de held van ‘Guillaume Tell’ op die avond, schijnt zij in ontzetting geroepen te hebben: “Die pad? Onmogelijk!”

Maar in weerwil van Duprez’ omvang en de kwalificatie die hij van Rossini kreeg, maakte de manier waarop hij zijn hoge tonen produceerde al snel school. Het publiek smulde ervan. Met Duprez werd een nieuw type tenor geboren en collega-tenoren die de techniek niet onder de knie kregen, hadden het nakijken. Zoals de arme Adolphe Nourrit. In Parijs was hij in ‘Guillaume Tell’ vanaf de première in 1829 de succesvolle voorganger van Duprez geweest. Jarenlang toegejuicht, de ster van Parijs, en de lieveling van Rossini. En nu was daar ineens zo’n brulboei, die opgepompte hoge noten de zaal in slingerde alsof het niks was. Nourrit vertrok verslagen naar Italië en probeerde daar tevergeefs zijn stem om te scholen. Hij kreeg het niet voor elkaar en de grote Nourrit sprong in 1839 volslagen gedesillusioneerd vanaf een ­Napels balkon zijn dood tegemoet. Met Nourrit viel figuurlijk een hele generatie tenoren van dat balkon.

Passaggio

Wat was er nou zo anders en bijzonder aan die hoge c van Duprez? Hij zong die op volle kracht met zijn borststem. Daarvoor benaderden tenoren de hoge Rossini-noten omzichtig en schakelden ze al ver vóór die c in beeld kwam over op een ingenieuze mix van borst- en kopstem. We spreken dan over de registerovergang, in het Italiaans de passaggio. Die registerovergang kun je goed horen bij iemand die jodelt, omdat die steeds heel snel schakelt tussen borst- en kopstem.

Klassieke zangers kunnen via een lange training die overgang gladstrijken, zodat die niet meer zo hard en botsend klinkt als bij een jodelaar. Rossini-tenoren waren er meesters in en konden via die bijzondere techniek ontzettend hoog komen. Bovendien bleef hun stem licht en soepel, zodat ze ook de complexe coloraturen van Rossini aankonden. Maar toen kwam dus Duprez met zijn gespierde borststem en het effect was verwoestend. Want Rossini vond het dan wel niet mooi, het publiek viel en masse voor dat opwindende, krachtige geluid. Het is de stereotiepe hoge c, zoals we die kennen van De Drie Tenoren, Domingo, Pavarotti en Carreras.

Door die c op volle orkaankracht, en de techniek die daar bij hoorde, verdween de Rossini-tenor langzaam maar zeker van het toneel. Met die verwoestende kracht verdwenen al die soepele hoge noten en ook snelle coloraturen konden die gestaalde stembanden niet meer aan. Het is een teken aan de wand dat Domingo, Pavarotti en Carreras haast geen muziek van Rossini op het repertoire hadden. Pas aan het eind van de vorige eeuw zette de verandering in. Toen begon vanuit Rossini’s geboorteplaats Pesaro de renaissance van zijn muziek, middels een jaarlijks festival en een gespecialiseerde vocale opleiding. De Rossini-tenor beleefde zijn wedergeboorte en veroverde geleidelijk aan weer het operatoneel.

Geen dodo

Veertig jaar later is het beeld volledig gekanteld en is de Rossini-tenor geen dodo gebleken. Daar leek het lang wel op. In Rossini’s populairste opera ‘Il barbiere di Siviglia’ was het casten van de rol van Almaviva jarenlang een groot probleem. Op de première in 1816 werd die rol gezongen door Manuel García, die samen met Giovanni David en Andrea Nozzari De Drie Tenoren van de 19de eeuw vormde (zie kader). In de discografie van de opera is tot ongeveer 1990 haast geen tenor te vinden die recht kon doen aan de muziek van Almaviva. Op bijna alle opnames is de laatste tenoraria ‘Cessa di più resistere’ geschrapt, omdat die als onzingbaar gold.

null Beeld Fadi Nadrous
Beeld Fadi Nadrous

Hoe moeilijk die aria van Almaviva wel niet is, blijkt maar weer eens op de cd van Rossini-specialist Javier Camarena. Die wijdde onlangs een origineel programma aan de grote García, maar zelfs de geweldige Mexicaan komt niet geheel vlekkeloos door de aria heen. Camarena is een van de recente toevoegingen aan een lijst superieure Rossini-tenoren, waarop ook Lawrence Brownlee en Michael Spyres staan. Zij treden vanavond samen op in het Concertgebouw met een spectaculair programma. Al deze tenoren hebben een ideale balans gevonden tussen die gespierde klank van Duprez en de lichte mix van kop- en borststem van García en diens tijdgenoten.

De wederopstanding van de Rossini-tenor lijkt compleet. Geen gekeelde kapoenen, maar heuse haantjes die kukelen als nooit tevoren.

Volop Rossini

Lawrence Brownlee en ­Michael Spyres zingen vanavond aria’s en duetten met het Residentie Orkest in het Concertgebouw. René Barbera is vanaf 10 november te zien als ­Almaviva in de nieuwe productie van ‘Il barbiere di Siviglia’ bij De Nationale Opera.
De Manuel García-cd van Javier Camarena verscheen vorige maand bij Decca.

Il tenore napolitano

De term tenore Napolitano is voor generaties verbonden geweest met Enrico Caruso, geboren in Napels en de beroemdste tenor rond de vorige eeuwwisseling. De term werd ook in de Amsterdamse Jordaan gebruikt voor Willy ­Alberti. Tenoren dus met het hart op de tong en een snik in de stem. De gloriedagen voor de Napelse tenor lagen echter een eeuw eerder, toen Rossini door het Teatro San Carlo in Napels geëngageerd werd. Van 1815 tot 1822 schreef Rossini daar negen opera’s. Van ‘Elisabetta, regina d’Inghilterra’ tot ‘Zelmira’ waren dat allemaal drama’s, er zat geen enkele komische opera tussen, het genre waar Rossini het meest om bekend staat.

In Napels had Rossini dankzij impresario Domenico Barbaja een zangersensemble tot zijn beschikking dat zijn weerga in de wereld niet kende. Naast de Spaanse sopraan Isabella Cobran (later mevrouw Rossini) zaten in dat ensemble diverse fantastische tenoren, waarvan Andrea Nozzari, ­Giovanni David en Manuel García de belangrijkste waren. Zo kan het voorkomen dat in ‘Armida’ zomaar een terzet voor drie tenoren voorkomt, en in ‘Ricciardo en Zoraide’ een kwartet voor drie tenoren en sopraan. Ook in de enorm populaire ‘Otello’ traden drie tenoren met elkaar in het vocale strijdperk. Die suprematie van de tenor in Napels is in latere tijden nooit meer geëvenaard. Overigens worden de negen Napelse opera’s in Nederland amper uitgevoerd. Nu de juiste tenoren er zijn, moet dat snel kunnen veranderen.

Lees ook:

Geen c te hoog

Rossini’s ‘Guillaume Tell’ kan pas naar behoren worden uitgevoerd als er een goede zanger voor de hondsmoeilijke rol van Arnold is gevonden.

Het vocale doodvonnis

Zongen operazangers vroeger beter? Je hoort het vaak, maar klopt het ook? Adolphe Nourrit en Cornélie Falcon creëerden in 1835 de hoofdrollen van Halévy’s ’La Juive’. Het liep vocaal slecht af met de supersterren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden