Review

De 'videobanden' van Verkijk te zwart-wit

De openingszin is gewaagd: ,,Dit boek bevat niets nieuws'', schrijft Dick Verkijk aan het begin van zijn 'pamflet', zoals de uitgever op de omslag liet zetten. Maar zich stilhouden? Dat wilde en kon hij niet langer, nu in zijn ogen de-Nederlanders-tijdens-de-bezetting door een nieuwe generatie historici 'als een stelletje bangebroekerige toekijkers' in de hoek worden gezet.

Al op de eerste bladzijden wordt duidelijk tegen wie Dick Verkijk, gewezen Oost-Europa-correspondent voor diverse media, zijn filippica richt. Nanda van der Zee (auteur van 'Om erger te voorkomen' uit 1998) en Chris van der Heijden, die bijna een jaar geleden 'Grijs verleden' schreef, hebben er in zijn ogen niets van begrepen. Vooral hun generalisering van de houding van Nederlanders tegenover de bezetter en de jodenvervolging (98 procent zou zich, vooral in de eerste bezettingsjaren, min of meer neutraal, berustend of zelfs onverschillig hebben opgesteld) wekt Verkijks woede op.

Al lezend bekruipt je al snel de gedachte dat de auteur, desgewenst in aangepaste vorm, wel zou willen terugkeren naar het 'goed/fout-schema', waardoor de (oorlogs-)geschiedschrijving in de eerste decennia na de bevrijding werd gekenmerkt, een versimpeling die ook dr.L.de Jong is verweten.

Dat schema is door het opengaan van nieuwe archiefcollecties en door baanbrekende publicaties van onder meer Hans Blom en Gerhard Hirsch feld de laatste jaren steeds meer verlaten. Het is opvallend dat deze en andere historici, wier oordeel door gedegen bronnenonderzoek wordt gesteund, door Verkijk worden ontzien.

Maar 'Die slappe Nederlanders...' blinkt niet uit door een afgewogen en genuanceerde schildering van gebeurtenissen, net zomin als de ook door anderen kritisch, ja zelfs afwijzend ontvangen boeken van Van der Zee en Van der Heijden. Verkijk diept uit zijn geheugen ervaringen en herinneringen aan de bezettingstijd op -,,Vrij veel gebeurtenissen zitten als een videoband in mijn hersenen''- en daar is niet veel op tegen. Iets anders is dat hij vervolgens die persoonlijke herinneringen als 'algemeen geldend' op de hele Nederlandse samenleving tijdens de oorlogprojecteert. Daarmee past hij, weliswaar in omkering, feitelijk de werkwijze toe die hij Van der Heijden c.s. juist verwijt. Geen weldenkend mens zal Verkijk diens herinneringen willen ontnemen, maar ze zijn wel strikt persoonlijk. Tegenover zijn reminiscenties staan soms volslagen tegengestelde verhalen van anderen. Waar bijvoorbeeld Verkijk zeker zegt te weten dat 'vanaf de eerste dag van de bezetting de gezindheid anti-Duits, anti-NSB, anti-nationaal-socialistisch (was)', daar toont zich een onverdacht getuige als de historicus George Puchinger in zijn postuum verschenen memoires verontwaardigd 'over zulk een mentaliteit (van onverschilligheid), die ik al spoedig in allerlei vorm tijdens de bezetting zou meemaken'. Wie heeft het hier nu bij het rechte eind? Of is dat de verkeerde vraag?

Zelf loopt Verkijk op tegen de rekbaarheid van het begrip 'verzet'. Onduidelijk blijft daarbij waarom het weigeren van Duitse medische hulp als een vorm van verzet moet worden gezien, terwijl het op voorhand weghalen uit de leeszaal van Duitsers mogelijk onwelgevallige boeken 'verstandige voorzorgsmaatregelen' zouden zijn. Je gaat dan haast als vanzelf vragen stellen bij andere beweringen. Was Johannes van Dam, de secretaris-generaal van het departement van opvoeding, wetenschap en cultuurbescherming, wel het NSB-lid waarvoor hij door Verkijk wordt gehouden? Bedankte het grootste deel van de leden om principiële redenen voor het RK-Werkliedenverbond toen de NSB'er Woudenberg aan het hoofd van de vakbeweging was komen te staan, of zal de doorslag hebben gegeven dat bij een niet-beëindigen van het lidmaatschap hun voortaan de sacramenten geweigerd zouden worden? En zou er, in de woorden van Verkijk, werkelijk een 'gebrek' aan onderduikvragers in plaats van een tekort aan onderduikgevers geweest zijn?

In 'Slachtoffers en overlevenden', het standaardwerk over de jodenvervolging in Nederland, kwam de Britse historicus Bob Moore na raadpleging van de bronnen een jaar of vijf geleden al tot de slotsom dat er in sommige streken en plaatsen simpelweg niet aan onderduikadressen te komen was: dikwijls uit angst voor verraad of eigen veiligheid, maar soms ook uit pure onverschilligheid. De stille helden, die uit geloofsovertuiging of omdat ze 'dit als goede Nederlanders behoorden te doen', vaak tientallen joden hielpen onderduiken, zijn bij Moore en diens vakbroeders de positieve uitzonderingen, maar bij Verkijk al snel de regel.

,,Voor wie zelf een schipbreuk heeft overleefd, zal het getal der verdronkenen altijd meer wezen dan enkel een getal.'' Het woord van Presser lijkt bij uitstek van toepassing op Verkijks boek dat, hoe oprecht zijn pleidooi ook mag zijn (en aan die oprechtheid behoeft niet te worden getwijfeld!), nauwelijks tot een constructieve discussie over de meest besproken periode uit de Nederlandse geschiedenis bijdraagt. Het lijkt er bovendien op, alsof de auteur 'bagatelliseren' en 'relativeren' regelmatig met elkaar verwart. En dat is jammer, óók omdat Verkijk indertijd met zijn 'Radio Hilversum 1940-1945' bewezen had, wél een evenwichtig en goed gedocumenteerd boek te kunnen schrijven. Dát staat, ruim een kwart eeuw na zijn verschijnen, nog steeds in mijn boekenkast. Ik denk niet dat 'Die slappe Nederlanders...' zo'n lang verblijf zal worden gegund.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden