Review

De vergeten ’inlandsche meubels’ van Nederlands-Indië

In Nederlands-Indië leefde ruim de helft van de Europese mannen met een inheemse concubine, die ook zo weer weggestuurd kon worden. Reggie Baay, kleinzoon van zo’n njai, gaf deze groep vrouwen een geschiedenis.

Allicht zal Reggie Baay gehoopt hebben dat hij op een spoor zat, toen hij tussen de spullen van zijn overleden vader een akte uit 1926 terugvond. Daarin las hij voor het eerst iets over het bestaan van zijn grootmoeder: ’de Inlandsche vrouw Moeinah, oud naar aanzien vijf en twintig jaren, zonder beroep, wonende te Solo-Djenkiloeng’.

Moeinah heette ze dus. Zelfs haar naam was altijd verzwegen in de familie. Ze was de concubine, de njai, van Baays grootvader geweest. In Nederlands-Indië waren altijd meer Europese mannen dan vrouwen. Omdat een huwelijk met een inheemse ook niet gepast was, namen veel mannen hun toevlucht tot een njai, een inheemse met wie ze samenleefden, maar die ze ook op ieder moment weer weg konden sturen. Daarbij kon de njai geen enkel recht doen gelden, ook niet over de voogdij over haar eigen kinderen.

Zoiets moet ook met Moeinah gebeurd zijn. Net na de geboorte van haar eerste kind, in 1919, werd ze weggestuurd, omdat haar ’man’ een Europese vrouw gevonden had. In 1926 werd ze nog een keer opgetrommeld om de erkenning van haar kind door de vader mogelijk te maken, vandaar dat document. Maar verder zwijgen de Indonesische archieven in alle talen over het lot van Moeinah.

Het illustreert de tragiek van de njais. Vrouwen die destijds vaak al wat werden weggemoffeld, en die als groep inmiddels helemaal in de nevelen van de geschiedenis verdwenen lijken te zijn. Gelukkig is er nu een boek waarin Reggie Baay dan niet de geschiedenis van zijn eigen oma heeft opgetekend, maar wel die van het concubinaat als instituut. Een vergeten geschiedenis; er zijn wel wat wetenschappelijke artikelen en zijdelingse alinea’s aan gewijd, maar meer ook niet.

Wellicht komt dat doordat het bepaald geen fraaie geschiedenis is. De pagina's van het boek wemelen van de afgedankte njais die hun kinderen niet meer mogen zien, van kinderen die juist niet door hun vader erkend worden, van vrouwen die met de inventaris van een huis mee verkocht werden, en die in het algemene spraakgebruik dus ook passende bijnamen kregen, die ons inmiddels walgelijk voorkomen: ’inventarisstuk’, of ’inlandsch meubel’.

Hoe wrang dat honderd jaar na dato allemaal ook moge klinken, nergens wordt Baay larmoyant of beschuldigend van toon. Zijn boek is vooral een gedegen historisch onderzoek, met prettige afstand, maar niet academisch, opgeschreven.

Hij gaat terug tot de begintijd van de VOC. Dat het concubinaat meteen al populair was, blijkt wel uit het feit dat al in 1624 in Batavia een tehuis werd opgericht voor verpauperde Euraziatische weeskinderen.

Destijds berustten verhoudingen tussen Europese mannen en inheemse vrouwen nog op slavernij. Het ’moderne’ concubinaat kreeg vorm na circa 1860. Toen werd de slavernij afgeschaft, en begon bovendien de intocht van Europese mannen in de kolonie pas goed. Vele tienduizenden waagden de oversteek.

De njai werd vanaf die tijd meestal als ’huidhoudster’ geworven. Waarbij ’nee zeggen’ lang niet altijd een optie was, zo maakt Baay duidelijk in een schrijnend hoofdstuk over de njais op de plantages in Deli. De slavernij was dan formeel afgeschaft, in de praktijk waren dwang en zelfs sadisme gebruikelijk in de verhouding tussen Europese mannen en inheemse vrouwen.

Vanuit Nederlands koloniaal perspectief bood het concubinaat veel voordelen: de njai hield de jongemannen weg van drank en prostitutie, en maakte ze wegwijs in de lokale taal en cultuur. Rond 1900 leefde meer dan de helft van de Europese mannen in de kolonie samen met een njai. Seksuele onthouding was geen optie: „Een jongmensch is nu eenmaal geen snijboon”, heette het.

Ook voor de njai had zo'n verbintenis voordelen. Het betekende vaak een ontsnapping aan de armoede. Daarbij waren de huwelijken in de inheemse samenleving natuurlijk ook geen toonbeeld van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw. Toch betaalde een njai vaak een hoge prijs. Ze leefde in constante vrees dat ze werd weggestuurd, waarbij ze haar kinderen kon kwijtraken. Als dat gebeurde, was het zeer de vraag of ze weer werd opgenomen in de inheemse samenleving.

De toekomst van haar kinderen was sowieso ongewis: halfbloeden kwamen vaak niet in aanmerking voor een hoge positie in het Nederlands bestuur, en in de inheemse samenleving werden ze evenmin geaccepteerd. Begin twintigste eeuw waren het er vele tienduizenden. Dat gefrustreerde ’leger van Indo-paupers’, met vaak een goede opleiding, maar zonder veel kans op een goede betrekking, bezorgde de autoriteiten toen kopzorgen. Sommigen van hen raakten betrokken bij de nationalistische beweging.

Daarnaast kwamen steeds meer Europese vrouwen in de kolonie. Het leidde tot een fatsoensoffensief, waardoor het voor mannen ongepaster werd met een inheemse vrouw samen te leven. Zo'n relatie kon slechts een ’dierlijk seksueele’ zijn omdat zij ’geen enkel punt van geestelijke aanraking biedt’, citeert Baay een criticus van het concubinaat.

Toch bleef het concubinaat tot de Japanse inval in 1942 bestaan. En het was niet altijd een ’dierlijk seksueele’ aangelegenheid. Baay sluit af met een paar citaten van Nederlanders die uiteindelijk met hun njai trouwden, en nog lang en gelukkig leefden, ondanks de afkeuring van de koloniale samenleving. Dat kon dus gelukkig ook nog, waardoor je dit verder cynisch stemmende boek toch met een glimlach weglegt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden