Review

De verdwenen schat van Quedlinburg

,,Zo kon het dan ook gebeuren, dat een ongelikte Texaanse cowboy oog in oog kwam te staan met relieken die duizend jaar tevoren in opdracht van de Ottoonse keizers waren vervaardigd. Wat dacht hij, toen hij al dat goud zag blinken? Misschien zei hij bij zichzelf: Holy shit, dit is nog eens wat anders dan spijkers en schroeven!''

Toen Henk van Os in 1970 het Italiaanse Siena bezocht, ontdekte hij een verzameling middeleeuwse relieken in een rommelkast. ,,Eerst zag ik alleen bezems en een stoffer en blik, maar tussen de flessen en de bussen stond een doos met spullen die in de veertiende en de vijftiende eeuw waren vereerd als de kostbaarste en heiligste voorwerpen in de stad.'' Zo radicaal, aldus Van Os, kan de reputatie van voorwerpen veranderen. Wat gisteren nog als goddelijk werd beschouwd, staat vandaag gestald bij de poetsdoeken en de schoonmaakmiddelen.

Relieken zijn stoffelijke resten van heiligen, bijvoorbeeld stukjes bot of overblijfselen van hun kleding, die worden bewaard in fraaie reliekhouders van de allerfijnste edelsmeedkunst. In het verleden werden relieken vereerd en gekoesterd. Middeleeuwers, godvruchtig als ze waren, ondernamen pelgrimstochten naar de reliek van een beschermheilige, om voorspoed of genezing van ziekte af te smeken. Op de sterfdag van een heilige werd zijn reliek door de straten gedragen, omstuwd door gelovigen die het voorwerp van hun verering zo dicht mogelijk wilden naderen. Aan relieken kleefde een sfeer van mystiek en ontzag. Totdat in de zestiende eeuw Maarten Luther de Reformatie ontketende. Daarmee brak een periode aan van beeldenstormen en burgeroorlogen. Woedende volksmassa's sloegen het interieur van kerken, kloosters en kapellen aan gruzelementen. Van de kostbaarheden die overbleven werd in later jaren het grootste deel geroofd. Beduidend minder dan één procent van alle middeleeuwse kerkschatten bleef voor verwoesting en plundering gespaard.

In de laatste helft van de twintigste eeuw raakten veel relieken in vergetelheid. Blijkbaar hadden ze hun oorspronkelijke betekenis verloren. Wat moesten moderne gelovigen beginnen met een vingerkootje van de heilige Aldegonde of een houtsplinter van het kruis van Jezus? De meesten haalden hun schouders erover op.

Dertig jaar na het voorval in Siena greep Henk van Os zijn kans om de verwaarloosde middeleeuwse relieken te rehabiliteren. Op de door hem ingerichte tentoonstelling 'De Weg naar de Hemel' worden ze in hun glorie hersteld. Terwijl ik de expositie bekeek, schoot mij de bizarre geschiedenis te binnen van de kerkschatten van Quedlinburg. De relieken van Quedlinburg werden, anders dan die van Siena, niet teruggevonden in een plaatselijke bezemkast. Ze dwaalden ver, onwaarschijnlijk ver van huis. Toen ze na vele jaren aan de andere kant van de wereld opdoken, moest er inspanning worden geleverd om ze voor het nageslacht te redden.

Het verhaal van de schat begint ergens in de tiende eeuw. Quedlinburg, in Saksen in oostelijk Duitsland, was destijds een centrum van cultuur en een oogappel van de Ottoonse keizers. De stad ontving rijke geschenken van de vorsten en hun families: geborduurde wandkleden, edelsmeedwerk en manuscripten, waaronder een handschrift uit de negende eeuw dat bekend staat als het Evangeliarium van Quedlinburg. Deze kostbaarheden werden bewaard in een speciaal voor dat doel ingerichte schatkamer in de romaanse Sint Servatiusbasiliek. Na de Reformatie slonk de schat. Een deel ervan viel ten prooi aan hebzucht en winstbejag. Een ander deel werd verkocht om onderhoud en herstel van het kerkgebouw te bekostigen. Maar telkens keerden de waardevolle stukken naar Quedlinburg terug. Kennelijk brachten ze hun onrechtmatige bezitters geen geluk. In 1811 versleepte Jér"me Bonaparte, broer van Napoleon en koning van Westfalen, de schat naar Kassel. Twee jaar later kwam zijn rijk ten val, waarna de buit belandde in het Pruisische Halberstadt. Ook het machtige Pruisen moest er afstand van doen. In 1821 vonden de relieken opnieuw hun weg naar de Sint Servatiusbasiliek.

Gedurende ruim een eeuw was de kerk in rust gedompeld. Maar in 1936 werd de stilte luidruchtig verstoord. In 1933 was Adolf Hitler aan de macht gekomen, stichter van een nieuw rijk en bezield hogepriester van een nieuwe religie, de religie van de Zuiverheid van het Bloed. De oude religies, waarvan hij weerstand vreesde, moesten worden vernietigd. Voor het jodendom gold dat in de meest letterlijke zin. Maar ook het katholicisme en het protestantisme dienden te verdwijnen. Volgens Hitlers plan zouden die worden ingelijfd in zijn Kerk van het Bloed. Om dit te bewerkstelligen verving hij christelijke feestdagen, symbolen en rituelen door heidense. In de plaats van het kruis, zinnebeeld van lijdzaamheid, introduceerde hij het strijdlustige hakenkruis. In de plaats van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest introduceerde hij de onscheidbare drieëenheid van staat, partij en volk. De eredienst moest wijken voor verheerlijking van de Fuhrer, die almachtiger heette dan God. En Mein Kampf, waarin zijn geboden werden geopenbaard, moest voortaan dienst doen als bijbel.

De nieuwe religie op oudgermaanse grondslag had dringend behoefte aan heilige martelaren. Aanvankelijk was de keuze van de Fuhrer gevallen op hertog Hendrik de Leeuw (1129-1195), die in de Dom van Braunschweig begraven ligt. Hendrik werd met terugwerkende kracht uitgeroepen tot edelgermaan bij uitstek en in die hoedanigheid aan SS-rekruten ten voorbeeld gesteld. Maar toen de nazi's het gebeente van de hertog blootlegden, bleek hij een dwerg te zijn geweest met een ernstig misvormde heup. Zo'n gedrocht kon onmogelijk model staan voor het superieure arische ras. Een geschikter kandidaat werd gevonden in koning Hendrik I (867-936), stichter van de stad Quedlinburg. De duizendste sterfdag van de koning, op 2 juli 1936, werd door SS-bevelhebber Himmler aangegrepen om in Quedlinburg een herdenkingsplechtigheid te houden, compleet met fakkeltochten, tromgeroffel, vlaggenparades en andere attracties waarmee de nationaal-socialisten hun feestjes gezellig maakten. Voortaan, zo besloot Himmler, zou Quedlinburg een van de bedevaartsoorden zijn van het Derde Rijk. Hij gaf dadelijk bevel tot verbouwing van de Sint Servatiusbasiliek, die een tempel moest worden van de SS. Bevond zich in de kerk een schat? Dat kwam goed uit. Van niets hield Himmler zo hartstochtelijk veel als van goud. Hij was dus de aangewezen persoon om meester van de schatkamer te zijn. Binnen de kortste keren droeg hij de sleutel op zak. Toen in september 1939 het Duitse leger Polen binnentrok, liet hij, om het zekere voor het onzekere te nemen, de kostbaarheden opbergen in een kluis. Nog later, in 1943, werden ze versleept naar een nabije grot, in de hoop dat ze daar ongeschonden de geallieerde bombardementen zouden doorstaan.

Voorjaar 1945. Berlijn was nog niet gevallen. Vanuit zijn bunker in het centrum van de stad voerde de Fuhrer nog steeds het bevel over het restant van zijn gehavende troepen. In de vroege ochtend van 25 april maakte bijna een half miljoen tot de tanden bewapende Sovjetsoldaten zich op voor het laatste offensief: de verovering van het hart van Berlijn. Quedlinburg was al door de geallieerden ingenomen en stond onder Amerikaans gezag. De kerkschatten lagen kalm te wachten op de Duitse capitulatie en hun terugkeer naar de basiliek. Eindelijk waren ze in veiligheid. Uitgerekend op dat moment verscheen Joe Meador in de grot.

Joe Meador was een redneck, een eenvoudige boerenkinkel uit Texas. Hij kwam uit Whitewright, een dorp met minder dan tweeduizend inwoners, niet ver van de grens met Oklahoma. Daar woonde hij bij zijn moeder, met wie hij een handel in ijzerwaren dreef. Als hij niet onder de wapens was geroepen, zou hij Whitewright en de ijzerwinkel nooit hebben verlaten, in welk geval hij nooit van zijn levensdagen voet in Quedlinburg zou hebben gezet. Maar dat zijn bedenkingen achteraf. De geschiedenis denkt niet, de geschiedenis neemt zijn loop. Zo kon het dan ook gebeuren, dat een ongelikte Texaanse cowboy oog in oog kwam te staan met relieken die duizend jaar tevoren in opdracht van de Ottoonse keizers waren vervaardigd. Wat dacht hij, toen hij al dat goud zag blinken? Misschien zei hij bij zichzelf: ,,Holy shit, dit is nog eens wat anders dan spijkers en schroeven!'' Hij moet in elk geval tot het inzicht zijn gekomen dat het leuke hebbedingetjes waren, want hij smokkelde ze uit de grot en hij stuurde ze naar huis. Het kristal, het borduurwerk, de vergulde manuscripten, de met robijnen en saffieren bezaaide crucifixen: hij maakte er handzame pakketjes van, die hij per militaire post in Texas liet bezorgen. Bij stukjes en beetjes werd de schat van Quedlinburg naar Whitewright overgeheveld. Na enige tijd schreef de moeder van Joe hem een verontruste brief. Haar woning, zo klaagde ze, raakte bevolkt met middeleeuwse spoken.

Tot het einde van de jaren zestig bleven de relieken in het huis achter de ijzerwinkel. Toen versleepte Joe de schat van Quedlinburg naar een appartement in Dallas. De volledige schat? Dat is onwaarschijnlijk. De opbrengst uit de winkel was geen vetpot. Om een kapitaal appartement te kunnen bekostigen, moet Joe een stuk of zelfs meerdere stukken van de schat van de hand hebben gedaan. Aan wie? Welke kunsthandelaar het ook geweest mag zijn, hij sloeg bij het zien van de buitengewoon kostbare voorwerpen geen alarm. Joe streek het geld op en kon ongestraft beginnen aan een dubbelleven. Op werkdagen verkocht hij moertjes, bouten en haken, maar in de weekends leidde hij het flamboyante bestaan van een man van de wereld. Dit hield hij vol tot 1980. In dat jaar stierf Joe Meador op ellendige wijze aan kanker. Hij liet zijn bezittingen aan zijn broer en zuster na. Aanvankelijk wisten die hun hebzucht te bedwingen. Maar naarmate ze vaker naar de schat staarden, raakten ze door de schittering van het goud verblind. Op den duur konden ze geen weerstand bieden aan de verleiding. Een paar jaar na de dood van Joe verkochten ze delen van de schat en lieten ze andere voorwerpen taxeren. Daarvoor moesten ze een beroep doen op vooraanstaande experts in de kunsthandel. Dat kon niet anders dan verkeerd aflopen.

In oktober 1988 wendde een Londens antiquariaat zich tot de Stiftung Preussischer Kulturbesitz in Berlijn. Of de stichting soms belangstelling had voor het Evangeliarium van Quedlinburg? De vraagprijs bedroeg negenmiljoen dollar. Over een zo opmerkelijk aanbod werd in kunstkringen natuurlijk opgewonden gefluisterd. Het bericht bereikte ook Willi Korte. Deze Duitse historicus, gespecialiseerd in het opsporen van vermiste en geroofde kunst, bevond zich toevallig in Washington om onderzoek te doen naar een andere zaak. Toen hij hoorde dat het evangeliarium te koop werd aangeboden, was zijn nieuwsgierigheid geprikkeld. Vaag stond hem bij, dat het Karolingische manuscript deel had uitgemaakt van de vermiste schat. Hoe zat het eigenlijk met die schat? Het fijne wist hij er niet van. Quedlinburg lag destijds in de DDR en dus in vijandelijk gebied, met het gevolg dat er in het westen nauwelijks bijzonderheden over de kwestie bekend waren. Maar hierdoor liet Korte zich niet afschrikken. Hij beet zich hardnekkig in de zaak vast en raakte almaar verder in de verdwijning van de schat verdiept. Hij kwam erachter dat het evangeliarium voor het eerst ter taxatie was aangeboden in New York. Betekende dit dat de dief in de Verenigde Staten woonde? Had hij de Amerikaanse nationaliteit? En was het mogelijk dat ook de overige stukken van de schat van Quedlinburg in zijn bezit waren? Op eigen initiatief, zonder een opdrachtgever en dus zonder financiële middelen, besloot Korte het mysterie op te lossen. Daarbij kreeg hij assistentie van Bill Honan, een journalist van de New York Times. Terwijl Honan informatie inwon bij kunsthandelaars en antiquairs, speurde Korte in militaire archieven. Welke Amerikaanse regimenten waren in april 1945 in Quedlinburg en omstreken gelegerd geweest? Welke soldaten hadden toegang gehad tot de schat?

In november 1989 viel de Berlijnse Muur. Willi Korte reisde naar Berlijn, waar hij gesprekken voerde met de autoriteiten. Nu de DDR had opgehouden te bestaan, zo zei hij, kon er eindelijk druk worden uitgeoefend op de kerkbestuurders in Quedlinburg. Hij had hun toestemming en hun geldelijke steun nodig om de jacht op de schat in volle hevigheid te kunnen openen. Maar zo simpel bleek dat niet te zijn. Het zou nog een halfjaar duren, eer Quedlinburg ontwaakte en het kerkbestuur zich de slaap uit de ogen wreef. Daarop wilde Korte niet wachten. Met Honan zette hij, toestemming of geen toestemming, het speurwerk voort. Toen in juni 1990 het bestuur van de Sint Servatiusbasiliek eindelijk de gewenste volmacht verstrekte, had het net rond de dief van de kerk-schatten zich al gesloten. In de New York Times werd zijn identiteit bekend gemaakt. Het ging om wijlen luitenant Joe Tom Meador, die in april 1945 met het 87ste bataljon in Quedlinburg gestationneerd was geweest.

Ook de schat zelf werd getraceerd. Die bleek zich te bevinden in een kluis van het bankgebouw tegenover de ijzerwinkel van de familie Meador. Op het nippertje kon worden voorkomen dat de broer en de zuster van Joe, die lucht van het onderzoek hadden gekregen, de voorwerpen naar Zwitserland lieten overbrengen. Om het evangeliarium niet in gevaar te brengen, kwam de Duitse regering met de Meadors overeen dat ze in ruil voor alle voorwerpen uit de kluis van Whitewright een 'vindersloon' van bijna driemiljoen dollar zouden ontvangen.

Werd daarmee de rekening vereffend? Nauwelijks. De kerk was gedupeerd. Een aantal onvervangbare stukken was aan particulieren verkocht en voor het publiek verloren gegaan. Maar er heerste vreugde over de voorwerpen die behouden waren gebleven. Daaronder bevonden zich wonderschone reliekhouders van kristal, verguld zilver en granaat. Volgens de overlevering bevatten enkele daarvan gedroogd bloed van Jezus of een haar van de Maagd Maria. In het voorjaar van 1991 keerden deze heilige relieken naar Quedlinburg terug. Hun lange krijgsgevangenschap was ten einde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden