Beeld Idris van Heffen

EssayGer Groot

De verbeelding zit bekneld tussen feit en fictie

Echt gebeurd? Verzonnen? Fictie en non-fictie lopen door elkaar. Ger Groot ziet hoe de verbeelding in het gedrang raakt.

Het lijkt een eenvoudige tegenstelling: in fictie maakt de fantasie van de schrijver de dienst uit en in non-fictie de werkelijkheid. Tot het eerste genre behoren de roman en de poëzie, althans sommige soorten daarvan; tot het tweede de geschiedschrijving en journalistiek. Er bestaan nog veel andere genres (wets­teksten, natuurwetenschappelijke verhandelingen, kookboekrecepten, telefoonboeken) die allemaal hun eigen waarheidspretentie hebben. Maar ter wille van de overzichtelijkheid beperk ik me hier tot de simpele tweedeling tussen tussen het echte en het verzonnene.

“In een plaatsje in La Mancha, waarvan de naam mij niet te binnen wil schieten, leefde niet zo lang geleden een edelman.” Wanneer je dit leest, weet je: dit is fictie.

Lees “Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu”, en je weet: dit is geschiedschrijving. Zelfs wanneer je daarin niet onmiddellijk de openingszinnen van ‘Don Quichot’ en ‘Herfsttij der Middeleeuwen’ herkent, maken subtiele stijlverschillen duidelijk welk genre de auteur beoefent.

Bij de eerste zie je dat aan het focus op een specifieke held, met wie de schrijver een directe band suggereert. Bij de tweede aan de distantie die ons, hoe levendig de beschrijving ook mag zijn, tegen het beschrevene aan laat kijken. We worden ofwel meegesleept in het verhaal dat de schrijver oproept, ofwel we observeren mét de schrijver van buitenaf een werkelijkheid die weerspiegeld wordt.

In een roman zit veel ‘echts’

Helaas liggen de zaken niet zo eenduidig. Dat de roman berust op de fantasie van de schrijver is maar zeer ten dele waar. Zelfs in de eerste zin van ‘Don Quichot’ zit al heel veel dat niet het product van verbeelding is. La Mancha bestaat, daar kan ik zelf van getuigen: talloze malen reisde ik erdoorheen. En sommige delen ervan zijn inderdaad bespikkeld met de windmolens die in het boek zo’n grote rol zullen spelen.

Ook wat een ‘edelman’ is hoeft Cervantes niet uit te leggen, al geeft hij er zijn eigen draai aan. Zoals hij van bijna niets in de roman hoeft toe te lichten wat het is of betekent. We kennen het allemaal uit de wereld waarin we zelf leven. Alleen wat dan nog overschiet (het plot en tot op zekere hoogte de personages) is vrucht van zijn verbeelding – maar die krijgen zoveel aandacht dat al het echte als een nauwelijks waargenomen decor naar achter schuift.

Bij Huizinga gaat het nu juist om dat decor. Om het algemene beeld van wie es eigentlich gewesen – zoals de Duitse historicus Leopold von Ranke ooit heeft gezegd. Maar ook hier worden we zelf deelgenoot gemaakt van het panorama. De wereld was ‘vijf eeuwen jonger’ – maar jonger dan wat? Dan wijzelf toch zeker. De daaropvolgende zin zegt dat zelfs uitdrukkelijk: “Tussen leed en vreugde, tussen rampen en geluk scheen de afstand groter dan voor ons.”

Ook Huizinga vertelt een verhaal, en ordent zijn plot volgens specifieke tegenstellingen: leed en vreugde, rampen en geluk. Zo maakt hij het chaotische bestand aan historische gegevens, teksten en figuren tot een begrijpelijk geheel. Ook daarbij speelt de verbeelding een fundamentele rol.

Ooit had hij in Brugge een tentoonstelling van oud-Nederlandse kunst bezocht en daarbij gemeend de Renaissancewerkelijkheid aan den lijve te ervaren. Vanuit die ‘historische sensatie’ schreef hij de ‘Herfsttij’. Zonder dat voorstellingsvermogen was het boek er niet gekomen.

Wat is echt, wat verzonnen?

De scheiding tussen fictie en non-fictie is dus allerminst scherp getrokken. Maar dat betekent nog niet dat ze één pot nat zijn. Of wat daarin verteld wordt ‘echt’ dan wel ‘verzonnen’ heet te zijn, is voor dat onderscheid maar één criterium. Minstens zo belangrijk is de vraag naar welke wetten het zich richt wanneer het, steeds op zijn eigen manier, ‘waarheid’ vertelt. Ook fictie pretendeert dat immers te doen. ‘Dichters liegen de waarheid’, zegt een gevleugeld woord van Bertus Aafjes.

In het ‘Eenmalig nawoord’ bij de nieuwe editie van ‘Bezonken rood’, schrijft ook Jeroen Brouwers: “Waarheid ligt niet in werkelijk gebeurde feiten en gebeurtenissen, maar in de weergave, het verhaal, het lied, het toneelstuk, de film, het schilderij en hoe het wordt verteld, vertolkt en zichtbaar gemaakt.”

Beeld Idris van Heffen

Brouwers ziet zich tot die uitleg gedwongen omdat ‘Bezonken rood’ na verschijning in 1981 door Rudy Kousbroek heftig onder vuur werd genomen. Het boek zou een zwaar overtrokken versie van de werkelijkheid hebben gegeven. Hard bewijs voor Brouwers’ onbetrouw­baar­heid zouden bepaalde feitelijke onjuistheden geweest zijn. Wachttorens zou het vrouwenkamp uit het boek, waarin Brouwers als peuter samen met zijn moeder was opgesloten, helemaal niet hebben gehad. De beschreven wreedheden zouden nooit hebben plaatsgevonden – althans niet dáár.

In zijn nawoord erkent Brouwers dat hij de werkelijkheid heeft verdicht, in de dubbele betekenis van het woord. Gebeurtenissen uit de Jappenkampen her en der werden door hem in dít kamp samengebracht om de realiteit ervan des te scherper te doen uitkomen. “De romanschrijver eigent zich toe wat hij gebruiken kan”, schrijft Brouwers – en daarin heeft hij gelijk, zolang hij als schrijver garant kan staan voor de waarheid die daaruit opduikt.

Dat veronderstelt wel dat je het boek leest als een roman, met de waarheidscriteria die daaraan eigen zijn. “Mij stond een roman voor ogen, niet een wetenschappelijk historisch werk”, schrijft Brouwers. Maar daar beginnen wel de moeilijkheden. Want het boek presenteert zich niet als een roman. Het is eerder geschreven als een persoonlijk herinnerings- of bekentenisgeschrift. Brouwers laat weinig na om dat werkelijkheidseffect kracht bij te zetten. Talloze feitelijke details (tot aan de inhoud van het tv-journaal op een bepaalde dag) versterken die pretentie van echtheid. Het is, schrijft hij nadrukkelijk, ‘door mij gezien’.

Brouwers vermengt de genres

Zo worden in ‘Bezonken rood’ twee literaire genres vermengd: historisch verslag en romaneske verdichting. Maar daarmee wordt ook het criterium van de waarheid onduidelijk. Wie het boek als geschiedschrijving leest, stuit op details die niet kloppen. Wie het leest als roman zou, aldus Brouwers zelf, licht kunnen denken dat hij álles maar verzonnen heeft. Daarom schreef hij uiteindelijk een hybride, die ‘echtheid’ claimt maar vrijelijk gebruik maakt van de verdichting die de auteur zichzelf als ­romanschrijver mag toestaan.

Het omgekeerde kan ook. Dat gebeurt in het boek ‘Hannelore’ van Frank Krake, dat drie weken geleden in deze krant kritisch besproken werd. Hoofdpersoon Hannelore bestaat echt, zoals ook wat zij heeft meegemaakt echt gebeurd is. Het boek bevat talloze foto’s van haar jeugd in de sekte waaruit ze zich met moeite bevrijdde. Het bevat een uitgebreide verantwoording van literatuur en de gesprekken die de schrijver met getuigen heeft gevoerd. Zelfs de hulpdiensten voor mensen die iets dergelijks overkomen is staan vermeld.

Maar terwijl Brouwers een roman zegt te hebben geschreven in de vorm van een herinnerd levensverhaal, schrijft Krake een biografie in de vorm van een roman. “Het was half acht geweest en nog altijd zaten de meeste kinderen muisstil op hun stoel”: zo’n zin, willekeurig geplukt te midden van vele andere, zul je in een geschiedenisboek of journalistieke reportage niet snel vinden.

De Trouw-recensente had weinig fiducie in zoveel verbeelding. Krake “schijnt [precies] te weten wat iedereen zoveel jaar geleden heeft gezegd, gedacht en gevoeld, zelfs bij de boevigste mensen die hij nooit gesproken zal hebben.”

Fictie in non-fictie

Krake’s uitvoerige bronvermelding suggereert inderdaad dat vrijwel alles wat hij vertelt te verantwoorden is. Alsof hij zich in de gebeurtenissen net zo levendig heeft weten verplaatsen als Huizinga zich in zijn ‘historische sensatie’ naar de Renaissance had gedaan. Misschien moeten we daarbij ons ongeloof even opschorten, zoals de Engelse dichter Coleridge ooit de romanlezer aanried. En juist door in zijn boek de stijl van de roman te hanteren trekt Krake de lezer sterker zijn verhaal binnen dan een ‘droog’ historisch of journalistiek verslag gedaan zou hebben.

Het is wel de vraag of daarmee veel gewonnen is. Want wat zich qua vorm en stijl presenteert als een roman wordt, minstens in belangrijke mate, ook gelezen als een roman. Tegenover de emotionele betrokkenheid van de lezer staat de prijs van de ongewisheid van het feit, dat hoe dan ook door de fictionele vorm van het verhaal wordt aangetast. Het staat de schrijver vrij daarin zijn eigen keuze te maken, maar aan de consequenties daarvan ontkomt hij niet.

Dat geldt ook voor schrijvers die zichzelf – omgekeerd – uitdrukkelijk als romancier presenteren, maar wel uitdrukkelijk laten weten zich op ‘ware gebeurtenissen’ te hebben gebaseerd. Qua verkoopcijfers hebben zij ontegenzeglijk meer dan één streepje voor, want dit soort romans gaat erin als koek bij een lezerspubliek dat vóór alles echtheid wil. Dat dichters – en fictieschrijvers in het algemeen – de waarheid kunnen liegen wil er bij hen kennelijk niet meer zo in.

Echte mensen in romans

Terwijl de roman het ooit moest hebben van de virtuositeit van de verbeelding, ontleent die zijn geloofwaardigheid nu dus aan het feit helemaal níet verbeeld te zijn. Dat zoiets tot een explosief mengsel kan leiden, laat zich raden. Al van oudsher gebruiken schrijvers echte men­sen als modellen voor hun romanpersonages, maar problematisch wordt dat pas bij romans die zich uitdrukkelijk op ‘ware gebeurtenissen’ beroepen. Want wát is dan nog werkelijkheid, en wat is fantasie?

Vooral in de Verenigde Staten, maar ook in het Nederlands taalgebied, is de rechter daar inmiddels aan te pas gekomen. Personen die zich iets té ongemakkelijk herkenden in personages van iets té realistische romans, hebben genoegdoening geëist – en soms gekregen. Het schrijversargument dat de verbeelding vrij is, weet de rechter niet zo gemakkelijk meer te overtuigen. Twintig jaar geleden al werd de Vlaamse schrijver Herman Brusselmans veroordeeld wegens belediging van een met name genoemde modeontwerpster. Dat hij dat in een roman deed was volgens de rechtbank geen excuus.

Verwonderlijk is het dan ook niet dat fantasie minder naar waarde wordt geschat naar ma­te fictionele literatuur zich steeds meer naar het criterium van ‘echtheid’ richt. Maar welke echtheid? Zolang feit en fictie in het als-een-roman-vertelde verhaal onontwarbaar verweven zijn, blijft die een wankele zaak. Wat nog geen probleem was zolang dichters de waarheid mochten liegen, wordt onoverkomelijk wanneer schrijvers zich gaan gedragen als verkapte journalisten, of historici hun feiten omzwachtelen in verbeelding.

Zo kwam het criterium van ‘echtheid’ tenslotte bij die schrijvers zelf te liggen. Of een roman waar en waarachtig is, valt volgens de meest recente ontwikkelingen in letterenland niet meer aan dat boek zelf af te lezen. De toetssteen ligt nu bij de schrijver zelf, die met zijn identiteit garant moet staan voor de waarheid van het boek.

Identiteitspolitiek in de letteren

Wat in de VS ‘identiteitspolitiek’ is gaan heten, plaatst een soort ethisch is-gelijkteken tussen de schrijver en datgene wat hij in zijn boek vertelt. Gaat de roman over illegale immigranten, dan mag die alleen door een illegale immigrant geschreven zijn om authentiek te mogen heten. De Amerikaanse Jeanine Cummins, die dat als niet-immigrante in haar roman ‘American Dirt’ toch waagde te doen, heeft het geweten. ‘Racisme’ was een van de mildere verwijten die zij om de oren kreeg.

Zo dreigt de imaginatie het in de literatuur af te leggen tegen de werkelijkheid, de fictie tegen het feit. Je zou ook kunnen zeggen: de vrijheid van de schrijver wordt opgesloten in de status quo van zijn persoon – die kennelijk niet alleen niet liegen mág maar zelfs niet kán. Hij valt samen met wie en wat hij is, en geen fantasie is nog in staat daar bovenuit te stijgen. Als alles ‘echt’ en ‘waar’ moet zijn, verdwijnt de poëtische verbeeldingskracht die de werkelijkheid groter maakt dan zij is en de schrijver vérder doet zien dan zijn eigen standplaats. 

Beeld Idris van Heffen

De waarheid ligt niet in de feiten

In het nieuwe nawoord van de 50ste druk van zijn roman ’Bezonken rood’ gaat Jeroen Brouwers in op de felle kritiek die Rudy Kousbroek (‘K’) erop had. Een fragment.

Het alleràllerverschrikkelijkste aan onderhavig boek, kankerde K, was wel dat ik me niet aan historische feiten zou hebben gehouden, ze zou hebben verdraaid of overdreven en dat ik zelfs zogenaamde feiten uit mijn duim had gezogen. Er stonden in het door mij beschreven Jappenkamp Tjideng geen wachttorens en van de door mij opgesomde wreedheden door Japanse kampbewaarders betoogde hij: ‘Dergelijke wandaden hebben de Japanners nooit bedreven’, en bleef hij betogen tegen weerleggingen, aangeleverde documenten en bewijzen in.

K lanceerde de term ‘Het Oostindisch kampsyndroom’, waarmee hij een kwaal beschreef van ex-geïnterneerden in Japanse kampen in voormalig Indië en elders, bestaande uit ‘de on­wil om na te gaan hoe het werkelijk geweest is en liever vast te houden aan een onwaarachtige voorstelling van zaken, aan een mythe’. De on­wil om liever vast te houden aan een mythe?

Uitgaande van de mij toegeschreven Oost­indische ziekte meende K te kunnen concluderen ‘dat Brouwers niets heeft nageslagen, niets heeft geverifieerd, geen boek heeft ingekeken, geen foto heeft bestudeerd’. Dat had ik wel, zij het voor ‘Bezonken rood’ niet al te uitputtend diepgaand, mij stond een roman voor ogen, niet een wetenschappelijk historisch werk. La- ter heb ik in een afgeleid verband K in geschrif- te om de oren gemept met mijn kennis en belezenheid, mijn verificaties en bestudeerdheid inzake Japanse oorlogsagressie in Azië. Alle door K ontkende wanda­den alsook nog meer en andere dan ik in ‘Bezonken rood’ heb gereleveerd hebben de Japanners bedreven, het is door getuigen, onder­zoekers en historici bevestigd.

In eerste instantie ontleende ik de stof voor mijn roman aan wat mijn moeder, mijn beide ouders, oudere broers, verdere familie en hun vrienden en kennissen zich herinnerden van hun verblijf in verschillende Japanse kampen.

Het mag mij als vergissing worden aangerekend dat ik het Jappenkampgedeelte van ‘Bezonken rood’ heb gesitueerd in een interne- ringskamp dat werkelijk heeft bestaan op Java; het vrouwenkamp Tjideng in een buitenwijk van Batavia. In dit kamp heb ik mijn kleuterpeuterjaren doorgebracht met mijn moeder, oudere zusje en oma, de moeder van mijn moeder, die er is overleden, zoals in ‘Bezonken rood’ is beschreven. Ik heb aan deze kamptijd wel degelijk nog herinneringen, intussen zijn het die van een bejaarde aan het vroegste begin van zijn leven, het zijn herinneringen van een kind in een gevangenenkamp waar het argeloos heeft rondgelopen. ‘Ik was er wel bij, maar heb het niet meegemaakt.’ Ik moet het allemaal hebben gezien, maar zoals een kind de dingen ziet.

Vanuit dit kinderperspectief zijn de in ‘Bezonken rood’ opgeroepen gebeurtenissen vergroot, verhevigd weergegeven. K nam mij vooral kwalijk dat ik zou hebben ‘gelogen’: ‘Lieve mensen, het is niet wáár’, het heeft zich niet allemaal in Tjideng voorgedaan, het doet de werkelijkheid geweld aan, ziedaar het Oostindisch kampsyndroom, dat neerkomt op mythologisering.

Ik houd vol, met een overvloed van bewijsmateriaal aan mijn beide zijden, dat alle in ‘Bezonken rood’ beschreven Japanse schurkerijen en nog meer en andere wèl waar zijn geweest en ik allerminst heb voortgeweven aan een my­the, alleen is inderdaad niet waar dat ze allemaal in Tjideng hebben plaatsgevonden, er zijn er die in andere Jappenkampen zijn gebeurd, de romanschrijver eigent zich toe wat hij gebruiken kan.

Ik zou, volgens sommigen, beter een Jap­pen kamp met een verzonnen naam hebben moeten opvoeren, wat ik geen tel heb overwogen. Waarom me het risico aanhalen dat zou kunnen worden gedacht dat mijn hele relaas zou zijn verzonnen, inclusief de erin voorkomende personen, onder wie gezinsleden en zelfs inclusief mijzelf en mijn verdere levensloop: ‘Bezonken rood’ is een in grote trekken autobio­grafische roman, waarin hier en daar een decorstuk is toegevoegd of verplaatst, een kleur wat extra is aangezet, een tafereel als in een film aanschouwelijk is gemaakt, alles zoals het in een roman geoorloofd, soms noodzakelijk is.

Waarheid ligt niet in werkelijk gebeurde feiten en gebeurtenissen, maar in de weergave, het verhaal, het lied, het toneelstuk, de film, het schilderij en hoe het wordt verteld, vertolkt en zichtbaar gemaakt.

Jeroen Brouwers
Bezonken rood
Jubileum editie eenmalig nawoord
Atlas Contact; € 49,99. Deze 50ste druk verschijnt op 30 april. 

Lees ook

Marijke Laurense recenseerde ‘Hannelore’ van Frank Krake. Zij vond dat hij zich te veel vrijheid permitteerde in het beschrijven van de werkelijkheid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden