De verbeelding aan de macht

De retrospectieve van de surrealisten in het Belgische Mons is overweldigend, letterlijk.

Anders dan in Nederland is het surrealisme in België in korte tijd uitgegroeid tot een brede beweging waarvan vele tientallen schilders, maar ook schrijvers en componisten deelgenoot waren. Tegenover een schamel kwartet Nederlandse schilders (waar het surrealisme slechts namen als Kor Postma, Jopie Moesman en de schilderende tweeling Lodewijk Karel en Karel Lodewijk Bruckmann heeft opgeleverd) werd in België René Magritte als een godheid beschouwd die mede door een onafzienbare rij navolgers tot ver na de Tweede Wereldoorlog het aanzien van de Belgische figuratieve kunst heeft bepaald. Van België, beter gezegd de Zuidelijke Nederlanden, kun je dan zeggen dat hier vanaf de late Middeleeuwen met zijn visionaire schilders als Bosch, Brueghel en Bouts de verbeelding bij voortduring aan de macht is geweest.

Het is een conclusie die de Belgen ook zich zelf op gezette tijden voor ogen willen houden. Al in de jaren zeventig werden de eerste overzichten van de ontwikkelingen in de fantastische schilderkunst georganiseerd. Dat waren veelomvattende retrospectieves waarin steevast René Magritte als centrale spil werd aangeduid. Terecht, want zijn uitstraling is nog altijd massief. Wat dat betreft biedt het niet altijd complete overzicht in het vernieuwde BAM in Mons geen verrassende insteek. Wel wordt hier een stukje kunstgeschiedenis herschreven waarin alle aandacht uitgaat naar de ontwikkelingen die zich in de diverse groepen afspeelden. Het is niet toevalligerwijs dat het organiserende museum zich in Henegouwen bevindt. Op de tentoonstelling valt de nadruk in het historische deel wel heel opvallend op de groep schilders die vanuit deze provincie het land bestookte met hun surrealistische theorieën. Het surrealisme, waar dan ook ontstaan (maar het meest nog met het manifest van André Breton in Parijs) heeft voor wat België betreft naast een Brusselse tak ook een Henegouwse stam. Zo was er in Brussel al in de jaren twintig sprake van een groep rond Magritte die samenwerkte met Breton en een min of meer concurrerende beweging, Rupture genaamd, onder leiding van de dichters Achille Chavee en Fernand Dumont die vanuit la Louvière werkten.

Beide groeperingen werden in de jaren dertig als het ware samengesmolten wat tot de eerste ’Surrealistische tentoonstelling’ van 1935 leidde. Magritte werd hier gepresenteerd samen met Edouard-Léon-Théodore Mesens (met wie hij had samengewerkt in het tijdschrift Oesophage dat verder bijdragen bevatten van roemruchte kunstenaars als Tristan Tzara, Hans Arp en Max Ernst) maar ook met Max Servais. De nieuwe groep zou trouwens een reeks van tijdschriften baren – surrealisten zijn het woord altijd trouw geweest, vandaar ook hun anekdotische schilderwijze – die meer dan driekwart eeuw later nog steeds het bestuderen waard zijn. Tijdschriften en andere gedrukte en geschreven documenten zijn op de expositie in het BAM in zulke groten getale neergelegd dat hun hoeveelheid die van het aantal schilderijen en tekeningen zwaar overtreft. De bezoeker raakt dan ook al spoedig het spoor in dit historische verhaal kwijt, temeer doordat de schilderijen niet echt als bakens in de tijd dienen.

Een vervelende tekortkoming aan deze wijze van presenteren is ook dat er nergens een definitie van het begrip surrealisme wordt gegeven. Wordt in Nederland de grens tussen surrealisme en magisch realisme vrij scherp getrokken (waardoor Willink, Schumacher, Koch maar ook de Belgische Nederlander Hynckes altijd tot de magisch-realisten worden gerekend), in de Belgische schilderkunst wordt vaak een uitgebreid grensoverschrijdend karakter gehanteerd. Dat leidt ertoe dat een schilder als Paul Delvaux die zichzelf niet echt als lid van de beweging beschouwde, op een halfslachtige wijze wordt neergezet. En dat in weerwil van het feit dat zijn verbeelde dromen, die vaak een visionair gehalte hadden, toch binnen een hoogst surreëel kader vielen. Delvaux boft nog als je ziet dat er enkele werken van hem in Mons worden getoond, maar een schilder als Félix Labisse moet het bijvoorbeeld bezuren. Labisse was weliswaar Fransman, maar zijn jonge schildersjaren bracht hij door in Oostende waar hij sterk onder invloed stond van James Ensor, die toch echt als een van de ’voorvaders’ van het Belgische surrealisme moet worden gezien. Zo heeft dit onderzoek wel meer wenkbrauw fronsende trekjes die het wetenschappelijke aanzien aantasten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden