Review

De tijd gaat niet voorbij, wíj gaan voorbij

In het verhaal 'Duizend jaar bij God' van de Zweedse schizofrene schrijver Stig Dagerman (1923-1954) wordt Newton in 1727 bezocht door God. In het gesprek dat zich tussen die twee ontspint, zegt Newton dat de tijd een geweldige vergissing is geweest. Volgens hem had God slechts één dag moeten gebruiken voor de schepping in plaats van zes dagen. Dan was ons de verschrikkelijke machine die tijd is, bespaard gebleven. ,,Tijd is een valse maatstaf voor het leven, want hij bereikt slechts de buitenkant van het leven. De wezenlijke dingen die een mens overkomen, zoals de ontmoeting met een geliefde medemens, spelen zich geheel en al buiten de tijd af.'

De tijd bestaat natuurlijk net zomin als de ziekte schizofrenie waar Dagerman aan leed. Het hele idee van de tijd huist niettemin in de hoofden van mensen en schizofrenie blijkt gewoon een hersenspinsel van de Zwitserse psychiater Bleuler. De vraag of de tijd het gevolg is van Gods schepping óf bedacht is door mensen, die de ritmische afwisseling van licht en donker in de gaten kregen, doet er minder toe dan het feit is dat de tijd wel degelijk wérkt. Niet alleen in je voordeel of nadeel, maar als realiteit.

De tijd heeft een regelende functie in de communicatie. Dat lezen we al in Genesis 1, waar God lichten aan het uitspansel tot aanzijn roept om scheiding te maken tussen de dag en de nacht en dat zij dienen tot tekenen van afgesproken tijden en van dagen en jaren. Je snapt meteen het nut van de tijd. Zo kun je tenminste afspreken wanneer je elkaar wilt ontmoeten.

Het thema van de Wetenschap & Techniek Week 1999 - 'Tijd. Van even tot eindeloos' - inspireerde de NRC-columniste en historica Ileen Montijn tot het schrijven van een essay over de tijd. Daarin behandelt Montijn op een onbekommerd keuvelende manier niet alleen de tijd zelf, maar veeleer de omgang van de mens met de tijd, wat niet zelden ontaardt in een strijd met de tijd.

Nu is nadenken en schrijven over cultuur deze schrijfster zeker toevertrouwd. Nog vorig jaar publiceerde zij 'Leven op stand', een boek over het huiselijke leven van de Nederlandse bovenlaag tussen 1890 en 1940. Overdenking van de tijd is echter een heel ander chapiter, waarschuwde Augustinus al: ,,Als niemand mij vraagt wat tijd is, weet ik het; als ik het wil uitleggen aan iemand die het wél vraagt, weet ik het niet.' Grappig genoeg koos Montijn als structuur van haar essay de zeven canonieke uren waarop in de benedictijnse kloosters de koorgebeden werden gezongen, van de hora matina, 's morgens vroeg, tot het completorium, 's avonds laat.

Met zwaargewichten als Stephen Hawking, Douwe Draaisma, Norbert Elias, J. Goudsblom, W.A. Wagenaar en Midas Dekkers in haar monnikspij bestijgt Montijn die machtige Toren van de Tijd. Dat levert helaas een nogal kabbelend betoog op zonder al te veel urgentie, wat nauwelijks goed gemaakt wordt door de talloze op zichzelf wel aardige citaten, zoals van Igor Stravinsky: ,,Het fenomeen muziek is ons enkel gegeven om een orde aan te brengen in zaken, speciaal in de relatie tussen mens en tijd'.

Het probleem is alleen dat de schrijfster te weinig met die citaten doet. Over het belangrijke onderscheid tussen de tijd als volgorde en de tijd als duur (tussen de gemeten tijd en de geleefde tijd) en over de tijdsniveaus van J. T. Fraser, de geestelijk vader van de 'International Study of Time' lezen we niets. Dat de tijd korter lijkt te worden bij het ouder worden, wordt evenmin bevredigend verklaard.

Gelukkig bevat 'Over de tijd' genoeg prikkelende inzichten, zoals hoe men in de loop van de geschiedenis baas werd van de eigen tijd. Toen de dorpsklok terrein verloor aan de pendule op de schoorsteenmantel en de wekker thuis en nog later vervangen werd door het eigen 'klokje', het horloge, betekende dit de overgang van de Fremdzwang naar de Selbstzwang. Je werd niet langer gewekt door een kracht van buiten, maar door je eigen innerlijke stem van het geweten. De tijd blijkt dus helemaal niet de dwingeland te zijn waarvoor wij hem zo vaak houden: wij zijn het zelf.

Ook de letterlijke draagwijdte van wachten als tijdrovend blijft me voortaan bij, dit wachten klinkt alsof je bestolen wordt.

Soms versterkt wachten juist de kick, schrijft Montijn, bijvoorbeeld als je uren moet wachten voor de Reuzenpython in de Efteling. Verveling noemt zij onvrijwillig tijdverlies, 'net als incontinentie'. Verveling is geen erkende emotie zoals ontroering. Maar natuurlijk wel knap vervelend. Het is tijd zonder invulling. Verveling is de leegte van de langgerekte geeuw, die je aantreft in 'Wachten op Godot' van Samuel Beckett.

De diepste tijd is het levensritme, de basso continuo van de harteklop. Op een dag houdt die op. Eerder, als je 25 jaar getrouwd bent of 50 wordt, twijfel je niet langer aan de tijd. Steeds vaker bekruipt het gevoel je dat de tijd voorbijraast, omdat je gevoelsbeleving minder intens is dan in je kinderjaren. Het is precies wat Psalm 90:10 zegt: ,,Want het gaat snel voorbij, en wij vliegen heen.' De tijd gaat dus niet voorbij, wij gaan voorbij. De tijd blijft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden