Review

De shell shock wilde niet meer weggaan

Twintig jaar hartstochtelijke retoriek over de behandeling van slachtoffers van een trauma heeft weinig goeds opgeleverd, betoogt de Britse historicus Ben Shephard in 'A War of Nerves'. Met de toevoeging van de diagnose posttraumatische stress stoornis (PTSS) aan het Amerikaanse classificatiesysteem in 1980 kwam erkenning voor het leed van de Vietnam-veteranen. In de jaren negentig bleek het met veel oudgedienden daarna helemaal niet beter te gaan. Net als na de Eerste Wereldoorlog had de psychiatrie het ontstaan van talloze gevallen van chronische oorlogsneurosen juist bevórderd.

De geschiedenis van de militaire psychiatrie werd niet eerder zo kritisch en prikkelend opgedist als in het terecht alom bewierookte boek van Shephard. Daarbij vergeleken steken de boeken van de Nederlandse historici Hans Binneveld ('Om de geest van Jan Soldaat', 1995) en Leo van Bergen ('Zacht en eervol', 1999) nogal pover af.

Shephards boek is erg Brits: een tikje cynisch (bijvoorbeeld over de naïeve gretigheid waarmee de Amerikanen zich op PTSS hebben gestort), maar vooral waanzinnig goed geschreven en briljant gecomponeerd.

Voordat de term PTSS de paraplu werd voor aandoeningen ontstaan na de meest diverse rampen die een mens kunnen overkomen (incest, holocaust, vuurwerkramp, auto-ongeval), werd de diagnose 'traumatische neurose' gebruikt. Voorbeelden van de aandoening zijn al in teksten uit de Oudheid -in het Gilgamesj-epos en bij Herodotus- te vinden. Herodotus vermeldt een geval van blindheid door hevige schrik tijdens een veldslag.

Ruth Leys dateert het begin van PTSS in het hieronder besproken boek in 1866, toen de Britse arts John Erichsen de 'spoorwegrug' en het 'spoorwegbrein' ontdekte bij mensen die betrokken waren geweest bij een spoorwegongeluk. Zowel Erichsen als de Berlijnse neuroloog Paul Oppenheim meende dat de aandoening werd veroorzaakt door beschadigingen van het zenuwstelsel. Volgens Oppenheim waren die zo minuscuul dat je die door de microscoop niet eens kon zien. Zoals later bleek bij de shell shock van de Eerste Wereldoorlog, waren psychologische oorzaken minstens zo belangrijk, zo niet het belangrijkst.

Pure oorlogsneurosen waren al vóór de Eerste Wereldoorlog beschreven. Dat blijkt uit de stukken van een Duits medisch congres in 1907. Daar kwamen de zenuwstoornissen ter sprake die Russische officieren hadden opgelopen in de oorlog tussen Rusland en Japan van 1905, schrijft Shephard. Toch ontbrak het onderwerp op de agenda van de sectie militaire geneeskunde tijdens het zeventiende internationale medische congres in 1913 in Londen, aan de vooravond van de Grote Oorlog.

In de winter van 1914-1915 raakten de ziekenhuizen en ongevallenposten van het Britse leger in Frankrijk overspoeld met soldaten die niet gewond waren, maar niet konden zien, ruiken of proeven. Sommigen konden niet eens meer staan, spreken, urineren of defaeceren. Anderen waren hun geheugen kwijt of moesten onophoudelijk braken. Velen waren bevangen door de beef.

Een twintigjarige loopgraafsoldaat, in vijandelijk prikkeldraad gevangen, hoorde vóór en achter zich een granaat ontploffen. De man huilde en trilde, was bang blind te worden, waarop ze hem naar een hulppost voor gewonden brachten. Vijf dagen later arriveerde hij in het basisziekenhuis in le Touquet, waar de in Cambridge opgeleide psycholoog Myers werkte. Tien dagen later mocht hij naar Engeland terug.

De onbekende soldaat was één van de drie door Myers gedocumenteerde gevallen van shell shock -een stoornis die anders dan je zou verwachten juist niet veroorzaakt werd door granaatscherven.

De charme van Shephard is dat hij zijn hoofdrolspelers in een paar regels tot leven weet te wekken. Bovendien toont hij zich een meester in het beschrijven van tragische tegenstellingen, zoals die tussen de muzikale psycholoog Charles Myers, van joodse komaf, en de neuroloog Gordon Holmes, afkomstig uit Ierland. Het duo staat model voor de eeuwige strijd in de psychiatrie tussen de psychologische en de meer biologische benadering, de zachte en harde aanpak.

Het is deze rode draad die 'A War of Nerves' zo herkenbaar en actueel maakt: de zielkundige die achter de oorzaken wil komen, bijvoorbeeld via hypnose, in de slag met de arts die de symptomen zo snel mogelijk weg wil hebben, desnoods met barbaarse methoden zoals behandeling met stroom.

Medio 1916 had Myers al meer dan tweeduizend patiënten met shell shock gezien. Vlak na de grootste massaslachting, in de strijd bij Verdun op 1 juli 1916, lukte het Myers om vlak achter het front centra op te zetten voor shell shock-patiënten. Hij kreeg een hoge rang als legerpsycholoog. Maar op 4 december 1916 verbood de generale staf hem in een medisch tijdschrift over shell shock te publiceren. Nog geen maand later werd Myers overgeplaatst naar het zuidelijk deel van het front in Frankrijk. Zijn verzet was tevergeefs. Hij, de psycholoog, werd prompt 'bevorderd' tot 'neuroloog'. En in het noorden werd hij opgevolgd door Holmes, wél een echte neuroloog, die geen geduld had voor psychische problemen en meer geïnteresseerd was in hersenbeschadigingen.

Het vele dat 'A War of Nerves' biedt, laat zich hier slechts kort aanstippen. Maar een enkel woord over het laatste hoofdstuk, over de opkomst van de traumacultuur, mag niet ontbreken. Het leest als balans en uitsmijter: terecht bespeurt Shephard in de jaren tachtig een opleving van het trauma, dat met de diagnose PTSS in de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (1980) voor het eerst wetenschappelijke status kreeg. In die tijd volgde de ene ramp op de andere: de brand in het voetbalstadion in Bradford (1985), de ramp met de ferry in Zeebrugge (1987) en Lockerbie (1988). Er kwam een hele trauma-industrie op gang: overlevenden van rampen wilden graag op tv vertellen 'hoe ze zich voelden'. Trauma werd handel, 'de goedkoopste vorm van entertainment'.

Ondertussen bleek uit biologisch onderzoek dat er bij patiënten met PTSS een verhoogde activiteit was van de amandelkern in de hersenen en dat stresshormonen belangrijk waren bij herinneringen aan ingrijpende ervaringen.

Wrang genoeg bleek tegelijkertijd het gespit in de ziel van patiënten met PTSS averechts te werken. Daarom verklaarde de beroemde Amerikaanse traumatoloog Bessel van der Kolk tijdens een workshop in Londen in 1999 dat men beter nieuwe fijne ervaringen kan opzoeken dan alsmaar te praten over het acute trauma. Hij klonk als 'een Victoriaanse psychiater die zijn patiënten op een lange zeereis stuurde', aldus Shephard.

De geschiedenis van de militaire psychiatrie leert dat men lessen uit het verleden volledig negeert. In de jaren twintig was gebleken dat als oorlogsveteranen eenmaal chronische patiënten waren geworden, ze niet langer geneigd waren om te herstellen. Toen vanaf 1979 de eerste (Vietnam-)veteranencentra opdoken waren er al te veel kostbare jaren verloren gegaan. Het ambitieuze programma om het leven van een half miljoen Vietnam-veteranen via een collectieve massatherapie alsnog om te turnen, liep uit op een jammerlijke mislukking.

Ruth Leys, hoogleraar humanistiek aan de Johns Hopkins Universiteit, mist Shephards talent voor sweeping statements. Erger is dat Leys' geschiedenis van PTSS al te zeer wordt vertroebeld door haar obsessie met twee onderling strijdige theorieën over het waarheidskarakter van trauma's. Volgens de mimetische theorie blijft onbekend wat er echt met de patiënt gebeurd is, door de inwerking van nabootsing en suggestie. Het trauma zou het slachtoffer extra gevoelig maken voor de suggestie van psychotherapeuten, waardoor zelfs een false memory syndrome kan ontstaan. Volgens de anti-mimetische theorie berust elke herinnering op ware gebeurtenissen.

Deze tegenstelling speelde Freud parten. Hij nam in eerste instantie de traumatische herinneringen van zijn patiënten letterlijk, maar schreef ze later toe aan fantasie. Maar Leys' poging ook allerlei anderen (Ferenczi, Janet, Kardiner of Van der Kolk) in dit schema te persen, grenst aan het absurde. Voor een gedegen totaalbeeld van de relatie tussen een ernstige gebeurtenis en een psychiatrische stoornis voldoet het boek van de Amerikaanse psycholoog Jon G. Allen beter.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden