Review

De ruisende dialoog tussen wereld en mens

Hoe kun je moeilijke gedichten het best opvatten? Als puzzels waar je de sleutel toe moet vinden? Als abstracte schilderijen waarin je kunt zien wat je wilt? Als taal die voornamelijk over zichzelf gaat?

Allemaal fout, vindt dichter en essayist Marc Kregting (1965). In zijn nieuwe essaybundel ’Laden en Lossen’ stelt hij dat zulke benaderingen de poëzie ’neutraliseren’. Wie op dergelijke manieren gedichten leest, verkrijgt namelijk een voorspelbaar resultaat en houdt de werkelijkheid buiten schot, stelt hij. ,,De ruisende dialoog tussen wereld en mens kan juist in literatuur tot wasdom komen.”

Hoe het dan wel moet, laat hij in zijn inleiding onbesproken. Maar geen nood, want in de rest van de bundel krijgt hij genoeg kans om zijn ideeën in praktijk te brengen. Hij bespreekt grote hedendaagse dichters als Tonnus Oosterhoff en Nachoem Wijnberg naast marginale dichters als Hans van Pinxteren en Miguel Declerq. Ook de teksten van Doe Maar kunnen op zijn aandacht rekenen en hij neemt zelfs een schrijfsel van voetballer Wim Jonk onder de loep.

Zolang Kregting zich tot de gedichten beperkt, zijn de essays uitstekend. Hij ziet als geen ander onopvallende dubbelzinnigheden, betekenisvolle regelafbrekingen en verwijzingen naar andere teksten. In het openingsstuk over Tonnus Oosterhoff kijkt hij bijvoorbeeld nauwkeurig naar een gedicht dat begint met: ’Naar mijn hart schrijft over poëzie Herman de Coninck./ Zo moet het; ik wil zo niet, wil niet.’ ’Naar mijn hart’ klinkt vriendelijk, maar ’suggereert eveneens bedreiging’, aldus Kregting. Hij vertelt dat De Coninck in Oosterhoffs poëzie de symptomen zag van een ’multiple persoonlijkheid’ zoals van incestslachtoffers. Oosterhoff bestrijdt zulk psychologisme met zijn eigen wapens en voert in dit gedicht verschillende persoonlijkheden op: naar zijn hart, maar hij wil zo niet. Verderop in het gedicht staat twee keer ’ik’ achterelkaar, wat nu begrijpelijk wordt.

Zo gaat Kregting te werk. Hij houdt de gedichten zorgvuldig tegen het licht, keert ieder woord om, proeft de sfeer en houdt de context in de gaten. Vooral als je het werk van de besproken dichter goed kent, is het een genot om met hem mee te lezen.

Maar het valt meteen op dat Kregting zonder gewetensbezwaren de leesmethodes gebruikt die hij aanvankelijk verwierp. Hij zoekt wel degelijk de sleutel tot dit gedicht van Oosterhoff, hij voelt de woede in de dichtregels en hij stelt vast dat het gedicht uiteindelijk ook iets over poëzie zegt.

En terecht. Dat is nu juist een van de aardige kanten van poëzie: vaste interpretatiemethoden lopen altijd spaak, je moet gevoelig blijven voor nieuwe betekenissen, andere structuren, afwijkende opvattingen. Je kunt geen enkele leesstrategie geheel afwijzen.

Zijn tekstinterpretaties zijn interessant genoeg, maar Kregting wil daarnaast die ’ruisende dialoog tussen wereld en mens’ op gang brengen. Hij probeert althans in vrijwel ieder essay de houding van de dichter tegenover de werkelijkheid te analyseren. En daarbij verliest hij de zorgvuldigheid uit het oog.

Eén enkel gedicht is niet afdoende voor zijn ambitie, dus sleurt hij fragmenten uit de rest van het oeuvre erbij, citeert hij Franse en Duitse denkers en hamert hij op het streven naar kennis en alle moeilijkheden daaromtrent. Dat gebeurt lang niet altijd effectief. Wat moet je bijvoorbeeld met de vraag of je Oosterhoff mag indelen ’bij de voor het manisch historisme ingeruilde posthistorische bescheidenheid (Peter Sloterdijk)’?

Het strooien met verwijzingen maakt de bundel onnodig elitair: de artikelen lijken alleen bestemd voor een publiek dat iets weet van poëzie én van continentale filosofie. Maar ook dat clubje uitverkorenen zal niet onder de indruk raken van onbeheerst gehanteerde belezenheid.

Kregting zou zijn zinnen moeten blijven toetsen aan de gedichten die hij bespreekt. Zodra hij dat niet doet, zodra hij bijvoorbeeld een compleet oeuvre probeert te typeren, worden zijn zinnen lachwekkend vaag. Over Nachoem Wijnberg schrijft hij: ,,Wijnberg thematiseert door zijn losse vormen betekenisvolheid.” En over Erik Bindervoet: ,,Mogelijk is er sprake van wat Foucault ’homosemantisme’ noemde, het verzamelen van tekens en het overladen met overeenkomst en gelijkenis, die steeds verder uitgroeit.”

Deze essaybundel heeft dus twee gezichten: de fantastische lezer en de ronkende huiskamerfilosoof. De lezer kan je ideeën over een dichter voorgoed veranderen, de filosoof staat daarbij hinderlijk in de weg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden