Review

De rekenkamer kwam uit de kleedkamer

Floris V (1254-1296), graaf van Holland, had als kind 'walsch ende dietsch' geleerd. Frans én Nederlands. Die tweetaligheid dankte hij volgens de Engelse historicus Malcolm Vale aan zijn tijd. In de loop van de dertiende eeuw werd het Frans dé taal van het hof, ook het grafelijke hof van Holland, en tezelfdertijd vond de landstaal genade bij de elite.

SAMUEL DE LANGE

De tijd die Vale bedoelt is de eeuw die verliep tussen de val van de Hohenstauffer keizers van het Heilige Roomse Rijk, en de territoriale expansie van het Bourgondische hertogdom, dat later de toon aangaf voor de Europese bovenlaag. Al ruim vóór het 'Herfsttij der middeleeuwen', het onderwerp van Huizinga's meesterwerk (1919) dat het Bourgondische hof van de veertiende en vijftiende eeuw als summum van de ridderlijke levenswijze ten voorbeeld houdt, kon een reiziger zich aan de West-Europese vorstenhoven redden met de kennis van het Frans en van andere goede manieren natuurlijk.

'The Princely Court' legt rekenschap af van het huishoudelijke en culturele leven aan de hoven van de Franse en Engelse koning, en van de graven van Holland, Henegouwen, Vlaanderen, en Artois. De heren van de Nederlanden dus. Hij doet dat door in het eerste deel de boekhouding door te nemen van de vorstelijke bestedingen, en het personeelsbeleid van koningen en graven tegen het licht te houden. Want al moesten de groten der aarde vrijgevig zijn, om hun dienaren aan zich te verplichten, achter hun royale gestes werd ijverig geteld om de uitgaven in de hand te houden.

De hofhouding, die uit tientallen of honderden personen bestond, was bijna de helft kwijt aan eten en drinken, want aan het gezamenlijk banket van de grote krijger openbaarden zich vanouds de voornaamste kenmerken van het hof: entourage en feest.

Het hof was ook een plaats, een huis, maar aan het begin van de door Vale beschreven periode was het rondtrekken van de vorst met zijn gevolg van klooster naar hofstede nog heel gewoon. Later vestigden de vorsten zich metterwoon in bijvoorbeeld het Londense paleis Westminster, en in het Gentse Prinsenhof.

In de tijd die Vale beschrijft, hadden zich al sommige posten losgemaakt uit het rumoer in de grote zaal, en zich verschanst in aparte vertrekken. In het 'binnenhof', de 'chambre', konden de vorst en enkele getrouwen zich verder buigen over wat in de ridderzaal zo makkelijk leek. Geld was niet de minste zorg die een functionaris behoefde, en aan het Engelse hof ontwikkelde zich in de veertiende eeuw de rekenkamer uit... de kleedkamer.

De garderobe gaf namelijk behalve de gelegenheid tot uiterlijk vertoon, ook de kans om de hovelingen met ruiten en strepen te onderscheiden naar rang en functie, en zo de huishouding te ordenen. Een niet gering deel van de boekhouding schreef voor wie wanneer in welke stoffen werd gehuld.

Het tweede deel, 'cultuur', gaat nog veel meer over waar ze het allemaal aan uitgaven: gokken, jacht, toernooien en natuurlijk die feesten. Ridderlijk ceremonieel, waarbij dure eden werden gezworen, vaak op pauwen, sperwers en andere 'nobele' vogels.

Vorsten sloegen graag hun tenten op in kloosters, zoals in Westminster, en de kerkelijke kalender met zijn hoogtijdagen bepaalde ook in hoge mate de gang van zaken aan het hof. Een kapel mocht niet ontbreken, en het hof trok bouwmeesters en kunstenaars aan. In de dertiende eeuw begonnen de namen van hofkunstenaars die in opdracht van het hof werkten, te overleven. In de volgende eeuw ontwikkelde zich een kunststijl die wel 'de internationale gotiek' wordt genoemd, en hoewel Vale niet van een hofstijl wil spreken, constateert hij wel het bestaan van een algemene hofcultuur waarin de grote namen uit de Lage Landen, en Frankrijk en Engeland zich thuis voelden, of zij nu in Den Haag, Brussel, of Londen resideerden.

Vale's fort ligt in het recherchewerk: de stapels rekeningen en verantwoordingen van de hofhuishouding, de vergelijking tussen de namen en figuren van middeleeuwse schaakspelen in Engeland en Frankrijk, de hoofse vogelsymboliek, het zijn lastige maar noodzakelijke opgaven voor wie zich meer dan een indruk van het hofleven wil vormen. Vale laat zich ontvallen dat de grandioze schets van het levensgevoel die Huizinga in 'Herfsttij' op papier zette, nog eens met precieze naspeuringen moet worden getoetst. Eigenlijk is dat wat hijzelf voor een iets eerder tijdvak heeft gedaan. Eén van de bescheiden conclusies die hij uit zijn onderzoek trekt is juist dat het hofleven door de eeuwen een grotere continuïteit heeft gekend dan wel is aangenomen.

De weinige kritiek in het boek gaat uit naar degenen die, zoals Norbert Elias en zijn school, in het hofleven een aankondiging van het nationale gevoel zagen, terwijl de hovelingen zich niet met een land maar met een kaste vereenzelvigden. Het hof was zichzelf genoeg. Zo gezien zou de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) tussen Engeland en Frankrijk meer een reeks toernooien zijn geweest dan een strijd voor de Franse onafhankelijkheid zoals de geschiedenis van Jeanne d'Arc wil doen geloven. Maar op die schaal kan het boek met zijn voorkeur voor details geen uitspraak doen, en het wachten is nu op een historicus die deze vorstelijke inventaris weer in een wijder verschiet zet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden