Review

De rebellie van de oude Goya

De Spaanse schilder Francisco Goya y Lucientes (1746-1828) kreeg op zijn 47ste een ziekte die hem doof maakte en hem zo tot op zekere hoogte afsneed van de buitenwereld. Van jongs af aan had de schilder aan allerlei kwalen geleden, en geklaagd over periodiek terugkerende hoofdpijn en duizeligheid. Toen de onbehandelbare doofheid toesloeg, had die -paradoxaal genoeg- ondanks de vele hinderlijke bijwerkingen een bevrijdende kracht.

Ilse Logie

Goya voelde zich opeens niet langer afgeleid door allerlei bijkomstigheden. Vanaf dat ogenblik concentreerde hij zich geheel en al op het schilderen. Zelfs toen zijn gezichtsvermogen afnam, gaf hij zich niet gewonnen. In de laatste jaren droeg hij drie brilletjes over elkaar heen, 'als een kluwen langpotige insecten'.

Met 'Old Man Goya' heeft de Britse Julia Blackburn een eigenzinnige biografie geschreven over een man wiens werk nog steeds imponeert omdat het zo modern en visionair, zo gedreven en veelzijdig is. Zij besteedt vooral aandacht aan de vijfendertig levensjaren die volgden op zijn ziekte.

In kort bestek doorloopt Blackburn Goya's leven en loopbaan tot aan 1792, het jaar van de doofheid. Ze behandelt zijn jeugd in Zaragoza, zijn eerste huwelijk met Josefa, bij wie hij een bekrompen en inhalige zoon kreeg, die geen greintje belangstelling opbracht voor zijn vaders werk en het na diens dood liet verkommeren, zijn benoeming tot hofschilder onder de Bourbon-koningen Karel III en Karel IV, en de vele opdrachten die hij in die hoedanigheid kreeg voor portretten en gobelins, waarin de zo karakteristieke scherpe ondertoon al aanwezig was.

Maar het is zoals gezegd vooral de oude Goya die Blackburn boeit, de Goya die de woelige overgangstijd van de eeuw van de Verlichting naar de repressieve jaren na de Franse revolutie aan den lijve ondervond, en die zich steeds minder gelegen liet liggen aan de officiële verwachtingen. De napoleontische invasie en bezetting, die in Spanje van 1807 tot 1812 duurde, leverde niet alleen enkele beroemde schilderijen op, maar de serie etsen 'Los desastros de la guerra' ('De verschrikkingen van de oorlog').

Nadat Goya's eerste vrouw was gestorven, vestigde de kunstenaar zich met zijn jonge minnares Leocadia en haar kinderen vanaf 1819 in het 'Huis van de dove man' aan de Manzanares ten westen van Madrid. Hij bracht er de werken die later op doek zouden worden bevestigd, de 'Zwarte schilderijen', rechtstreeks op de muren aan. Ze weerspiegelen zijn sombere visie op de mensheid en op de wereld die haar eigen schepselen verslindt.

Toen de liberale regering in Spanje in de jaren twintig al na korte tijd viel en het oude regime hersteld werd, had Goya er genoeg van. Hij liet have en goed achter en vertrok, officieel om er te gaan kuren, naar Bordeaux, waar hij als een bezetene tekende en met nieuwe technieken als de lithografie en het miniatuurschilderen op stukjes ivoor experimenteerde. Hij bleef voorgoed in Frankrijk en stierf er ook. Zijn lichaam werd later naar Madrid overgebracht, en rust nu onder de marmeren vloer van de San Antonio de la Florida-kerk, waarvoor hij zelf de fresco's maakte.

Blackburns biografie is niet conventioneel. Ze trekt zich ogenschijnlijk weinig aan van de regels van het genre, wat niet betekent dat ze slordig te werk zou zijn gegaan. De vele bronnen die ze heeft geraadpleegd, zijn als het ware achteloos met haar persoonlijke relaas van Goya's leven verweven. Omdat ze ervan overtuigd is dat feit en fictie niet te scheiden vallen, heeft ze er resoluut voor gekozen om binnen de grenzen van de historische waarschijnlijkheid verbeelding toe te laten, een verbeelding die ze prikkelt door reizen te ondernemen naar Goya's huizen, veel naar zijn werk te kijken en over zijn tijd en zijn techniek te lezen.

Zonder zich al te nadrukkelijk op de voorgrond te plaatsen, onderstreept ze ook de band tussen haar eigen leven en dat van Goya. Ze laat zien dat haar belangstelling voor de Spaanse schilder van haar kunstzinnige moeder komt. Die persoonlijke betrokkenheid heeft een verfrissende werking op de lezer, die Blackburns parcours volgt en zo de indruk krijgt dat ook hij midden in Goya's tijd terecht is gekomen.

De biografie is opvallend beknopt en streeft geenszins naar volledigheid. Blackburn beseft dat er lacunes zijn, en oppert complexloos soms meer dan één hypothese. Daarenboven verliest ze nooit uit het oog dat het de schilder Goya is die voortleeft. Wanneer ze episoden uit zijn privé-leven uit de doeken doet, houdt ze rekening met de mate waarin die een licht werpen op Goya's werk, bijvoorbeeld wanneer ze zijn veelbesproken intieme omgang met de excentrieke hertogin van Alva beschrijft, die hem inspireerde tot het schilderij 'De naakte Maja'.

Soms vergaloppeert Blackburn zich in haar drang om wetenschappelijke dorheid te vermijden en gaat ze te impressionistisch te werk . Maar haar spontane, vinnige stijl en haar grote inlevingsvermogen maken veel goed, en doen na enkele bladzijden al het verlangen ontstaan om zo snel mogelijk de Goya-zalen in het Prado-museum op te zoeken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden