Review

De poëzie van Nachoem M. Wijnberg slaapt nog half

Nachoem M. Wijnberg: Is het dan goed. De Bezige Bij, Amsterdam; 61 blz. - ¿ 34,50.

Hij heeft geen boodschap aan de verfijnde kneepjes van het vak. Voor klanksubtiliteiten, semantische dubbelzinnigheden, hypnotiserende cadansen en suggestieve metaforen moet men bij hem niet zijn. Zijn gedichten staan er, in een oude maar kennelijk prettig zittende jas van alledaagse taal, nogal grauw en rafelig bij. Even los van wat ik nu maar noem hun inhoudelijke merites maken ze een 'prozaïsche', nogal achteloos in elkaar geknutselde indruk.

Dit geldt trouwens niet alleen voor de gedichten afzonderlijk, maar ook voor de bundel als geheel. De tweeënvijftig gedichten staan eenvoudig achter elkaar afgedrukt, dus zonder een indeling in aparte groepen, en geven ook anderszins weinig aanleiding om te spreken van een weloverwogen arrangement. Geen 'mooie' poëzie dus, en geen dwingende samenhang tussen de gedichten onderling. Wat hebben deze verzen dan eigenlijk wel te bieden? Het antwoord zou kunnen luiden: dat ze de lezer in opvallend contrast met hun alledaagse outfit verplaatsen in een tamelijk onalledaagse, onbestemde en vertekende werkelijkheid.

De sfeer die Wijnberg tracht op te roepen, is die van de droom, of beter: die van de warrige halfrealiteit tussen slapen en waken waarin de mens iedere ochtend opnieuw zijn identiteit stukje bij beetje bijeen moet rapen. Sommige gedichten beginnen dan ook letterlijk met: 'Een keer werd hij wakker', of: 'Hij wordt wakker en kijkt in een spiegel'. Wat dan volgt, zijn onsamenhangende ochtendgedachten.

Dat is het tweede opvallende kenmerk van deze poëzie: zij slaapt nog half. Een curieuze slaap-waakvariant vinden we in het gedicht 'Lichamen', dat eindigt met de regels: 'Dit hoorde hij toen hij wakker geworden was / uit de mond van de in slaap pratende naast hem.' Met andere woorden: dit gedicht reveleert de hardop uitgesproken droomrealiteit van een slaper, waargenomen door het nog maar nauwelijks functionerende brein van diens zojuist wakker geworden bedgenoot! Als dat nog maar werkelijk beklijvende poëzie oplevert . . .

Laat ik er geen doekjes om winden: de op nonchalante praattoon vertelde droomrealiteiten van Wijnberg irriteren meer dan ze fascineren. Natuurlijk is er niet steeds letterlijk sprake van dromen, maar de trage, omslachtige vertekening die hij telkens nastreeft, solliciteert toch wel naar het epiteton 'verdroomd'.

Wijnberg schept er behagen in een in wezen vrij simpele werkelijkheid zo monomaan gedetailleerd met taal te bestickeren dat er inderdaad zoiets als vervreemding optreedt. Maar die vervreemding doet veel te getruukt en geposeerd aan om de lezer te kunnen boeien. Een voorbeeld is het gedicht 'Hoe het verrassend was':

Op de trap trekt zij hem naar zich toe en vraagt hem haar overal aan te raken, niet te wachten. Hoe het verrassend was dat het ging# waar anderen bij waren. Met dat in zijn hoofd probeert hij terug te vinden # wat hij dacht dat ging, waar hem gezegd werd niet meer bij te horen. Eerst dacht hij dat het hem gezegd was door het waar anderen bij waren scheuren van de kleren die hij aanhad.'

Nee, dit is inderdaad niet 'mooi gesproken' van de dichter. En evenmin gaat er van deze verknoedelde volzinnen een dwingende suggestie uit dat we hier met de saillante verbeelding van een mysterieuze werkelijkheid van doen hebben. De werkelijkheid die Wijnberg ons voorzet is niet mysterieus en dubbelzinnig; zij is eenvoudigweg scheef en onhandig in elkaar gezet.

En waar zij uiteraard iets meer beoogt dan dit laatste, daar wordt de verwezenlijking hiervan verhinderd door Wijnbergs onvermogen op het verstechnische en stilistische vlak. Een vlakgom en een enkel pregnant beeld of rijm hadden het bovenstaande gedicht wellicht kunnen redden, of althans kunnen verhelderen welk goud er volgens de dichter precies schittert in deze nu zo kleurloos en onscherp uitgepenseelde situatie.

Dat wezenlijk onscherpe ontkracht veel gedichten in deze bundel. Wijnberg doet vaak maar wat, zo lijkt het. Zijn poëzie staat vol vraagzinnen en de woorden 'vraag' en 'vragen' komen zeker twintig keer in de bundel voor. Er waart een spook van welhaast juveniele onzekerheid door deze verzen, een besef van niet goed weten hoe of wat. 'Heb ik meer voorkennis nodig?' staat er ergens. En elders: 'Ik ben niet zeker wat ik aanbied,/ik ben niet zeker wat ik aandoe.' Eén gedicht draagt de titel 'Hoef ik te weten hoe dit afloopt'. En wat te zeggen van de ook al in een vraagzin vervatte titel van de bundel zelf: 'Is het dan goed.'

Van dat onzekere en onscherpe karakter is Wijnberg zelf zich overigens wel bewust. In het gedicht 'Hoogste en laatste' voert hij bij voorbeeld een koning op van wie we niets meer te weten komen dan dat hij inderdaad een koning is. 'Ik weet welke koning ik mij daarbij voorstelde, mijn koning', staat er dan. Maar dat lost het probleem niet op.

Dat Wijnberg zich iets kan voorstellen bij zijn eigen voorstellingen, geloven wij graag, maar de lezer voelt zich bij deze passus toch met een kluitje in het riet gestuurd. De bezwerende slotregel van dit gedicht - 'ik probeer zo duidelijk mogelijk te zijn' - kan die indruk niet wegnemen. 'Zo duidelijk mogelijk' is in het geval van Wijnberg bij lange na niet duidelijk genoeg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden