Review

De pendelbeweging bij Maarten Doorman

Maarten Doorman pendelt graag. In zijn nieuwe bundel 'Kloppend heden' komt die voorkeur weer duidelijk aan bod. 'Vice versa' legt het er met titel en al zelfs dik op. De eerste strofe memoreert de ezel van de filosoof Buridanus, die tussen twee identieke schoven hooi geen keuze wist te maken en vervolgens de hongerdood stierf. De ik-figuur, bepaald geen ezel, pakt het in de volgende strofe handiger aan. Doelend op zijn vrouw en zijn minnares heet het: ,,Ik pendelde mooi/ van de een naar de ander en v.v''. Hij besluit dit realistische sprookje met spotzieke bravoure: ,,en we leefden nog lang''.

Geen hoogstaand vers, maar wel typerend voor de pendelbeweging in Doormans denken. In het liedachtige 'Mussen in trillende diesellucht' gebeurt op een hoger plan iets dergelijks. Ditmaal vaart de ik-figuur met een veerpont heen en weer. Hij is wel 'aan de overkant geweest', maar niet aan land gegaan en op de terugweg omschrijft hij zijn huidige positie in dit niemandsland als 'een tussenstand'. In tegenstelling tot de ik in 'Vice versa', die duidelijk van twee walletjes mee-eet, kiest de ik in dit laatste gedicht bewust niet voor deze optie. Hij laat de beide oevers de oevers en manoeuvreert zich in een positie die letterlijk kant noch wal raakt. Daar, midden op het water, worden de keuzemogelijkheden als het ware gecombineerd, want het water scheidt de oevers niet alleen, het verbindt ze in zekere zin ook.

Dit laatste lijkt me symbolisch voor de poëzie van Doorman, die de zaken telkens in een zeer nuchter perspectief plaatst en toch de hogere kriebels niet geheel en al uitsluit. Van zweverigheid en gebedsmolenmystiek moet hij intussen niks hebben, zo blijkt bijvoorbeeld uit het satirische gedicht 'De mantra Om'. Als het erop aankomt is hij een scepticus bij uitstek en zal hij net als Du Perron, met wie hij als dichter veel gemeen heeft, de wijn der poëzie liefst per onmiddellijk omstoken tot jenever, of 'voor mijn part azijn'.

Dat sluit de gedachte aan het hogere en het spelen daarmee echter nog niet uit. 'Warmerdams pannekoek' (oude spelling inderdaad) laat hiervan een fraai staaltje zien. Het is geschreven naar aanleiding van een zeefdruk van Marijke van Warmerdam, waarvan een foto naast het gedicht staat afgedrukt. Hierop zien we in close-up hoe een volmaakt ronde pannenkoek, die kennelijk net behendig omhoog is gegooid, recht boven een koekenpan zweeft. Het is net een maantje en zo ziet Doorman het ook: ,,aarde wordt maan wordt te bol/ voor een pan voor een bord/ wordt rond zonder grond wordt vol''. Als bij het gedicht over de veerpont wordt hier een 'tussenstand' geschetst, een magisch moment tussen stijgen en dalen in: 'waar het beeld blijft hangen'. En dan blijkt Doorman toch niet geheel zonder hogere aspiraties te zijn:

vergeet het gedicht

niet om te gooien

als het heet

is, vergeet niet

het beeld te vangen

als het zacht is

Een 'zacht' beeld inderdaad, en in de harde praktijk van de slotregels komt de pannenkoek natuurlijk gewoon 'weer plat/ op het vuur' terecht. Maar dit laat onverlet dat de dichter toch even door dit zweven is betoverd en dit zich welbeschouwd ook zo gewenst heeft.

Zo zacht is hij overigens lang niet altijd. Hij zet de dingen integendeel meestal stevig aan. Nu eens 'jaagt' de zon 'de hens in glazen kantoren', dan weer is er sprake 'van een laaiend smeden/ van jouw tanden in mijn borst'. De aanhef van 'Pétanque met Hugo Claus' getuigt al evenzeer van een robuust parlando: ,,Het profiel stamt van een Romeinse keizer/ Zijn beide ballen zijn van ijzer''. Dit stilistische machismo brengt me weleens aan het lachen, maar meer ook niet. Woorden als 'tepeltederheid' of gewoon 'mijn lief', die Doorman ook gebruikt, passen hier trouwens slecht bij. In haar toon is deze poëzie vaak even onzuiver als onzeker. Dat geldt ook voor Doormans woordspeligheid, die soms heel raak, maar vaker flauw ('woord en brand') of vergezocht (billboards met boodschappen 'van wasverzachter tot zalverharder') is.

Net als zijn vorige bundel bevat 'Kloppend heden' ook weer lichtere, soms louter humoristische teksten. Er is een pastiche op Van Ostaijen, een 'Oudbakken rapvers' en een komisch, niet van zelfspot gespeend 'Briefje voor de werkster'. Ook in 'Hersengewicht bij mens boom en hond' gaat het puur om het spel en de malligheid: 'Atma's hondenhersenen wogen weer even veel/ als 3 van Goya's dromen, d.i. precies 144 keer/ het gewicht van bloed in een gezwollen menseneikel'.

In een ander gedicht duikt even de schim op van de droogkomische stripheld Lucky Luke. Dwars door dit alles heen staan de serieuzere gedichten. Zoals 'Goddelijke proporties': een gepassioneerd en grotendeels overtuigend erotisch vierluik dat behoorlijk ingenieus zinspeelt op het renaissancistische schoonheidsideaal en niettemin volstrekt eigentijds aandoet. Of een veel eenvoudiger gedicht als 'Bij een schoolplein', dat handelt over een begrafenis. Aan het slot neemt het leven de regie zo terloops in handen dat het onuitgesproken cliché 'het leven gaat door' opeens weer zijn oorspronkelijke ontroerende werking heeft teruggekregen:

Bij de kuil volgt stram het oud latijn

van een kerkuil vol van brood en wijn

de ringweg zingt snorrend zijn refrein

om het even

ik moet de kinderen eten geven.

De schellen vallen van het leven.

Om die schellen, het wegtrekken van oogkleppen, is het Doorman geloof ik vaak te doen. Daarom pendelt hij voortdurend tussen uitersten heen en weer. Tussen verstand en gevoel, het hogere en het lagere, en ook tussen goede en slechte gedichten. Hoe ongelijk van kwaliteit zijn gedichten ook zijn, ze spreken door deze overal voelbare neiging tot ontmaskering toch aan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden