Review

De pen van Sontrop lijkt op een toverstafje

Th. A. Sontrop: Gedichten 1962-1996. Meulenhoff, Amsterdam; 60 blz. - ¿ 49,90.

Ik herinner mij dat een van mijn vrienden in zijn studententijd de toen al als 'collector's item' begeerde en dus prijzige boekjes uit het antiquariaat ontvreemdde onder het zelfbedachte en ietwat jezuïtische motto: 'Neemt vrijelijk van het goede en laat de winkeldochters met rust'. Ik kan hem er nog steeds niet hard om vallen, want zijn studietoelage was bescheiden en zijn honger naar poëzie nagenoeg onstilbaar. En de verleiding was groot. Sontrop mag dan weinig hebben gepubliceerd, maar dat weinige heeft hij steeds met veel smaak geserveerd.

Sontrops poëzie heeft een kritische, door en door geestige inslag en die combinatie is bij ons tamelijk zeldzaam. Zijn humor balanceert ergens tussen de kluchtigheid der laat-middeleeuwse esbattementen, de satirische vertekeningsdrift van Swift en de surrealistische ondeugendheden van Alfred Jarry in. Zijn poëzie getuigt van esprit zowel als wit, en het zegt al veel over het aparte karakter ervan dat we het Frans en Engels bij deze typering te hulp moeten roepen. Sontrop is dan ook een buitenbeentje in onze literatuur en op zijn eigen wijze een groot dichter.

Tegelijkertijd leggen zijn vernuft en eruditie, zijn bij alle humor toch streng gereguleerde emotionaliteit, ook hun beperkingen op aan zijn talent. Zij maken hem ongeschikt voor de overgave aan poëtische bezetenheid, een gevaarlijk ingrediënt met pretentieuze bijsmaak, dat in werkelijk grensverleggende poëzie niettemin nooit geheel en al mag ontbreken.

Van zijn wantrouwen tegen hybris en mythomanie geeft hij in het gedicht 'Tussen de regels' op geheel eigen wijze blijk door de 'bezeten' freudiaan en poëziebeschouwer Paul Rodenko voor te houden: 'Voor u is, lijkt het mij, de uterus / wat voor een protestantant soms Luther is'.

Sontrops poëzie is spotziek en vermakelijk, staat bol van woordspelingen en geraffineerde klingklang en steekt de draak met hypocrisie, publieke moraal en lichtgelovigheid. Sontrops pen moet iets van een toverstafje hebben waarmee hij de grootsteedse werkelijkheid telkens iets van een prent uit een malicieus sprookje weet mee te geven. 'De wrattenpad werk ment breeduit het bit' bijvoorbeeld is toch wel een hoogst particuliere omschrijving van de ochtendspits!

Behalve de wrattenpad komen we bij hem ook opvallend veel vogels, vlinders, ratten en een desolaat kakkend hondje tegen en stuiten op het gekrioel van mieren, spinnen, vliegen en ook op een luis en een luizenei. Soms voert Sontrop dit vliegend en kruipend gedierte op met een knipoog naar andere dichters, zoals Mallarmé en Max Ernst. Met natuurlyriek heeft dit niets te maken, met Sontrops neiging om het hogere en lagere in bizarre, fauneske miniaturen samen te brengen des te meer.

Weleens een oude man in een park de vogels zien voeren? Door de bril van Sontrop, 'bijziende broodheer der mussen', ziet dat er zo uit: 'Bomen met roos: uit hun kruinen vallen duiven / als Noach seniel met de broodzak gaat wuiven'. Niet altijd gaat het er zo hilarisch aan toe. 'Droom' bijvoorbeeld is van een heel ander kaliber.

Twee bomen met wat blad. Wat mannen in het zwart. De stof waaruit ik stof werd Zakt langzaam in de kuil. Ik sta erbij en kijk. Ik sta erbij en huil.

Een onsontropiaans openhartig gedicht, waarin de vergankelijkheid zich tot de tweede macht verheft in dat prachtige beeld 'De stof waaruit ik stof werd'.

Meestal echter mijdt Sontrop het opgelegd existentiële, dat hij al evenzeer wantrouwt, schat ik, als de hybris. Liever legt zijn sarcasme met chirurgische precisie de dubbelzinnigheden van de hogere aandrift bloot. Over een non die haar 'vrouw-zijn (. . .) onder orgeltonen' afgezworen heeft lezen we onder meer: 'Maar 't maandelijks kruisbanier door maagdenbloed bevlekt / doet haar soms angstig zich op 't lijf bezinnen./ Hoewel zij weet: 't Is niet de geest, alleen het beest'.

Intussen hebben deze gedichten zelf dus ook een dubbelzinnige kant. Enerzijds belichamen zij een virtuoze exhibitie van een speelse erudiet die het frapperen van de lezer tot favoriete hobby lijkt te hebben gekozen. Anderzijds zijn ze beslist niet van ernst gespeend, hoe vaardig die meestal ook wordt gecamoufleerd. Zo is er, om nog maar wat te noemen, een opvallende aandacht voor contrasten als kind en volwassene, klein en groot, waarvan het vóórkomen niet alleen verklaard kan worden uit de humoristische potentie ervan. Het vaak gebloemleesde 'De eikel spreekt', het openingsgedicht van deze verzamelbundel, is daar een voorbeeld van:

Waar mijn ontbladerde vader zijn harige takken laat ruisen, en de bast van mijn moeder met welgevallen beziet, wordt de mier op de grond door mijn val invalide. Wellicht word ik woudreus, en schud met de vuist naar mijn vader die kromgroeit'.

Inderdaad een hilarisch gedicht, over een eik en een eikel ook nog, maar toch is het spanningsveld tussen vader en zoon evident. Ook aan het burlesk-erotiserende slotgedicht 'Rijnlandse geseling' lijkt mede zo'n tragikomisch vader-zoon-contrast ten grondslag te liggen. In dit licht krijgt een ogenschijnlijk melige woordspeling, elders in de bundel, als het 'ouder lijkhuis' wel degelijk een ernstige lading.

Sontrop schrijft wonderlijke, fascinerende poëzie kortom, waarin het 'beulenknotsje dreigt', een panische spin in 's dichters hersenspinsels verward raakt en een liefhebber van wurgseks - 'de bastaard van Dopey en Snowwhite' - zich in kabouterpak verhangt. Groteske miniaturen die soms wel degelijk ontroeren. Om te stelen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden