Oorlogsklassieker75 jaar bevrijding

De nog steeds urgente vragen van Rudy Kousbroek over de oorlog in de voormalige kolonie

Tot Bevrijdingsdag bespreekt Letter&Geest wekelijks een oorlogsklassieker. Vandaag ‘Het Oostindisch kampsyndroom’ van Rudy Kousbroek.

Het is nog maar de vraag of Rudy Koubroek (1929-2010) een bespreking van ‘Het Oostindisch kampsyndroom’ in deze serie ‘oorlogsklassiekers’ had goedgekeurd. Tegensputteren was hem niet vreemd. Bijvoorbeeld omdat zijn in 1992 gepubliceerde boek geen roman of dagboek is. Het hád autobiografisch kunnen zijn: Kousbroek was zelf in Noordoost-Sumatra geboren, zat op een kostschool toen Nederland bezet werd, en toen de Japanners in Indonesië aan de macht kwamen, belandde hij in een interneringskamp. Het laatste jaar van de oorlog zat hij met zijn vader in Si Rengo Rengo, ‘lekkende, bouwvallige, overbevolkte ataploodsen verloren in de rimboe vol malariamuskieten’. Toch gaat het boek slechts terloops over zijn eigen ervaringen.

Zelf heeft Kousbroek het over ‘een soort pak van Sjaalman’. De vijfhonderd pagina’s zijn een bundeling artikelen uit de jaren tachtig over de manier waarop Nederlanders die voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog in Indonesië hadden geleefd, hun verleden verwerkten. Omdat die verwerking meestal in boeken naar buiten kwam, gáát het boek over literatuur. En niet alleen over de verschenen boeken, ook over het gebrek aan romans die wél kritisch waren over de rol van de Nederlanders voor en tijdens de oorlog.

Inmiddels geven de teksten een fris zicht op de soms wat stroperige meningen en historische discussies van de jaren tachtig – daarbij geholpen door Kousbroeks persoonlijke en soms amusante schrijfstijl. En biedt het ook voor lezers die die discussies niet bewust hebben meegemaakt (en de halve geschiedenisles van de middelbare school over Indonesië niet meer zo scherp voor de geest staat), een breed, internationaal georiënteerd overzicht.

Rudy Kousbroek en z'n kat.Beeld ANP

Geen masterplan

Meer moeite zou Kousbroek hebben met het op één lijn stellen van zijn boek en de boeken over de Tweede Wereldoorlog in Europa. Hij herhaalt zijn standpunt daarover vaak, geïrriteerd: hoe slecht de leefomstandigheden ook waren in sommige Japanse internerings- en krijgsgevangenkampen, de situatie daar was of is volgens Kousbroek niet te vergelijken met die in de Europese concentratiekampen. Joden werden opzettelijk gedood, vergast, terwijl de sterfte in de kampen in Indië werd veroorzaakt door ondervoeding, gebrek aan geneesmiddelen, en soms door dwalingen van militairen. Anders dan Hitler had de Japanse keizer geen ‘masterplan’.

Daarbij kwam dat Kousbroek vond dat de Nederlanders die na de oorlog uit Indië terugkwamen, het slachtofferschap uitbuitten. Had Nederland zelf niet jarenlang de In­­- donesiërs onderdrukt? Niet alleen door hen te koloniseren – dat was al erg genoeg – maar ook in de strafkolonie Boven-Digoel, het strafkamp waar Nederland tussen 1926 en 1942 ‘communistische’ Indonesiërs en onafhankelijkheidsstrijders vasthield onder zware omstandigheden. De sterftecijfers van die periode zijn inderdaad gelijk aan die van de Japanse kampen op Indonesië in 1944.

Het waren geen populaire standpunten, maar juist nu extra interessant. In een van de laatste artikelen van ‘Het Oostindisch Kampsyndroom’ staat een halve pagina vol verwensingen die schrijver Jeroen Brouwers Kousbroek had toegeslingerd – je ziet Kousbroek met genoegen het lijstje aanvullen als er weer een nieuw verwijt bijkwam. Brouwers (1940) zou met zijn roman ‘Bezonken rood’ uit 1982, gebaseerd op zijn vroege jeugd met zijn moeder in het vrouwenkamp Tjideng, precies de kenmerken van het ‘kampsyn-­ droom’ vertonen die Kousbroek zo tegenstonden.

These, antithese

‘Het Oostindisch kampsyndroom’ bestaat uit drie delen die als een klassieke these-antithese-synthesestructuur werken. Van het Indië van voor de oorlog in het eerste deel, via de misvattingen, racisme en clichés over Japan en Japanners in de Nederlandse literatuur en cultuur, tot de discussie over het al dan niet terechte slachtofferschap van de Ne­derlandse Indiëgangers. Vooral in dat laatste deel schermt Kousbroek met soms wat ongemakkelijke vergelijkingen: “In ons kamp is 6 procent van de geïnterneerden omgekomen; in Bergen-Belsen 70 procent.”

Toch lukt het Kousbroek vooral om scherpe vragen te stellen. In hoeverre zijn excuses voor misdaden in oorlogstijd op te eisen? Waarom was het kolonialisme zo destructief? Waarom zijn er maar vijf Indonesische ro­mans verschenen over Boven-Gidoel? Waarom is de Nederlandse houding ten opzichte van Japan zo anders (lomper) dan die van landen als Frankrijk en Groot-Brittannië, die met hun koloniën toch ook onder Japanse overheersing kwamen? Vragen die voorlopig nog niet beantwoord zijn, en daarom het herlezen waard.

Rudy Kousbroek
Het Oostindisch kampsyndroom
Olympus

Lees ook: 

Een Indische geschiedenis in accuzuur

Tot Bevrijdingsdag bespreekt Letter&Geest wekelijks een oorlogsklassieker. Vandaag ‘De tolk van Java’ van Alfred Birney

‘In de ban van de tegenstander’ van Hans Keilson (1909-2011) is een diepgravend oorlogsboek. 

Tot Bevrijdingsdag bespreekt Letter&Geest wekelijks een oorlogsklassieker. Vandaag ‘In de ban van de tegenstander’ van Hans Keilson.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden