Essay

De nieuwste Mondriaan: een aronskelk met ongeëvenaarde precisie

Portret van de Nederlandse schilder Piet Mondriaan (1872-1944), zonder jaar. Beeld Nationaal Archief, Collectie Spaarnestad

Een nieuwe Mondriaan: de tekening van een aronskelk. Biograaf Léon Hanssen plaatst haar op de grens van figuratieve naar de abstracte kunst waarmee Piet Mondriaan wereldfaam verwierf.

Je gaat Piet Mondriaan pas werkelijk begrijpen als je ziet hoe hij bloemen tekent. Pas dan raak je bevrijd van het beeld van de steile modernist, met zijn reputatie van strengheid, onaanraakbaarheid en strakke rechte lijntjes. Ja, het klopt wat The New York Times ooit schreef: zijn bloemen bewijzen dat Mondriaan een ‘zachtere, intiemere kant’ had.

Het was dan ook niets minder dan een sensatie toen ik onlangs voor een volstrekt onbekende bloemtekening van Mondriaan stond: een aronskelk. Ik moest er even bij gaan zitten. De kunstenaar gebaarde rechtstreeks naar me, de eeuw tussen deze unieke bloem en mij werd in één keer tenietgedaan.

C-categorie

Deze ervaring zette de historie op zijn kop. Want ook ik als biograaf van Mondriaan heb lang gedacht dat abstractie, dus kunst zonder herkenbare voorstelling, het allerhoogste is wat de kunstgeschiedenis in al die eeuwen heeft opgeleverd. Niets is minder waar. De Amerikanen hebben dit misschien eerder begrepen dan wij aan onze kant van de oceaan, aangezien zij al diverse publicaties en exposities hebben gewijd aan de bloemtekeningen en -schilderijen die Mondriaan gedurende praktisch zijn hele carrière maakte.

In de bijna ontilbare ‘Piet Mondrian: Catalogue Raisonné’ van het werk van de kunstenaar uit 1998 worden de bloemen die hij tijdens zijn abstracte periode maakte, weggezet in een c-categorie. De samenstellers zaten er kennelijk een beetje verlegen mee. Maar deze tekening hebben zij over het hoofd gezien. Hoe dat komt? Waarschijnlijk omdat ze altijd binnen dezelfde familie is gebleven en zij het bestaan van de tekening nooit aan de grote klok heeft gehangen.

De Aronskelk van Piet Mondriaan. Beeld Liselore Kamping

Dat het om een authentiek werk van Mondriaan gaat, is zeker. Wat zien we op de tekening? Eén enkele aronskelk, met houtskool getekend op papier, in een vorm die je als een vraagteken kunt karakteriseren. Van onder naar boven: een lange licht krommende vorm naar rechts, de steel, gevolgd door een scherper krommende lijn naar links die terugkeert naar de steel, de kelk zelf. De lange steel komt uit het niets tevoorschijn, om steeds dunner wordend te reiken naar een kelk die van een imposante architectuur is. Ik had, in de kelkschede turend, meteen de associatie van een diepe groeve, met steil aflopende wanden, waarin zich kostbaar materiaal bevindt. Het schutblad zit als een fraai in mekaar draaiend tasje om de kolf van de plant en mondt aan de bovenkant uit in een kleine, markante uitstulping.

Associatie met de dood

Van de kostbaarheid in de schede, de vrouwelijke stampers en mannelijke meeldraden, is nauwelijks iets te zien, behalve een parelachtige uitloper, een verraderlijke knots, die in de natuur met zijn urineachtige geur en zijn hogere temperatuur de functie heeft insecten aan te lokken.

De aronskelk is door Mondriaan met een ongeëvenaard koele passie en precisie in beeld gebracht. Wat bracht hem, de pionier van de abstractie, ertoe ooit bloemen als deze te gaan tekenen? Het schilderen van bloemen en bloemstukken kent een lange traditie in de westerse schilderkunst. Omdat aronskelken geliefd waren als grafbloemen en dus een associatie met de dood opriepen, komen ze relatief weinig voor in het genre van bloemstillevens.

In de late negentiende eeuw ontstond er een ware bloemcultus in de Europese literatuur en schilderkunst vanwege het enorme potentieel aan symboolwaarde dat bloemen bezitten. Ze kunnen zowel bloei als verval, leven en dood, verlangen en afkeer, lust en lijden uitdrukken en elke bloemsoort heeft zijn eigen associaties. Vooral de chrysant, de lelie en de lotus, de orchidee, de roos en de zonnebloem zijn niet weg te denken uit de cultuur van het symbolisme. De aronskelk verschijnt in een drietal werken van Vincent van Gogh, gemaakt toen hij in 1889 in de inrichting te Saint-Rémy verbleef, als verzinnebeelding van de dood. Dit macabere effect wordt versterkt door een doodshoofdvlinder die op de bloem is neergestreken. Van Gogh had hem uit eigen waarneming vlug nagetekend. “Om hem te schilderen”, schreef hij aan zijn broer, “had ik hem moeten doden en dat ware jammer geweest, zo mooi was het dier.” Vervolgens schilderde hij hem alsnog.

Viooljuf

Ook bij Mondriaan levert de aronskelk slechts een bescheiden aandeel in de verschillende soorten bloemen die hij uitbeeldde. Maar wat nog sterker opvalt: vanaf het eerste ogenblik dat hij bloemstillevens schiep, beperkt hij zich doorgaans tot één enkele bloem.

Aan het eind van zijn carrière, in een autobiografische tekst geschreven in New York in 1941, zou hij hierover opmerken: “Ik genoot ervan bloemen te schilderen, niet boeketten, maar telkens een enkele bloem, om de beeldende structuur ervan zo goed mogelijk tot haar recht te laten komen.”

Schilder Piet Mondriaan (1872-1944) bij zijn werken, zonder plaats, zonder jaar. Beeld Nationaal Archief, Collectie Spaarnestad

Terwijl Mondriaan regelmatig in botanische boeken dook om de gedaante van een bloem grondig te bestuderen, was hij er toch van overtuigd dat ‘in haar een dieper schoon’ schuilt dan alleen die uiterlijke vorm. “Bloemen vind ik toch zoo iets buitengewoon heerlijks”, jubelde hij in de zomer van 1910 in een brief aan de latere viooljuf van prinses Juliana, Aletta de Iongh: “Ook de lucht ervan maakt me heel vreemd te moede.”

En het loonde. Voor de bloemstudies, die Mondriaan tegen een schappelijk bedrag aan de man bracht, vond hij altijd gretig afzet. In de jaren dat hij de definitieve stap naar de abstractie zette, samenvallend met de Eerste Wereldoorlog, stopte hij echter met de productie ervan, omdat hij de nabootsing van de natuur nu als een volstrekt minderwaardig streven beschouwde. Toch pakte hij het genre omstreeks 1922 weer op, toen voor hem als abstract schilder in Parijs het lot van de hongerkunstenaar dreigde. De bloemstillevens die hij in de Franse hoofdstad schiep, garandeerden dat hij tenminste voor de volgende drie maanden de huur van zijn atelier kon opbrengen. Het handeltje in bloemen liep intussen zo goed dat hij voor de goedkoopste varianten ervan een oer-model ontwierp dat hij met carbon- en overtrekpapier kon kopiëren, om met enkele streken van een potlood of met wat aquarelverf aan de kopie een eigen cachet te geven.

Verstokte vrijgezel

Tegelijkertijd tonen het vuur en de regelmaat waarmee hij ook in zijn abstracte periode bloemstudies bleef creëren dat Mondriaan ook in die non-figuratieve fase gevoelig bleef voor het ‘dieper schoon’ van flora. Hierachter gaat een veel grotere betrokkenheid schuil dan alleen materieel belang. Het is de Amerikaanse dichter en kunsthistoricus David Shapiro die in 1991 voor het eerst met een overtuigende theorie over Mondriaans bloemen voor de dag kwam. Volgens hem vertellen zij een verhaal dat aanzienlijk romantischer is dan ‘deze zuivere priester bereid is toe te geven’. Zij verraden een mateloze hartstocht voor het vrouwelijke dat Mondriaan, een verstokte vrijgezel en voor velen inderdaad een priesterlijk figuur, met zijn stillevens tegelijkertijd probeerde te beteugelen.

Deze tegenstrijdigheid valt in de ontdekte tekening van de aronskelk goed waar te nemen. Vanuit de lange steel verheft de plant, zelf een symbool van het natuurlijke en vrouwelijke, zich boven de aardbodem. Met breed geopende kelk neigt zij naar de stralende hemel, symbool van de mannelijke geest. Maar de gebogen vraagtekenvorm verraadt het tragische karakter van de bloem. Als stukje natuur is zij immers gedoemd ten onder te gaan: alleen de geest blijft over, voor nu en altijd. Dat Mondriaan daarmee ook een parabel vertelde over zijn eigen fysieke vergankelijkheid op aarde en zijn zucht naar eeuwige roem, zal hij zich niet meteen hebben gerealiseerd.

Het atelier van Mondriaan in Parijs. Beeld Getty Images

De tekening van de aronskelk komt rechtstreeks uit de nalatenschap van de schrijver Arthur van Schendel (1874-1946). Hij kende Mondriaan persoonlijk uit diens woelige jaren te Amsterdam rond de eeuwwisseling. Later verkeerde hij in diens vriendenkring tijdens de zomermaanden sedert 1911 in de Zeeuwse kunstenaarsenclave Domburg. Nog in 1920 had hij, zelf op doorreis naar Italië, een ontmoeting met de schilder in Parijs, die toen inmiddels een geheel nieuwe en voor Van Schendel wellicht onbegrijpelijke artistieke richting was ingeslagen. Het valt ook niet uit te sluiten dat zij elkaar nog in de Franse hoofdstad tegen het lijf zijn gelopen toen Van Schendel in de periode 1930-1933 met zijn gezin te Meudon onder de rook van Parijs woonde.

Zacht prijsje

Naar alle waarschijnlijkheid is het kunstwerk in de Domburgse jaren voor een zachte prijs in het bezit van Van Schendel gekomen. De tekening, die omstreeks 1910 kan worden gedateerd, verraadt de invloed van de dramatische grafische stijl van de schilder Jan Toorop, een gemeenschappelijke vriend die gedurende de zomermaanden ook steevast in het Walcherse kustplaatsje verbleef. De tekening bezit duidelijke overeenkomsten met twee in houtskool uitgevoerde aronskelken van Mondriaan in Amerikaans bezit, waarvan een in een privécollectie en de ander in het Hirshhorn Museum te Washington, maar deze ‘nieuwe’ is toch levensechter uitgewerkt en heeft een veel meer overrompelend effect dan die beide.

De signatuur onder aan de tekening komt in deze variant ook op andere werken uit de bewuste periode voor, maar bevat een kleine eigenaardigheid. Terwijl alle letters in sierlijke hoofdletters zijn getekend, is de eerste ‘n’ per ongeluk als klein lettertje geschreven: P. MOnDRIAAN. Was de schepper toch even de dupe van het duveltje van de natuur. 

Cultuurhistoricus Léon Hanssen is verbonden aan de Universiteit Tilburg. In 2017 verscheen zijn Mondriaan-biografie, ‘Alleen een wonder kan je dragen. Over het sublieme bij Mondriaan’.

Lees ook:

Onbekende bloemtekening van Mondriaan ontdekt

Decennialang lag een tekening van een aronskelk in het archief van de schrijver Arthur van Schendel (1874-1946). Nu is duidelijk dat het om een tekening van Piet Mondriaan gaat.

Geloof het of niet, maar dit is een Mondriaan

Elke week bespreekt Trouw een kunstwerk of museum dat u niet mag missen. Vandaag: een kleine maar fijne tentoonstelling in het voormalig woonhuis van Piet Mondriaan.

‘Een ernstig werk van een ernstig man’

Mondriaans portret van de viooljuf van Juliana, moet je gezien hebben.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden