Interview

De nieuwe Buwalda komt in drie delen

Peter BuwaldaBeeld Mark Kohn

Negen jaar na zijn uiterst succesvolle debuut Bonita Avenue heeft Peter Buwalda zijn tweede boek af. Otmars zonen is nog maar deel 1 van een trilogie. Ambitieus? “Ik wil een boek schrijven dat ik zelf zou willen lezen. Kennelijk hou ik van dikke boeken.”

De woonkamer van Peter Buwalda heeft een wandvullende boekenkast, zoals het een schrijver betaamt. Tussen de boeken staat zijn uit de hand gelopen hobby: meters cd’s met klassieke muziek. Buwalda is niet van de playlists en de e-books, zegt hij. Een fysiek boek in de kast ziet hij als ‘trofee’. “Het herinnert je aan het boek dat je hebt gelezen”, zegt hij. Er mag flink wat ruimte in de kast worden vrijgemaakt voor ‘Otmars zonen’, Buwalda’s langverwachte tweede roman na ‘Bonita Avenue’, zijn succesvolle debuut uit 2010. Het is inmiddels negen jaar later.

Is hij een langzame schrijver? Buwalda vindt van niet. “Als je de 612 bladzijden van dit boek bij de 543 van Bonita Avenue optelt, kun je er ook zes boeken van tweehonderd bladzijden uit destilleren”, zegt hij. De 612 bladzijden van Otmars zonen zijn nog maar deel 1 van een trilogie, waar Buwalda al een eind mee gevorderd is. De boektitels voor deel 2, dat al ver gevorderd is, en 3 heeft hij al: ‘De jaknikker’ en ‘Hysteria siberiana’. Na lezing van deel 1 komen die niet uit de lucht vallen. Otmars zonen speelt zich af gedurende 24 uur op het Russische eiland Sakhalin, waar naar olie wordt geboord. Daar komen Ludwig Smit en Isabelle Orthel halverwege het boek samen in een bed in een hotelkamer te liggen.

Via flashbacks, die ze hebben tijdens de taxiritten over besneeuwd Sakhalin of tijdens de slapeloze hotelnacht, leren we ze kennen. Ludwig heette vroeger Dolf. Zijn biologische vader kent hij niet, maar zijn moeder trouwt rond zijn tiende met Otmar Smit, die hem zijn achternaam geeft en een goede stiefvader voor hem wordt. Maar Otmar heeft ook twee kinderen, Tosca en Dolf. Daarom wordt het nieuwe kind, naar zijn opa, Ludwig genoemd. Tosca en Dolf zijn muzikale wonderkinderen, Tosca op viool, Dolf op piano. Tosca maakt de verwachtingen niet helemaal waar en eindigt als concertmeester bij het Residentie Orkest, Dolf krijgt een wereldwijde carrière en treedt op met pianiste Martha Argerich en dirigenten als Chailly en Lorin Maazel.

Isabelle, een adoptiekind dat haar Thaise achternaam heeft ingeruild voor die van haar adoptieouders, is een ambitieuze journaliste, die al eens een profiel over de geniale Dolf schreef. Ludwig kent ze, omdat ze drie maanden een studentenhuis hebben gedeeld in Enschede. Na lezing van Otmars zonen weten we veel – de flashbacks sturen de lezer naar allerlei uithoeken van hun levens – maar nog lang niet alles. Gaat Tromp vallen door de twee die achter hem aan zitten? Heeft Ludwig zijn vader gevonden en zitten ze op elkaar te wachten? En is Dolf inderdaad het derde deel van de sonate op het spoor? Voor de antwoorden moeten we wachten op deel 2 en 3.

Weet u al hoe het verder gaat?

“Ja, ik weet het precies, ook hoe het eindigt. Ik heb het tweede deel al voor driekwart geschreven. En voor deel 3 staat ook vast wat er moet gebeuren. Het verhaal is met dit eerste boek nog niet af, maar ik heb in dit deel wel een heel aantal verhaallijnen afgerond. Isabelle en Ludwig hebben allebei hun ontmoeting met Tromp gehad, je kent de jeugd van de pianist Dolf. Maar het is een trilogie. Ik heb ervoor gezorgd dat het nog vragen oproept voor de boeken erna. De compositie is zorgvuldig. Veel dingen, maar dat valt nu natuurlijk nog niet op, bereiden voor op zaken die nog gaan komen in deel 2 en deel 3.

“Een boek moet volgens mij dezelfde verteltechniek hebben als een gewoon gesprek. Stel dat ik jou iets ga vertellen over mezelf, dan begin ik ook niet met de dag van mijn geboorte, mijn eerste luier en dan de kleuterschool. Nee, dan vertel ik iets over de middelbare school en dan zitten we al in mijn tweede baan, want daar heb ik iets meegemaakt wat lijkt op wat ik in de klas hoorde. Dat associatieve, met flashbacks doorregen vertellen, terwijl tegelijkertijd het ‘nu’ verstrijkt, beviel me heel goed in Bonita Avenue. En nu weer. Ik kan eigenlijk niet anders, het gaat vanzelf. Maar het moet wel spontaan lijken, ondanks dat het wel degelijk gecomponeerd is.

“Niet dat alles al vastligt. Tijdens het schrijven verplaats ik nog heel veel. Sommige scènes stonden eerst in de volgende delen, maar heb ik naar voren gehaald, en andersom. Soms wil ik een snellere doorstroom in het heden of vind ik dat we te lang blijven hangen in het ‘nu’. Dan lijkt het beter om weer even terug te zakken in het verleden. Dat is overigens nog een heel gedoe, dat verplaatsen. Want het moet allemaal kloppen en weer aan elkaar gehecht worden.”

Beeld Mark Kohn

Duurde het daarom nog een half jaar langer voor het boek af was?

“Nee, dat had vooral te maken met dat sommige scènes nog te weinig spankracht hadden. Ik heb op alle fronten nog dingen veranderd. Ik was gewoon nog niet klaar.”

Toch leest het boek alsof het schrijven vanzelf ging. De taal kolkt en bruist en de metaforen buitelen over elkaar heen.

“De beeldspraak, daar moet ik altijd wel even op zitten, hoor. Soms rolt het tevoorschijn, maar meestal niet. Was het maar zo. Schrijven is moeizaam, op allerlei manieren. Hoe dikker het boek wordt, hoe moeilijker om het overal op spanning te houden, qua stijl, ontwikkeling, wendingen, noem maar op. Ik heb er hard aan gewerkt. Ik hoop niet voor niks.”

U hebt weleens gezegd dat u een hekel hebt aan al die anti-helden in de Nederlandse literatuur. Maar deze Ludwig Smit lijkt er toch op.

“Ja, absoluut. Hoewel hij nog niet klaar is, hè. Maar in dit boek is hij een schlemiel die tot zijn spijt steeds in een ambitieuze omgeving terecht komt. Heel tragisch eigenlijk. Eerst dat talentvolle stiefbroertje en –zusje, een topgezin eigenlijk, daarna komt hij te werken bij Shell, waar het ook vrij competitief is. Hij is een schlemiel die gedwongen wordt zich te handhaven. Dat vind ik interessanter dan eentje die met een krat bier drie hoog achter in de Schilderswijk gaat zitten gamen of zo. Na Frits van Egters is dat toch niet meer te overtreffen.”

In het boek hebben beide hoofdpersonen een obsessie voor de Shell-man Tromp. Is hij de Nederlandse Trump?

“Nee, hij heette al Tromp voor Trump voor ons in Europa in beeld kwam. Ik heb nog even overwogen om hem om te dopen. Maar ik vond het eigenlijk wel leuk dat die associatie langzaamaan ontstond. Ze hebben wel iets gemeenschappelijks, Tromp en Trump.

“Wat ik interessant vind aan de man is dat hij seksueel heel anders in elkaar steekt dan Ludwig. Door een klein fysiologisch verschil zijn hun levens heel anders verlopen. Ludwigs kijk op zijn leven, hoe hij zich opstelt bij sollicitaties, hoe hij blijft hangen in een helemaal niet zo vrolijke relatie hangt daarmee samen. En andersom heeft Tromp aan zijn seksualiteit zijn assertieve, agressieve manier van doen te danken. Hij is zo afgedreven van een normale seksuele omgang dat hij langzaamaan geperverteerd is. Hoe dat komt, vertelt het verhaal nog niet.

“Nee, het boek is geen aanval op het neo-liberalisme. Wat je wel eigentijds kunt noemen, is dat er een #MeToo-achtig sfeertje in zit. Er zit een feministe in het boek die het modernste standpunt verwoordt. Dat zat er overigens al in voor de discussie erover ontstond.”

De seks in het boek is extreem, sado-masochistisch. Als Isabelle vijftien is, vindt ze bij haar grootvader een boek van De Sade. Is gewone seks niet interessant genoeg meer voor de literatuur?

“Het gaat me niet om de seks, maar om Isabelle die op veel te jonge leeftijd op een onaangename manier ontdekt hoe Tromp is. En hoe ze langzamerhand daar andere ideeën over krijgt.

“Een van de thema’s in het boek is dat mensen zich steeds opnieuw uitvinden, met een nieuwe naam. Er zitten heel wat gedaanteverwisselingen in. Hoe mensen zich presenteren is niet altijd hetzelfde. Ook gaat het veel over het feit dat de hemel voor de één de hel voor de ander is. Dat zie je bijvoorbeeld bij overspel en bij De Sade. Overigens vond ik zelf ook op mijn vijftiende dat boek in de kast bij mijn grootouders, tussen de Konsaliks. Dat was twintig jaar voor ‘Fifty Shades of Grey’. De Sade zelf tweehonderd.”

In Tromp ziet Ludwig zijn biologische vader. U vertelde in een interview in deze krant in 2012 dat u net uw eigen biologische vader had ontmoet. Heeft dat invloed gehad op het boek?

“Nee, ik heb weleens gedacht: mijn biologische vader zal misschien denken dat dit onderdeel in het boek met onze ontmoeting te maken had. Maar ik was toen al lang met het boek bezig. Als hij het leest zal hij meteen inzien dat het weinig met onze levens te maken heeft. Alleen in abstractie, heel in de verte.”

Otmars zonen speelt zich af in de realiteit. We zitten bij Shell aan tafel bij Jeroen van der Veer. Dolf heeft les van de beste pianopedagoog van Nederland, Jan Wijn, die ook de broers Jussen lesgeeft. In Sakhalin voelt de kou tijdens de taxirit realistisch aan. Hebt u daar veel research voor gedaan?

“Als je je afvraagt, waarom het zo lang duurde voor het boek af was: ik heb heel veel research gedaan, want het moest wel echt lijken, vond ik. Mijn standpunt was dat Arthur en Lucas Jussen niets op de muziekwereld die ik oproep aan te merken moesten hebben. Ze hebben het gelezen en het klopte allemaal. Ik heb een goede vriend met een hoge positie bij Shell, die heb ik niet één, maar wel vijftien keer gesproken. Over Sakhalin heb ik dozen archiefmateriaal gekregen van iemand die daar een Engelstalige krant heeft geleid: plattegronden, interviews, temperatuurschalen, foto’s. Nee, ik ben nergens heen geweest, ik heb hier gezeten, in deze stoel. Geen vakanties, nee.

“De eerste zin van dit boek schreef ik al in 2010. Maar de eerste twee jaar van schrijven kun je helemaal wegstrepen. Ik moest optreden voor Bonita Avenue, ik schrijf columns voor de Volkskrant en ik heb ook wat relatietoestanden gehad. Bij elkaar heb ik denk ik zes jaar aan dit boek gewerkt. Zo’n dik boek hoest je er niet even uit.”

Had het niet compacter gekund dan een trilogie van 1800 bladzijden?

“Nee, helemaal niet. Dit is mijn boek.”

Uitgever Robbert Ammerlaan heeft wel eens gezegd dat u de ambitie hebt een boek te schrijven dat niemand anders kan schrijven.

“Dat is vleiend geformuleerd, maar niet mijn doelstelling. Elke roman is een roman die niemand anders kan schrijven, dat is de definitie van literatuur. Ik zal je vertellen wat voor boek ik wilde schrijven: een boek dat ik zelf wil lezen. Kennelijk hou ik van dikke boeken.”

Ammerlaan zei er achteraan: die ambitie is zijn valkuil.

“Wie zal het zeggen?”

Is het spannend, dat nu de recensies gaan komen?

“Ja, dat vind ik wel een beetje spannend. Ik heb niet zoveel aan een boek dat alleen ik goed vind. Wat een goed boek is, wordt niet door mij in mijn eentje bepaald. Ik vind het wel degelijk interessant wat critici erover te zeggen hebben, al beïnvloedt het mijn schrijven niet direct. Maar literatuur en literaire kritiek hebben elkaar nodig. Als er geen reflectie is en niemand zich erover uitlaat, sterft de literatuur een snelle dood.”

Lees ook:

Peter Buwalda - Er is geen hoger plan, een geruststellend idee

Peter Buwalda debuteerde in 2010 met de roman ‘Bonita Avenue’. In 2012 sprak hij met Arjan Visser in de interviewreeks De 10 geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden