Klassiek & Zo

De naam van Christus ontbreekt in requiem voor de achterblijvers

Sopraan Carolyn Sampson en bariton André Morsch na afloop van de voorstelling.Beeld Foto_Hans_Hijmering

Er is geen ander requiem dat mij meer getroost heeft en nog steeds troost dan 'Ein deutsches Requiem' van Johannes Brahms. Waar dat aan ligt? Misschien aan de humanistische inslag van het zevendelige werk, waarin - opvallend - de naam van Christus niet één keer wordt genoemd. 

Misschien aan het feit dat het geen dodenmis is voor de doden, maar voor hen die achterblijven. De eerste regel van het door Brahms zelf samengestelde werk spreekt wat dat betreft boekdelen: 'Selig sind, die da Leid tragen, denn sie sollen getröstet werden'. Troostrijke woorden, magistraal opgetild door de muziek van Brahms.

Ik ervoer die troost maximaal en aan den lijve bij een uitvoering van het Rundfunkchor Berlin in Parijs, drie jaar terug. Het was een idee van choreograaf Sasha Waltz en haar man om de koorleden tussen de toeschouwers te laten bewegen. Op blote voeten in de concertzaal lopend (schoenen uitdoen was verplicht), begreep ik dat pas toen het begon. Een eveneens blootvoetse sopraan legde haar hand op mijn schouder en zong - louter voor mij, zo leek het - 'Sie sollen getröstet werden'. Ik kreeg vrijwel direct een enorme huilbui, en moest even aan de rand van het gebeuren gaan zitten om me te herpakken.

Brahms was een dertiger toen hij zijn 'menschliches Requiem' (zo wilde hij het eerst noemen) componeerde. Helemaal niet de oudere man met die ontzagwekkende baard zoals hij op het hoesje van mijn favoriete opname van het werk (met John Eliot Gardiner) staat afgebeeld. Een niet onknappe man was het, zijn vier symfonieën lagen nog in het verschiet. Na het uitgefloten Eerste pianoconcert was dit zijn eerste grote werk voor orkest en koor. De eerste drie delen gingen in première in 1867 in Wenen, op Goede Vrijdag 1868 was er in Bremen de eerste uitvoering van de zesdelige versie, een jaar later gevolgd door de complete versie in Leipzig.

Deze week waagde het Orkest van de 18de Eeuw zich eraan. Onder wijlen hun leider en oprichter Frans Brüggen was Brahms' muziek onbespreekbaar, want immers niet 18de-eeuws. Maar Brahms' goden waren Haydn, Mozart en Beethoven, hij was dol op de klank van de natuurhoorn en hij bestudeerde oude muziek van Schütz. Dus zo gek is het niet dat het Orkest van de 18de Eeuw zich aan Brahms waagt.

Ik hoorde het resultaat donderdag in Amsterdam. Samen met het waanzinnig zingende Cappella Amsterdam kwam daar onder leiding van Daniel Reuss een uitvoering tot stand om niet licht te vergeten. De specifieke, breekbare kleuren van het authentieke instrumentarium klonken betoverend, mengden optimaal met de strakke stemmen van het 40-koppige koor. Dat overtrof zichzelf in het zesde deel als Brahms de hemel openscheurt bij 'Hölle, wo ist dein Sieg'. En een koor dat de klank in het laatste deel zo beeldschoon en spatzuiver kan laten rusten op het woord 'ruhen' is een topkoor. Sopraan Carolyn Sampson en bariton André Morsch voegden zich naadloos in dit superieure niveau.

Een magistrale uitvoering was het, die met behulp van crowdfunding (op voordekunst.nl kunt u doneren) hopelijk ook op cd zal verschijnen. Een perfect troostende uitvoering, ontdaan van alle ballast zoals Reuss beloofde. Mag ik voor de hoes van die pracht-cd een Brahms voorstellen, ontdaan van die ontzagwekkende baard?

Lees alle columns van Peter van der Lint in ons dossier van Klassiek & Zo.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden