Review

DE MYTHE VAN EL DORADO: EEUWIG, MAAR ANDERS

Maarten Steenmeijer: Mythenbouwers van de Nieuwe Wereld. Wereldbibliotheek, Amsterdam; 192 blz. - ¿ 34,50. Robert Lemm: Eldorado, Werkelijkheid en droom. De Arbeiderspers, Amsterdam; 160 blz. - ¿ 29,90. Albert Helman: Kroniek van Eldorado, deel 1 'Folteraars over en weer, deel 2 'Gefolterden zonder verweer'. Globe-pockets, resp. 567 en 439 blz. - ¿ 15. Homero Aridjis: De heer der laatste dagen. Vert. Aline Glastra van Loon. Meulenhoff, Amsterdam; 288 blz. - ¿ 45. Jaime Bayly: Tegen niemand zeggen. Vert. Arie van der Wal. Nijgh en Van Ditmar, Amsterdam; 422 blz. - ¿ 49,90.

ILSE LOGIE

Bij nader inzien is deze ruime interpretatie van het boekenweekthema geen bezwaar, aangezien de term 'El Dorado' een vlag is die meerdere ladingen dekt. In twee woorden gespeld is het de benaming voor de goudkoorts in het algemeen en voor de legende van de vergulde man en het hiervan afgeleide goudland in het bijzonder. Mettertijd (en aan elkaar geschreven) groeide het begrip ook uit tot een metafoor van het aards paradijs.

In zijn essaybundel 'Mythenbouwers van de Nieuwe Wereld' toont Maarten Steenmeijer met kennis van zaken aan hoezeer mythe en werkelijkheid sinds de prille ontdekking van het Latijnsamerikaanse subcontinent met elkaar verweven zijn. De kronieken van de veroveraars zagen er al uit als lappendekens van empirische feiten en fictieve interpretaties. Niet voor niets riep García Márquez het scheepsjournaal van Columbus uit tot “het eerste magische werk uit de Caribische literatuur”. Het besef dat een rigoureuze boedelscheiding tussen geschiedenis en wishful thinking onhaalbaar was, zou een constante blijven in de Latijnsamerikaanse literatuur, en de voedingsbodem vormen voor de 'nueva novela', de nieuwe roman, die vanaf de jaren zestig de wereld veroverde.

In deze schemerzone tussen ware en vermeende gebeurtenissen hoort ook het 'El Dorado'-verhaal thuis. De belangrijkste drijfveer achter tal van ontdekkingsreizen was nu eenmaal de goudkoorts, een mengeling van ordinaire hebzucht en verheven beeldspraak. En wanneer de conquistadores zelf niet echt tuk waren op het edele metaal, moest het als lokaas dienst doen voor hun geldschieters.

Maar het 'El Dorado' dat de gemoederen voorgoed zou beroeren, kreeg pas vanaf 1535 gestalte en berustte op een semiotisch misverstand. Op een ogenblik dat de Spanjaarden al ongelooflijke schatten aan goud hadden binnengehaald, werd van een Indiaan het verhaal opgetekend over een 'gulden man', een voormalig priester die zich bij toortslicht in een meer onderdompelde tot het stofgoud waarmee hij zijn lichaam had ingestreken was afgespoeld en naar de bodem gezonken, waarna hij uit het water verrees en door zijn volk werd gehuldigd.

Het verhaal bevatte een kern van waarheid, maar werd door de Indianen vooral aangegrepen om de Spanjaarden van zich af te schudden. De list werkte. Van toen af begon het geestdriftige zoeken naar dat land waar het goud zo overvloedig aanwezig was dat het verspild kon worden. Eerst dacht men dat het in Colombia en Venezuela lag, maar naderhand schoof het in oostelijke richting op naar de Guyana's.

Over dat Groot-Guyana - een gebied dat ruwweg tussen de reuzenrivieren Orinoco en Amazone ligt - schreef Albert Helman een meeslepende en schitterend gedocumenteerde kroniek (bijgewerkte heruitgave van zijn 'Foltering van Eldorado' uit 1983), waar de zoektocht naar het goudrijk als een rode draad doorheen loopt.

Ook al weet Helman dat de oorspronkelijke volkeren weinig idyllisch met elkaar omgingen, toch kiest hij hun kant omdat zij weerloos waren en de blanke bezetters arrogant, boosaardig en zozeer doordrongen van een dubbele moraal dat er een regelrechte genocide van kwam. Helmans ingehouden woede contrasteert opvallend met de zalvende toon die Robert Lemm in 'Eldorado' aanslaat. In dit essay zet Lemm de verdiensten in de verf van een handvol jezuïeten, die zich met grote beschavingsijver over de Indianen van Paraguay en Brazilië ontfermden. Zelfs al konden deze geestelijken de schade enigszins beperken, hun inzet kan bezwaarlijk de hele Europese conquista, met haar verreikende gevolgen en nog steeds scheefgetrokken machtsverhoudingen, vergoelijken. Over de hedendaagse Latijnsamerikaanse literatuur doet Lemm dan weer onterecht schamper.

Zijn 'El Dorado'-kroniek boeit daarentegen wel. Vooral tussen 1530 en 1600 werden kosten noch moeite gespaard om het goudland op te sporen. Verbijsterend hoogtepunt vormde het avontuur van de psychopathische vechtjas Lope de Aguirre, die zich van Spanje losscheurde. Maar de Spanjaarden waren lang niet de enigen. Ook Portugezen, Britten (sir Walter Raleigh), agenten van Duitse bankiershuizen en Nederlanders maakten van het lokaliseren van 'El Dorado' een topprioriteit. Velen schoten hier hun leven bij in, en wie terugkwam deed dat steevast met lege handen.

Volgens Lemm leeft het archetypische verlangen naar een volmaakte wereld diep in de mens. Dat beloofde land kan, binnen een dergelijk denkstramien, nooit samenvallen met de vertrouwde omgeving, maar bevindt zich per definitie in een kleurrijk elders, in een nostalgisch vroeger, in een christelijk of marxistisch later. Ieder van ons verkiest het sprookje boven de werkelijkheid, “steeds hetzelfde sprookje, maar telkens op en andere manier, liefst op een plaats die hij niet kent en waarbij hij zich nog van alles voor kan stellen.”

Latijns-Amerika beantwoordt perfect aan dit beeld; het is westers genoeg om er je als Europeaan thuis te voelen, maar toch voldoende exotisch om de verbeelding te prikkelen. Het logische gevolg van zo'n redenering is wel dat de dromen die aan deze en gene zijde van de Atlantische Oceaan werden gekoesterd, haaks op elkaar stonden. Kwam voor de Spanjaarden het goud uit Latijns-Amerika, vele Latijnsamerikaanse intellectuelen verwachtten alle heil uit Europa. Zo bijvoorbeeld vrijheidsstrijder Simón Bolívar, wiens Panamerikaanse ideaal tot mislukken gedoemd was omdat het grotendeels terugging op geïmporteerd gedachtengoed.

Het overrompelende succes van de 'nueva novela' betekende niet automatisch dat er met dit dualistische patroon werd gebroken. Wel onderging de 'eldorado'-gedachte een spectaculaire gedaanteverwisseling, en bevatte deze literatuur de kiemen voor wat in latere decennia met het utopie-begrip zou gebeuren. De auteurs van de 'boom' in de jaren zeventig - vooral de grote vier García Márquez, Vargas Llosa, Cortázar en Fuentes - verwierpen bijvoorbeeld de complottheorie waaraan de heimatliteratuur met haar 'good guys' (inheemse bevolking) en 'bad guys' (alle anderen) zich op grote schaal had bezondigd.

Met frisse verteltechnieken gingen ze de leugenachtige officiële geschiedenis te lijf en vonden Latijns-Amerika als het ware opnieuw uit. De meesten onder hen konden echter de verleiding niet weerstaan om in hun boeken een paar nieuwe heilige huisjes op te trekken. Dat kon een politieke overtuiging zijn (Cortázars sympathie voor het communisme of, tot op vandaag, Vargas Llosa's pleidooien voor een rechtlijnig neoliberalisme), of een sterk geloof in de mogelijkheden van de literatuur (Fernando del Paso). Als de wereld niet deugde, lag dat aan de uitgeholde retoriek, aan de morele hypocrisie, aan de politieke structuren en dus volstond het de taal te herbronnen, met de vorm te experimenteren en de taboes te doorbreken om een beter Latijns-Amerika te grondvesten.

Het spreekt voor zich dat de gevierde kopstukken onverminderd doorgegaan zijn met schrijven. Wel valt op dat er zich ook bij hen een koerswijziging heeft voltrokken: 'Tante Julia en meneer de schrijver', 'Liefde in tijden van cholera' of 'De oude gringo' verschillen grondig van het eerdere werk van respectievelijk Vargas Llosa, García Márquez en Carlos Fuentes.

In een vaak aangehaald artikel verklaarde de Chileense auteur Antonio Skármeta, die zich zo'n beetje als spreekbuis van deze beweging heeft opgeworpen, dat de utopie voor hem niet langer hoefde, althans niet zoals die in de 'nueva novela' gestalte had gekregen. Hoezeer Skármeta zijn illustere voorgangers ook een warm hart toedroeg, hun literatuur met haar hooggespannen verwachtingen, haar obligate taalexuberantie en technische hoogstandjes, was voor hem een knellend keurslijf geworden. De roman die nog geschreven moest worden, zou de werkelijkheid niet alleen veel dichter op de huid zitten, hij mocht er ook niet meer zo tobberig uitzien.

Skármeta's voorzichtige optimisme kan verbazing wekken, aangezien van de dromen uit de jaren 60 bitter weinig terecht kwam. Maar hierom is de Chileen niet echt rouwig, want wat hij en zijn generatiegenoten van de utopieën te zien kregen, voorspelde weinig goeds. Vandaar ook dat deze auteurs evenmin aansluiting zochten bij atypische, existentialistisch getinte 'nueva novela'-vertegenwoordigers als Onetti of Sábato. Wie geen illusies heeft, wordt ook niet zo snel wanhopig, en blijkbaar hebben Skármeta en de zijnen alle hersenschimmen omtrent zuiverheid en ideale samenlevingsvormen opgeborgen.

De literaire agenda ziet er anno 1996 dan ook weinig ambitieus uit. De auteurs sturen hun personages het drijfzand in dat werkelijkheid heet, en vervolgens proberen die zich zo goed en zo kwaad als het kan staande te houden. De romanfiguren zijn jong, vitaal en vrijmoedig. Opgegroeid met veel pop, film en media, eisen ze hun deel van de koek op. Ze hebben een sterk ontwikkeld gevoel voor humor en zijn vertrouwd met de gedachte dat leven en kunst ongemerkt in elkaar overvloeien. Hoogdravende romantiek is niet aan hen besteed, aangezien die - zoals Donoso het ooit grinnikend uitdrukte - gegarandeerd uitloopt op een 'coïtus interruptus'. 'El Dorado' komt, kortom, nauwelijks nog op hun wereldkaart voor. Zo dit begrip de eeuwen al trotseerde, heeft het dat alleszins in een flink afgeslankte vorm gedaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden