Review

De muur begint te fluisteren

Leo Pleysier houdt van stilte. Een geïsoleerd bestaan op het Vlaamse platteland biedt de rust om heel goed te luisteren naar de taal zelf, en om heel precies te formuleren: ,,De regendruppels zijn zo groot en zo dik dat ze elkaar raken, zelfs nog vooraleer ze op de grond zijn neergekomen.''

Leo Pleijsier is niet een schrijver die graag op de voorgrond treedt. Toch moet hij sinds het succes van 'Wit is altijd schoon', de ontroerende monoloog van een dode moeder, steeds vaker verschijnen, vragen beantwoorden, in de publieke belangstelling staan. Al dit soort aandacht zal hem zwaar vallen, want uit zijn nieuwste boek 'De dieven zijn al gaan slapen', dat beschouwd kan worden als een gefragmenteerd zelfportret, valt op te maken dat hij het liefst ongestoord thuis zit te werken, of niet te werken.

Al meteen in het begin komt er een fotograaf op zijn erf, die hem voor de krant moet portretteren. Pleysier legt uit dat zodra een camera op hem wordt gericht alle leven uit hem lijkt weg te trekken. Het is een voorbeeldige opmaat tot een boek, waarin de schrijver zichzelf, van buiten en van binnen, probeert af te beelden, en ook de wereld om hem heen. Ook het onder woorden brengen heeft de neiging alles te fixeren en levenloos te maken, dus er moet veel aandacht worden besteed aan de manier waarop, aan de woorden waarmee de schrijver zich uitdrukt.

Zo op het eerste gezicht bestaat het boek uit honderden korte fragmenten, die van diverse aard zijn en min of meer associatief met elkaar in verbinding staan. Bij nader inzien maakt Pleysier toch een heel mooie en listige beweging, aanvankelijk van zichzelf af, maar ten slotte juist naar zichzelf toe. De hoofdstuktitels geven een duidelijke aanwijzing voor deze compositie: het begint met het uiterlijk van de hoofdpersoon, Pleysier, en stapt dan over naar de familieleden, jong en oud, ver en nabij. Daarna komen huis en tuin aan de orde, de dichtbije wereld waarin het eigen leven zich afspeelt en zich spiegelt. Vervolgens krijgt de buitenwereld, van het dorp, van het land, van de wereld, de nodige aandacht. En dan keren we weer terug naar Pleysier en gaat het achtereenvolgens over schrijven en lezen, spreken en zwijgen en, het korte slothoofdstuk, over het onuitsprekelijke.

Deze drie hoofdstukken, eenderde deel, vormen de kern van het boek. Ze handelen over taal, maar dat is niet verbazingwekkend voor een schrijver die zich er scherp van bewust is dat zijn materiaal uit taal bestaat. In dit boek schrijft hij zelfs: ,,Mijn romans zijn slimmer dan ik zelf ben. Omdat taal hun onderwerp is. En omdat taal groter is en ook slimmer dan ik ben. Taal overstijgt mij. Taal neemt het over van mij.'' Natuurlijk, dit is typisch de mening van een schrijver en de lezer hoeft niet te vrezen dat hij een boek over taal krijgt te lezen. Het gaat erom dat alles wat Pleysier onder woorden brengt gewikt en gewogen is.

Om die zuiverheid van formulering, geheel iets anders overigens dan ondubbelzinnigheid, is Pleysier dikwijls geprezen. Ook nu weer hebben zijn waarnemingen, bespiegelingen, gespreksfragmenten, herinneringen, citaten, notities een kracht die zeldzaam is en intens. Nooit meer woorden dan noodzakelijk is en alleen als het noodzakelijk is meer woorden. Een willekeurig voorbeeld:

,,Maar nu regent het zo hard dat er in de lucht zelfs geen plaats meer overblijft tussen de neervallende druppels. De regendruppels zijn zo groot en zo dik dat ze elkaar raken, zelfs nog vooraleer ze op de grond zijn neergekomen. Dat is het dus wat er nu ook letterlijk aan de gang is, kijk maar: stortregen, een wolkbreuk, het regent dat het giet, het regent pijpe-stelen, het regent oudewijven, de regen valt met bakken naar beneden.''

Pleysier houdt van opsommingen, omdat opsommingen mooi van taal zijn. Vlak hiervoor gaat het in een paar fragmenten over wolken en boeken over wolken, en dan volgt: ,,Een boek met de kleuren van de wolken: daar kijk ik toch ook wel naar uit. Granaatrood. Nachtzwart. Grauwwit. Parelgrijs. Paillegeel. Vlasgeel. Roetbruin. Goudbruin. Loodbleek. Zilverblauw.'' Prachtige woorden. Pleysiers leraar Nederlands, die zijn opstel van hoog niveau voorleest, vervangt de opsommingen erin door 'et cetera': ,,Ook had ik mijn tekst opgesmukt en geritmeerd met litanietjes die ik gemaakt had door het opsommen (in het Latijn) van de namen van verschillende bloemen- en plantensoorten. En uitgerekend die Latijnse litanietjes leest de leraar nu niet voor. Terwijl ikzelf ze het mooiste en het bijzonderste van mijn heel opstel vind.''

Een boek als 'De dieven zijn al gaan slapen' (uitspraak van zoon als hij ziet dat de lichten in de strafinrichting al uit zijn) is boordevol en tegelijk open. Het springerige en associatieve karakter van opzet in fragmenten maakt de lectuur tot een verrassende aangelegenheid. Je vervelen is er niet bij. En het portret dat Pleysier van zichzelf geeft ligt verspreid over honderden stukjes, die expres niet aaneen zijn geschreven, want dan zou het leven eruit verdwenen zijn. Zo lezen we dat hij spijt heeft zijn oren bij de dokter te hebben laten uitspuiten, want alle herrie die het platteland maakt, dringt nu tot hem door. Dit is typerend. En ook: ,,Mijn aandacht voor small talk: de mensen zeggen vaak meer dan ze eigenlijk willen zeggen. En soms zeggen ze het dan ook nog eens veel mooier dan ze zelf in de gaten hebben.''

Versnippering is alleen ogenschijnlijk in dit boek: alles is waargenomen, gehoord, gekozen, geschreven door Pleysier, de bindende factor. Hij is een man die van rust en stilte houdt, een gezins- en familieman, die zich nochtans graag terugtrekt en zijn karaktereigenschappen koestert die hem bij het schrijven goed van pas komen: koppigheid, afstandelijkheid, solipsisme. Een man die en passant meedeelt antidepressiva te gebruiken. Die de dood betreurt van Daniël (Robberechts), omdat hij nu al tien jaar diens commentaren op uiteenlopende onderwerpen node mist. Een man die nog het liefst niet zou willen praten en geen gepraat zou willen horen:

,,Soms, wanneer eindelijk de mensen zwijgen en stil zijn, kan je de dingen en de voorwerpen (waarmee de mensen zich omringd hebben of hadden) horen praten. Ze hebben veel te vertellen. (Een banale kleerkast wordt dan een klankkast. Een straat weerklinkt op zestien sporen tegelijk. De muur begint te fluisteren.)''

Een dergelijke sensibiliteit ten aanzien van de zichtbare en hoorbare werkelijkheid, plus een fijne taalgevoeligheid, blijkt uit elke bladzij van dit boek. Het sluit naadloos aan bij het vorige werk en is van hetzelfde, hoge, niveau. De sussende titel, 'De dieven zijn al gaan slapen', suggereert een angst voor inbraak in het eigen leven, een inbreuk op privacy. ,,Al van kindsbeen heb ik het gevoel dat ik ook op het minste alert moet zijn en dat ik mijn post geen seconde mag of kan verlaten.'' Vandaar dat het onuitsprekelijke aan het slot van het boek een beeld is van volslagen vrede en gelukzaligheid, een zwijgende aanwezigheid, met de wereld samenvallend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden