Review

De man die kon huilen om de geschiedenis

Over de man wiens werk hem sterk heeft beïnvloed – de bijna honderdjarige Claude Lévi-Strauss – schreef Ton Lemaire een uitstekend boek.

Over het leven en werk van de Franse antropoloog en filosoof Claude Lévi-Strauss hangt iets van een avondschaduw en dat niet zozeer omdat hij komende november zijn honderdste verjaardag hoopt te vieren.

Ruim vijftig jaar geleden publiceerde hij het boek dat hem beroemd zou maken, ’Tristes Tropiques’ (vertaald als ’Het Trieste der Tropen’), waarin hij bijna acht bladzijden lang een zonsondergang beschrijft die hij waarneemt vanaf een boot op weg naar de tropen. Die zonsondergang is metafoor voor de ondergang van culturen. Zelf heeft hij nog verschillende indianenculturen in de Braziliaanse Mato Grosso bestudeerd die nu niet meer bestaan. Het trieste van de tropen is dat indianenstammen er even goed sneuvelen als inheemse plantensoorten onder oprukkende houtkap en rubberplantages die commercieel gezien vruchtbaarder zijn dan maagdelijk oerwoud.

Ooit hebben wij, het Westen, de Hof van Eden niet langer aan het begin van ons bestaan gedacht maar het paradijs naar de toekomst verplaatst: we gingen geloven in de moderne mythe van de Vooruitgang en ons denken werd zwanger van de Tijd die meester en maatstaf werd van ons handelen. Wij eigenden ons de geschiedenis toe – misschien moet je eigenlijk zeggen dat we de geschiedenis hebben uitgevonden – als het succesverhaal van de toenemende doorgronding en beheersing van de natuurlijke werkelijkheid en brachten de ’ontwikkeling’ in de wereld.

In de tropen ontmoette Lévi-Strauss een andere werkelijkheid: stammen die zich nog op de drempel van de Steentijd bevonden en daarom nog niet door de Tijd werden getekend en geketend. Hij bestudeerde er tribale structuren die zich uitdrukken in tijdloze mythen, waarover hij vier boekdelen publiceerde (’Mythologiques’). Die mythen vormen een soort van oer-grammatica waarin de grote problemen en vragen van de mens, zoals die van leven en dood, het verschil tussen man en vrouw, verwantschappen en tegenstellingen, op verhaal komen in vertellingen over bloedschande en broedermoord, heldendom en oeroude wijsheid. Eigenlijk zijn die mythen de stem van ’het wilde denken’ (’La pensée sauvage’, ook een befaamd boek van Lévi-Strauss).

Dat ’wilde denken’ is niet het denken der wilden, maar een kennen van de werkelijkheid dat nog zeer dicht bij de zintuiglijke waarneming en verbeelding blijft, anders dan ons ’gedomesticeerde’ en verwetenschappelijkte denken dat de dingen analyseert en aan de band legt van abstracties en begrippen. Het is ook niet zo dat het gedomesticeerde denken volgt uit en op het wilde denken; dat zou een historische ontwikkeling en vooruitgang impliceren waar Lévi-Strauss niet in gelooft. Veel meer zijn het verschillende strategieën om met de werkelijkheid om te gaan.

Dat denken, wild of gedomesticeerd, is zelf verworteld in de natuur waarvan het de reflectie is. Voor Lévi-Strauss zijn natuur en geest één. Dat is een gedachte die je ook bij Hegel tegenkomt, maar die daar een sterke historische component heeft: de geschiedenis is de ontplooiing van de Geest. Daar wil Lévi-Strauss natuurlijk niet aan. Eigenlijk zit hij veel dichter bij Spinoza, en alhoewel Lemaire het vermoeden uitspreekt dat die van invloed is geweest, laat hij het bij die opmerking. In een Nederlands boek over Lévi-Strauss zou een nadere vergelijking natuurlijk wel interessant zijn, net als een vergelijking met wat Jan Romein schreef over het Algemeen Menselijk Patroon waarop het Westen in de moderne tijd de uitzondering is gaan vormen.

Die opmerkingen doen echter niets af aan de manier waarop Lemaire zijn eigen weg naar Lévi-Strauss heeft gevonden. Die weg begint nogal eens in de periferie, bij onderwerpen zoals de betekenis van muziek, literatuur en kunst voor Lévi-Strauss, maar komt altijd wel uit op de hoofdwegen van zijn denken. Lemaire heeft dit boek niet bedoeld als overzichtswerk; daarvan zijn er al zoveel geschreven. Maar vanuit de periferie komt de plattegrond toch wel in beeld. En daarom is dit laatste boek van Lemaire toch goed bruikbaar als introductie tot het denken van Lévi-Strauss.

Lemaire heeft dit boek overigens evenmin bedoeld als een intellectuele biografie want die is vanzelfsprekend ook al geschreven. Dit boek is eerder een saluut aan de denker die (naast misschien Rousseau) wellicht de grootste invloed heeft uitgeoefend op Lemaire. Wie hem in zijn boeken heeft gevolgd (zie kader) kon vermoeden dat hij ooit uitvoeriger over Lévi-Strauss zou schrijven dan hij eerder al in zijn verschillende boeken deed. In zijn inleidende hoofdstuk erkent Lemaire dat hij ’in vrij hoge mate’ door de denkbeelden van Lévi-Strauss werd beïnvloed. Daar heeft hij zich nooit van kunnen losmaken en dat heeft hij ook nooit gewild; daarom is dit boek er gekomen.

Lemaire slaagt erin je deelgenoot te maken van het gevoel van weemoed en verlies. Afgelopen mei stonden de kranten vol met verslagen over een onbekende indianenstam in het Amazonegebied en met foto’s van indianen die pijlen afschieten op een overdenderend vliegtuigje. Iemand van het regeringsorgaan voor indianenzaken vertelde dat indianen bij het eerste contact met blanken sterk en trots zijn.

Twee jaar later weten ze dat die blanken de voorhoede waren van een overweldigend aantal; hun zelfrespect is verdwenen en ze tonen zich lamgeslagen. Toen in 1968 bekend werd dat een dergelijk bureau voor indianenzaken zich schuldig had gemaakt aan misdaden jegens de indianen die het geacht werd te beschermen, zou Lévi-Strauss hebben gezegd dat hij wel kon huilen over het feit dat er geschiedenis bestaat.

Het verdriet van de tropen begint waar de tijd zich meester van de werkelijkheid maakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden