Essay

De Luizenmoeder toont ons hoe precair dehumaniserende humor is

Juf Ank uit ‘De Luizenmoeder’. Beeld AVROTROS

Voor de Maand van de Filosofie (thema: ‘Ik stuntel, dus ik ben’) schreef cabaretier Tim Fransen (1988) ‘Het leven als tragikomedie. Over humor, kwetsbaarheid en solidariteit’. Dit essay is een fragment uit dit boek.

Iemand glijdt uit over een bananenschil. Lachen we dan uit leedvermaak, of om onze eigen kwetsbaarheid? Ziedaar het verschil tussen dehumaniserende en humaniserende humor.

In mei 2017 bevond ik me in de Russische stad Kaliningrad. Na het graf van filosoof Immanuel Kant te hebben bezocht - het doel van mijn reis - streek ik neer in een lunchtent. Aan een tafel verderop zat een corpulente meneer met een groot glas bier. Laten we de man Alberto noemen. Ik zag hem een paar keer in mijn richting kijken en na een tijdje duwde hij zijn telefoon in mijn handen. Op zijn telefoon verscheen een filmpje. Alberto keek triomfantelijk toe terwijl ik het filmpje bekeek.

Op het telefoonscherm zag ik een dikkige man buiten op een plein in een kort T-shirt. Een tengere man hielp hem zijn armen in zijn eigen mouwen te stoppen, zodat zijn armen enigszins verstrikt zaten. De dikke man volgde lijdzaam de instructies op, met een verwachtingsvolle glimlach, en ook als kijker denk je dat er misschien een soort truc zal volgen. Toen trok plotseling de tengere man de broek van de dikke man naar beneden, waardoor die ineens in zijn blote pielemans stond. Zijn armen zaten verstrikt in zijn shirt, dus hij kon zijn broek niet omhoog hijsen. En zo stond hij daar een paar volle seconden piemelnaakt en machteloos, zijn schaamte verhullend, schaapachtig te lachen naar de camera.

Ik lachte en gaf de telefoon terug aan Alberto. Met veel moeite kon de man duidelijk maken dat hij uit Kazachstan kwam, en dat hij er net een autorit van vierduizend kilometer op had zitten. Hij zocht overduidelijk contact, maar hier zat ik niet bepaald op te wachten. Niet alleen omdat ik geen Russisch spreek en Alberto amper Engels, maar vooral omdat Alberto al behoorlijk dronken leek. In een poging het contact af te wenden ging ik ostentatief een boek lezen. Alberto interrumpeerde een paar keer, vaak met iets dat ik niet begreep.

Na de derde of vierde poging viel Alberto in slaap met zijn onderkin op zijn borst.

Universele humor

Het filmpje bleef me bezighouden, van de man die voor lul werd gezet. Ik vond het fascinerend dat iemand van de andere kant van de wereld, uit een land waar ik niks van afwist en met een totaal andere geschiedenis, mij een humoristisch filmpje kon laten zien en ik het meteen als zodanig herkende. Ik zeg niet dat het van een verfijnde smaak getuigde, maar ik zag dat het grappig bedoeld was. Sterker nog, iets in mij vond het eigenlijk ook best grappig, tegen het geweten van mijn goede smaak in. En andersom vond ik het fascinerend dat Alberto, zonder iets van mij te weten, er zeker van kon zijn dat ik het als humor zou herkennen.

Dit illustreerde voor mij twee dingen. Ten eerste het universele aspect van humor; of beter gezegd, het soort humor waarvoor onze kwetsbaarheid (hier: de schaamte voor ons onderlijf) de voorwaarde is. Ten tweede dat universeel niet hetzelfde betekent als humaniserend.

Dat moet ik uitleggen. We kunnen op twee manieren lachen om de menselijke gebrekkigheid. Neem het iconische beeld van iemand die uitglijdt over een bananenschil. De ene mogelijkheid is dat we lachen omdat we iets van de klunzigheid in onszelf herkennen - ‘dat had mij ook kunnen overkomen’. In het gebrek van de ander herkennen we onszelf, of op zijn minst het menselijke ervan. In dit geval werkt humor humaniserend.

De andere mogelijkheid is dat we lachen uit leedvermaak. We grijpen het falen van de ander aan om ons superieur te voelen. We lachen om andermans schaamte en vernedering. En we lachen alsof het niets met onszelf te maken heeft. In dat geval werkt humor eerder dehumaniserend.

Kleine piemel

Het filmpje van Alberto neigde sterk naar het tweede. Want wat ik er misschien nog bij had moeten zeggen, en wat ongetwijfeld bijdroeg aan het humoraspect: de dikke man van het filmpje had een behoorlijk klein piemeltje. Het tekort van een kleine piemel maakt het natuurlijk extra grappig. Sterker nog, het vormde een cruciaal ingrediënt. Het filmpje was aanzienlijk minder grappig geweest als de broek naar beneden werd getrokken en de man een enorme penis zou blijken te hebben, de camera in zou kijken met een blik van: ‘Ja, ik wilde er zelf niet over beginnen, maar ik heb dus een enorme tampeloeres. Kijk maar even goed.’

Als ik het heb over de vorm van humor die kan helpen ons te verzoenen met onze gebrekkige conditie, dan heb ik het uiteraard over de humaniserende vorm. Immers, om te lachen vanuit medemenselijkheid moeten we eerst aan onszelf toegeven dat ook wij kwetsbaar zijn. Wie dat niet doet, vat het falen van de ander op als een bewijs van zijn eigen superioriteit, hij gebruikt andermans mislukking om krampachtig zijn eigen waan in stand te houden.

Cabaretier Tim Fransen. Beeld Mark Kohn

Toch verraadt ‘de onkwetsbare’ zichzelf met zijn leedvermaak. François de La Rochefoucauld (1613-1680), een filosoof met een messcherpe blik op de menselijke natuur, verwoordt het mooi: ‘Als we geen tekortkomingen zouden hebben, zouden we niet zo veel plezier beleven aan het ontdekken van tekortkomingen bij anderen.’

Hier heeft La Rochefoucauld iets cruciaals te pakken: het is omdat we zelf gebrekkig zijn, en weten wat het is om te falen, dat we er genoegen in scheppen als we het bij een ander zien. Dit betekent dat zelfs als we lachen uit een gevoel van superioriteit, we indirect onze eigen kwetsbaarheid verraden.

Sadistisch genot

Als we bijvoorbeeld onzeker zijn over de proporties van onze eigen pielemeuter kan de man van het filmpje ons doen schateren: ‘Ah, die van hem is alvast een stuk kleiner dan die van mij!’ Maar ook als we niet onzeker zijn over het formaat van onze penis (bijvoorbeeld omdat we vrouw zijn) kunnen we alsnog het gevoel van lichamelijke schaamte herkennen.

Ergens is dit hoopvol. Want als degene die zich superieur waant zou beseffen waarom hij of zij lacht - namelijk omdat hij of zij zelf ook kwetsbaar is - is er toch een kans tot solidariteit.

Arthur Schopenhauer - je weet wel, die van ‘de wereld is een hel’ - volgt een soortgelijke lijn. Hij stelt dat de reden dat we anderen leed toewensen is omdat we zelf lijden. In plaats van onze pijn te erkennen, tegenover onszelf en de ander, en op die manier ruimte te creëren voor troost en medeleven, kiezen we eerder voor het sadistische genot om de ander eveneens te laten lijden. Leedvermaak is in feite de passieve vorm van deze wrede neiging. Schopenhauer veroordeelt leedvermaak als ‘de slechtste trek in de menselijke natuur’, verwant aan wreedheid, de tegenpool van de bron van alle mensenliefde: medelijden.

Leedvermaak komt in meer en minder onschuldige vormen. Goedbedoelde plagerijtjes vallen hier überhaupt niet onder. Het gaat om een soort humor met kwade intenties, de intentie om te vernederen, dat we moeten veroordelen. Schopenhauer maakt duidelijk: in een wereld omgeven van tragiek is compassie op z’n plaats, en niet de vernederende lach van het leedvermaak.

Menselijke kwetsbaarheid

Hier stem ik volmondig mee in. Maar dit betekent wat mij betreft niet dat de mens erbij gebaat is om al het falen met een plechtige ernst te bezien. Pas als we onszelf de mogelijkheid ontzeggen om te lachen om onze mislukkingen, pas dan verwordt de wereld volgens mij tot een hel.

De kunst is dus het vinden van een vorm van humor die een verbond aangaat met Schopenhauers ‘mensenliefde’. Dat verbond noem ik humaniserende humor. Het vinden hiervan is makkelijker gezegd dan gedaan. Want die mogelijkheid hangt niet alleen af van het lachobject, maar ook van de manier waarop we ernaar kijken: we moeten ons durven overgeven aan onze eigen kwetsbaarheid. Alleen op die manier kan de kwetsbaarheid van de ander resoneren met die van onszelf. Zelfs als we ons niet herkennen in de specifieke manier waarop de ander tekortschiet of iets tragisch overkomt, dan nog kunnen we het gevoel van de fundamentele kwetsbaarheid herkennen; we herkennen onze eigen mogelijkheid om te falen.

In het geval van humaniserende humor zien we duidelijk dat de relativering maar de helft van het verhaal is. Het is namelijk een relativering en een confrontatie tegelijkertijd. De confrontatie bestaat uit een pijnlijke herinnering aan onze gebrekkigheid (‘shit, ja, zo zijn wij allemaal’). In die zin geeft de lach uitdrukking aan een zeker ongemak of onbehagen - misschien zelfs weemoed, als we de menselijke kwetsbaarheid écht onder ogen komen. Maar in de herkenning van de ander zit ook een troost (‘hè, gelukkig, ik ben niet de enige’). In die zin is humor als een stootkussen dat ons helpt een klap te incasseren.

De Luizenmoeder

Hoe fragiel deze vorm van humor is, illustreert de tv-serie De Luizenmoeder. In de eerste aflevering zat een grap waarbij juf Ank een zwarte vader aanziet voor schoonmaker. En de geadopteerde leerlinge Rianne noemt Ank het meisje ‘met die oogjes’. De reacties op de serie toonden precies de twee manieren hoe we kunnen lachen: humaniserend en dehumaniserend. Niet iedereen keek op dezelfde manier.

Aan de ene kant was er het kamp dat de humor ‘lekker politiek incorrect’ vond. AD-recensente Angela de Jong vond het ‘heerlijk om weer eens onbedaarlijk te schateren om grappen over huidskleur en spleetogen’.

In het andere kamp zat de actrice die juf Ank speelde, Ilse Warringa, tevens schrijfster van de serie. Zij vond dat wie ‘De Luizenmoeder’ een vrijbrief voor racisme vond, niet goed had gekeken, zei ze in de Volkskrant. “De humor zit hem niet in de racistische grap, maar in de situatie: in het ongemak van onbedoeld racistisch zijn. Het is toch niet: ‘Whoehaha, die zwarte man, dat is vast de schoonmaker! Proest.’ Nee, die Ank maakt een domme fout, en de mensen om haar heen denken: dat wijf is knettergek. Zo’n pijnlijke situatie is herkenbaar, en dát maakt het grappig.”

Juf Ank in De Luizenmoeder. Beeld Avrotros

De twee kampen hebben een verschillende opvatting over wie het slachtoffer is. De zwarte man is het slachtoffer van de opmerking van juf Ank, maar het slachtoffer van de grap is juf Ank zelf. Zij is degene die een gênante blunder begaat. Iedereen om haar heen heeft dat door, de kijker heeft dat door (als het goed is), alleen zijzelf niet. Juf Anks sociale onhandigheid staat te kijk en wij herkennen daarin gemakkelijk het menselijke.

De Luizenmoeder toont ons hoe precair dehumaniserende humor is. Misschien vergt hij wel een manier van kijken die niet vanzelf gaat, maar die we moeten leren.

Maar op de zeldzame momenten dat het slaagt, is deze vorm van humor een groots geschenk. Door de lens van het komische kunnen we onszelf en onze medemens zien als gebrekkige wezens die vroeg of laat ten val komen. Het legt onze destructieve en verwaande neiging tot superioriteit het zwijgen op, doordat het ons inpepert dat we uiteindelijk allemaal tot falen gedoemd zijn. Het struikelen, het sterven, het verval, dat is wat we met elkaar delen, dat is waar we elkaar in kunnen vinden. Humor biedt ons de mogelijkheid om die waarheid op een dragelijke, zelfs troostrijke manier onder ogen te zien; en hij is in staat een ruimte te scheppen waarin compassie ontstaat voor onze mede-mislukkelingen.

Tim Fransen (1988) sloeg een dubbele dubbelslag: hij studeerde af in de psychologie en de filosofie en won bij het Leids cabaretfestival in 2017 zowel de jury- als de publieksprijs. In zijn reisroman ‘Brieven aan Koos’ (2018) overpeinsde Fransen zijn gangen langs onder andere Kaliningrad (voor Kant) en Delft. Hij rondde net zijn theatertour af met de voorstelling ‘Het Kromme Hout der Mensheid’. Voor de Maand van de Filosofie (thema: ‘Ik stuntel, dus ik ben’) schreef Fransen: ‘Het leven als tragikomedie. Over humor, kwetsbaarheid en solidariteit’. Lemniscaat; 156 blz. € 4,95.

Lees ook:

Columniste Leonie Breebaart: Kun je nog grappen maken zónder iemand te beledigen?

Kun je nog grappen maken zónder iemand te beledigen? Websites als GeenStijl zien dat geloof ik als een retorische vraag, maar het is een vraag die antwoord verdient.

Lachen om racisme? Theatermakers George & Eran vinden dat dit gewoon moet kunnen

Grappen maken over racisme: dat is een heikele zaak. Maar in de voorstelling ‘George & Eran worden racisten’ gaan alle remmen los. Humor mag pijn doen, vinden George Tobal en Eran Ben-Michaël. “We moesten de grens opzoeken én er overheen gaan.Want daar zit de spanning.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden