Review

DE LIBERAAL IS EEN MAAKBARE KRAKER

Het kabinet-Den Uyl (1973-'77) gold lange tijd als symbool van de maakbare samenleving. Vooral de liberalen buitten dat beeld politiek uit. Het heette dat Den Uyl met zijn overspannen ambities de overheid had laten uitdijen tot een moloch die zich in zijn regelzucht overbelast. Het is tegen die achtergrond opvallend dat de VVD thans deelneemt aan een kabinet dat met zijn miljarden-investeringen in infrastructuur en zijn sociale beleid een nieuwe inhoud heeft gegeven aan de maakbare samenleving.

De voorgenomen investeringen in wegen, vliegvelden en spoorlijnen zijn de meest in het oog springende plannen waaruit de overtuiging spreekt dat de politiek richting kan geven aan de toekomst. Het kabinet-Kok heeft met die investeringen de ambitie Nederland stevig te verankeren als verkeersknooppunt van Europa. Minder uitgesproken maar even ambitieus zijn de doelen die het kabinet zich op sociaal vlak stelt. Achter allerlei dwingende maatregelen in de sfeer van sociale zekerheid, werkgelegenheid en migrantenbeleid gaat het streven schuil burgers op te voeden tot zelfstandigheid.

Werklozen worden sociaal geactiveerd via het stelsel van Melkertbanen en een herziening van de sociale zekerheid die is gericht op een herintreding op de arbeidsmarkt. Migranten krijgen met het inburgeringscontract de verplichting opgelegd zich onder deskundige leiding onze zeden en gewoonten eigen te maken. Jongeren worden met een harde aanpak van het spijbelen, opvoedingsondersteuning en werkkampen gevormd in deugdzaamheid.

Rode draad in deze maatregelen is dat de overheid weet wat goed is voor de burger. Zij gaat met die bemoeienis verder dan zij lange tijd heeft gedurfd. Onder invloed van de vrijmaking van de burger sinds de jaren zestig stelde de overheid zich terughoudend op, uit respect voor diens autonomie. De wending die zich heeft voltrokken houdt in dat de overheid duidelijker dan tevoren aangeeft waar de persoonlijke vrijheid haar beperking vindt in de plichten van een verantwoord burgerschap.

“De overheid bemoeit zich tegenwoordig weer met de mensen op een manier die nog niet zo lang geleden een storm van protest zou hebben ontketend. Waarom zou de staat mij zeggen hoe ik een nette burger ben? Dat zou de teneur van de kritiek zijn geweest”, zegt de politicoloog Jan Willem Duyvendak. Met zijn collega Ido de Haan is hij redacteur van het deze week gepresenteerde boek Maakbaarheid, een studie naar de actualiteit van de maakbare samenleving.

Ook de schaduwzijde van deze ontwikkeling wordt zichtbaar. Politici tonen in toenemende mate ergernis over geëmancipeerde burgers die gebruik maken van hun recht van verzet tegen nieuwe wegen, vliegvelden en spoorlijnen. In hun ogen zijn burgers die bezwaar aantekenen tegen de overheid lastpakken. Het heet dat zij, louter om hun eigen belang, de overheid belemmeren in haar daadkracht en slagvaardigheid. Deze politici pleiten daarom voor inperking van de mogelijkheden die de wet biedt om tegen overheidsprojecten in beroep te gaan.

Op het eerste gezicht is het opvallend dat de klacht over burgers die de overheid dwarsbomen vooral valt op te tekenen in een partij, de VVD, die voorheen de staf brak over een overheid die de ambitie heeft de samenleving te maken. Maar een nadere beschouwing van de geschiedenis van het Nederlandse liberalisme werpt een ander licht op de opstelling van de VVD.

Duyvendak en De Haan, beiden verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, schrijven in het boek Maakbaarheid, liberale wortels en hedendaagse kritiek van de maakbare samenleving dat de notie van maakbaarheid diep geworteld is in het liberale denken. Hun kernstelling luidt: “De liberale proclamatie van het eigen gelijk over de onmaakbaarheid van de samenleving is een enorme miskenning van de eigen geschiedenis. Een nadere blik op de liberale traditie leert dat zij, meer dan wie of wat ook, de drager zijn van de idee van de maakbare samenleving. Het historische gelijk van de liberalen is juist dat de samenleving op grote schaal maakbaar is gebleken.”

De auteurs willen met het boek bewerkstelligen dat de politieke discussie niet meer gaat over de vraag òf de samenleving kan worden gemaakt, als wel wèlke samenleving. In standpunten van de VVD zijn volgens hen ideeën traceerbaar die teruggrijpen op de geschiedenis van drie eeuwen waarin het liberalisme is gevormd, te beginnen bij politieke wijsgeren als John Locke (1632-1704) en Adam Smith (1723-1790). In het verkiezingsprogramma schrijft de VVD deze week dat zij meer mensen aan het werk wil helpen omwille van hun persoonlijke ontplooiing en sociale integratie. In dat streven weerklinken de woorden van Locke: “Deugdzaamheid en nijverheid zijn altijd elkaars bondgenoten, net als ondeugd en ledigheid.”

Smith kende aan de staat een belangrijke taak toe in de vorming van burgerschap. De staat moest volgens hem onderwijs verzorgen dat mensen minder bevattelijk maakt voor “de waanvoorstellingen van het enthousiasme en het bijgeloof”, schrijft de Amsterdamse politicoloog Alwin Hietbrink in Maakbaarheid. Met onderwijs minder kans op opstanden, rellen en oproeren, vat hij de zienswijze van Smith samen.

De geschiedenis van het liberalisme is doortrokken van het idee dat het volk moet worden opgevoed tot een beschavingspeil waarop mensen hun lot in eigen handen kunnen nemen. Negentiende eeuwse liberalen voelden zich aan de Verlichting, hun ontstaanbron, verplicht om bijgeloof en onwetendheid bij mensen te vervangen door rede en inzicht. Zij zagen zichzelf als een elite van welgestelde burgers die zijn geroepen tot verheffing van het volk.

Onder een radicale liberaal als Willem Frederik Treub richtte de Maatschappij tot het Nut van 't Algemeen zich op volksopvoeding. Treubs grote voorbeeld waren de instellingen voor volwasseneducatie die de Engelse liberalen in het leven riepen, een initiatief dat in Nederland na 1918 de vorm kreeg van de Volksuniversiteiten. De liberalen hadden niet alleen altruïstische motieven voor hun sociale politiek. Zij wilden ook voorkomen dat de sociale kwestie ontaardde in een destructieve klassenstrijd. Daartoe moest onderricht de lagere klassen in staat stellen verantwoordelijkheid voor zichzelf te dragen. Met hetzelfde doel namen liberalen als Van Houten, Pierson en Goeman Borgesius eind vorige eeuw het initiatief voor de eerste sociale wetten in Nederland, op het terrein van de arbeidsomstandigheden en de zedelijkheid.

De grondtrekken van de 19 de eeuwse liberale sociale noties zijn herkenbaar in de naoorlogse verzorgingsstaat, ofschoon sociaal-democraten en christen-democraten daarvan de opbouw ter hand hebben genomen. “De verzorgingstaat is niet het tegendeel, eerder de voortzetting van een hervormingsstreven dat de liberalen uitdroegen”, schrijven Duyvendak en De Haan.

De verzorgingsstaat, volgens Wim Kok 'de mooiste prestatie van menselijke en georganiseerde wilsvorming', is bij uitstek een product van de maakbare samenleving. Het streven naar sociale zekerheid vormde het kernstuk van de naoorlogse consensus tussen de grote politieke partijen. Zonder uitzondering steunden zij de sociale wetten die na 1945 tot stand zijn gebracht. De Britse liberaal lord William Henry Beveridge, wiens plan voor een veelomvattende politiek van sociale vooruitgang uit 1942 model stond voor de Nederlandse verzorgingsstaat, beoogde naast bestrijding van de armoede ook een aanval op 'ziekte, onwetendheid, verval en lediggang'. De Nederlandse verzorgingsstaat heeft een vergelijkbaar credo. De Haan vat het samen als: “Bestaanszekerheid als recht, arbeid als plicht, zelfontplooiing als doel.”

“Bij de liberalen heeft zorg over de ongewenste effecten van de commerciële samenleving op het individu lange tijd op de voorgrond gestaan. Niettemin zijn wij ons in het algemeen weinig bewust van die sociale traditie van de liberalen”, zeggen Duyvendak en De Haan in een toelichting. Eén van de grondgedachten in de verzorgingsstaat die zijn te herleiden tot de klassieke liberale sociale politiek, is de vorming van burgers tot deugdzame individuen die zich bewust zijn van hun verantwoordelijkheid tegenover de gemeenschap. Ook het liberale idee dat de elite de vanzelfsprekende drager is van het algemeen belang keerde in de jaren veertig en vijftig terug, in de zienswijze dat de politieke partijen ideologische twisten achterwege moesten laten om de bevolking voor te gaan in haar ontwikkeling tot een hoger beschavingsniveau.

De Haan: “Dat uitte zich in een buitengewoon paternalistische en technocratische aanpak. De politiek dacht dat beleid op wetenschappelijke beginselen kon worden gegrondvest. Zij bestreed de onmaatschappelijkheid, zo heette het, van mensen die niet met de industrialisatie konden meekomen met initiatieven als de volkshogeschool. In het taalgebruik maakten politiek geladen woorden als kapitalist en arbeider plaats voor neutrale termen als producent en consument.”

De socialist Wim Thomassen signaleerde dat de grotere keuzevrijheid die de groeiende welvaart aan consumenten bood, consequenties voor de sociale politiek inhield. Hij vroeg zich af welke 'oude clichébegrippen' op sociaal gebied nog op geldigheid konden bogen, nu de arbeider leek op de laborant of beambte en hij met zijn gezin bovendien beschikte over meer woongerief en 'producten der electronische industrie'. De politiek reageerde bevoogdend op de morele vragen die de consumptiemaatschappij opriep. De vrees ontstond dat een bevolking die uitsluitend was gericht op materiële luxe, uit het oog zou verliezen welke inspanningen het algemeen welzijn behoefde.

Duyvendak: “De politiek zag voor zichzelf een taak weggelegd mensen als consumenten op te voeden. Hoe moesten ze omgaan met de Solex en de tv?” De Haan: “Het ministerie van economische zaken stuurde deskundigen naar de VS, om de eerste supermarkt te bestuderen. Ze hadden gehoord dat mensen daar zelf met een wagentje door de winkel liepen en hun boodschappen uit de schappen pakten. Kon de Nederlandse consument die zelfstandigheid wel aan? Vergelijkbare vragen kwamen rond de tv op. Een verbod kwam uiteraard niet er sprake. Maar de vraag leefde wel of mensen op een verantwoorde en rationele manier tv zouden kijken.”

Al met al beleefde de maakbare samenleving in de twee decennia na de oorlog haar hoogtepunt, om vervolgens in de de loop van jaren zestig onder invloed van de individualisering en de democratisering in het gedrang te komen. Duyvendak: “De individuele mens wilde zichzelf autonoom kunnen ontplooien en niet langer door de samenleving gemaakt worden.” De overtuiging won veld dat ieder mens uniek is, daarom zelf het beste weet wat goed voor hem is en zich niet meer hoeft te conformeren aan zijn omgeving. Ontplooiing werd een persoonlijke, niet een politieke aangelegenheid.

Duyvendak: “De uitbouw van de overheid in de jaren zestig gaf een knellend gevoel, niet alleen bij de burgers zelf, maar vooral bij de opvoeders en hulpverleners die voorheen met hun ontplooiing waren belast, zoals opbouwwerkers, dominees en onderwijzers. Zij moesten hun beroep opnieuw definiëren, in een omgeving waarin de zelfhulpgroepen en de VOS-cursussen bloeiden. Ze stonden voor het probleem dat ze anderen niets meer konden voorschrijven, sterker, niets meer móchten voorschrijven.”

Het valt op dat vooral partijen die het idee van de maakbare samenleving omarmden, tegelijkertijd het ideaal vertolkten van het autonome individu dat zich door anderen niets hoeft te laten gezeggen. Met die tegenstrijdige opvattingen ondermijnden partijen als PvdA, PSP en CPN het draagvlak van de maakbare samenleving. De VVD nam de visie op het autonome individu gaandeweg over, in de meest radicale vorm. Duyvendak: “De slogan Gewoon jezelf kunnen zijn van Ed Nijpels impliceert dat de gemeenschap geen enkele rol meer kan spelen. De VVD was met haar opstelling tegen de staat, vóór het individu de échte erfgenaam van de jaren zestig. Zij had een geheim genootschap met de kraakbeweging en de autonomen. Met zijn leuze gaf Nijpels aan dat hij, net als de krakers, een afkeer van het staatsgezag had.”

De crisis van de verzorgingsstaat hield destijds dan ook een crisis van de legitimiteit van de verzorgingstaat in, stelt de politicologe Jet Bussemaker in het boek vast. Die legitimiteit was in de naoorlogse jaren gestoeld op een breed vertrouwen in de mogelijkheden om het menselijk samenleven te verbeteren, met maatschappelijk werk, sociale zorg en bestrijding van de onmaatschappelijkheid. Dat soort paternalistische vormen van bemoeienis stuitte op de wil van de burgers autonoom te zijn.

Duyvendak en De Haan stellen in hun slotbeschouwing vast dat het paarse kabinet thans weer de ambitie van sociale maakbaarheid kan koesteren, zonder dat de VVD deze associeert met verderfelijke linkse politiek. Zij zoeken de verklaring voor dat fenomeen vooral bij de VVD zelf. In de partij roert zich een moralistische stroming die het belang van de individuele deugdzaamheid voor de maatschappelijke orde voorop stelt, een geluid dat ondenkbaar was in de tijd dat de VVD nog campagne voerde met de leuze Gewoon jezelf kunnen zijn.

Het is veelbetekenend dat VVD-leider Bolkestein gruwt van die leuze. Hij doet van zich spreken met betogen waarin hij een verband legt tussen de anti-autoritaire opvoeding van de jaren zestig en allerlei maatschappelijke ontsporingen. Met zijn pleidooi voor meer subsidie aan klassiek toneel toont Bolkestein dat hij ook voor de cultuurpolitiek een opvoedende taak ziet weggelegd.

“Ideologen van de VVD bepleiten nu een beschavingsoffensief dat, als het wordt uitgevoerd, slechts gradueel zou verschillen van de hoogtepunten van de sociale maakbaarheid in de jaren vijftig. Er is sprake van een kentering in de Nederlandse politiek waarin de liberalen zich de ware erfgenamen betonen van hun voorvaderen”, concluderen Duyvendak en De Haan. “De periode van Gewoon jezelf kunnen zijn is, achteraf bezien, een a-typisch intermezzo in de geschiedenis van de VVD geweest.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden