Review

De leeshonger van middelbare mutsen

Vrouwen boven de vijftig, verenigd in leesclubs: ze vormen een belangrijke markt, maar de literaire wereld kijkt op ze neer. Want lezen zulke dames niet te veel identificerend, of om de moraal? Volgens Renate Dorrestein is daar niets mis mee. Haar nieuwe roman heet dan ook uitdagend ’De leesclub’.

Wie een literair lexicon openslaat zal het woord ’leesclub’ er niet in vinden; ook ouderwetse encyclopedieën doen er niet aan en in de Nederlandse Wikipedia word je gevraagd: bedoelde u legerclub? Zelf geef ik al sinds jaar en dag een cursus poëzie lezen aan hoog opgeleide liefhebbers maar ik heb er nooit aan gedacht het een ’leesclub’ te noemen, al is dat feitelijk precies wat we doen: lezen in clubverband. Misschien is ’t het woord ’club’ dat de boel bederft, literaire ‘kring’ klink al veel beter.

Dat betekent allemaal niet dat leesclubs taboe zijn, integendeel, er zijn er duizenden, van informele clubjes tot centraal geleide instituutjes. De leesclub bloeit.

Het cliché wil dat zulke leesclubs vooral bevolkt worden door vrouwen van middelbare leeftijd en ouder, en dat cliché is waar. Tellingen hebben aangetoond dat boeken voor 85 procent door vrouwen worden gelezen en dat de meerderheid van die vrouwen vijftig jaar of ouder is. Het is een markt waar uitgevers tegenwoordig rekening mee houden, sommige, Querido bijvoorbeeld, publiceren zelfs aparte leesclubedities van hun boeken.

Toch heeft de leesclub in de literaire wereld geen onverdeeld gunstige pers. Dat komt door het beeld van die grijze dames maar ook door het vermoeden dat er daar vooral identificerend gelezen wordt, op menselijke, aansprekende thematiek, en dat ze daar veel minder geneigd zijn om het hermetische karakter, de gelaagdheid van literatuur, te honoreren. De lezeressen, en die paar lezers, moeten iets van zichzelf terug kunnen vinden in de besproken romans en gedichten, is het idee.

Dat is in zekere zin tegen het zere been van de literatuurwetenschap, die nu juist de neiging heeft om afstand te nemen van het al te biografische en empathische lezen. Grote literatuur beantwoordt aan eigen wetten en je hoeft een schrijver niet te kennen of je met een hoofdpersoon te vereenzelvigen om er in door te dringen; in feite belemmert kennis van de context juist een pure lezing. Ga maar na wat identificerend lezen zou betekenen voor het werk van bijvoorbeeld De Sade, of biografisch lezen voor de gedichten van Gerrit Achterberg.

Literatuur als autonome kunst was in elk geval het idee van ‘The New Criticism’, een stroming die in de jaren veertig en vijftig sterk opkwam in Amerika, niet toevallig het land waar nu juist het empathische en moralistische lezen veel invloed had, en heeft. Denk maar aan de morele verontwaardiging die grote schrijvers als Philip Roth of John Updike er met hun seksuele vrijmoedigheid verwekten.

Dat New Criticism heeft in ietwat verwaterde vorm, in tijdschriften als Merlijn en Raster en bij literatuurwetenschappers als Fens en Oversteegen, ook in Nederland veel invloed gehad, waarbij overigens wel duidelijk is dat het pure, literaire lezen, dus zonder feiten van de omringende cultuur en de schrijver mee te wegen, eigenlijk ook niet kan. Hoe zou je bijvoorbeeld een boek als ’Alleen maar nette mensen’ van Robert Vuijsje moeten beoordelen als je niks mag meewegen over de Bijlmer of over de rol van Surinamers in de Nederlandse samenleving?

Neemt niet weg dat leesclubs allicht een economische factor in het literatuurbedrijf vormen (ze nemen boeken af) maar geen grote literaire waarde (kritische bijdrage aan het literaire debat) lijken te vertegenwoordigen.

De afgelopen jaren verschenen in Nederland een paar romans die met het verschijnsel leesclub spelen en die in zekere zin het clichébeeld lijken te bevestigen. De belangrijkste is wel ’De literaire kring’ van Marjolijn Februari, een scherpzinnig boek over filosofie en moraal, maar waarin de literaire kring in kwestie, de leesclub zeg maar, onder morele kleinheid gebukt gaat; men wil de bestseller van een voormalig plaatsgenoot niet lezen om wat er in het verleden is voorgevallen en als het er dan toch van komt, breekt de pleuris uit.

Ook Arie Storm waagde zich eraan. In ’De bruid en de kogel’ reist de schrijver naar Frankrijk om er een lezing te geven voor een leesclubje van vrouwen die ook zelf willen schrijven. Storm is een schrijver met het begrip ’literatuur’ hoog in zijn vaandel, vandaar dat zijn opmerking „Wat literatuur was maakten de mensen, de gewone mensen, tegenwoordig zelf wel uit” klinkt als een vermoeide verzuchting. De leidster van die bijeenkomst is trouwens niet toevallig Renate Dorrestein, die immers Het geheim van de schrijver schreef, ’een handboek voor beginnende schrijvers’.

En nu komt Dorrestein zelf met een roman ’De leesclub’, dat het verschijnsel op ironische wijze in het zonnetje zet.

Het is een slapstickachtige vertelling. Zeven vrouwen, de leden van die leesclub, gaan hun favoriete schrijver, Gideon de Wit, in zijn Schotse omgeving bezoeken om met hem, in een soort matige imitatie van Moby Dick, een literaire tocht te maken. Door allerlei fatale omstandigheden zorgen ze er echter ook voor dat de man verongelukt, oftewel: lezeressen doden de schrijver! Het verhaal wordt als uit één mond door de zeven vrouwen aan de onderzoeksrechter verteld.

Renate Dorrestein eist namens de ’middelbare mutsen’, zoals ze haar septet betitelt, de verdienste op de boekenwereld in stand te houden: „Ons kan moeilijk aangerekend worden dat wij de enigen zijn die lezen en lezen als gekken en al die boeken de top tien in pompen. Er zou op de hele wereld niet één bestseller bestaan en niet één auteur die z’n hypotheek kon betalen als wij lezeressen er het bijltje bij neergooiden.”

Opmerkelijk genoeg komen we over de leeservaringen van de dames met de schrijver Gideon de Wit weinig aan de weet, en ook niet over de schrijver zelf, die me een mix lijkt van Harry Mulisch, Arnon Grunberg en Jeroen Brouwers. Maar het is wel duidelijk dat het de vrouwen vooral om ’human interest’ gaat en om bevrediging van menselijke en misschien wel typisch vrouwelijke behoeften. De volgende passage geeft denk ik, ondanks de ironische ondertoon, een raak beeld van de gemiddelde leesclub-ambitie: „We zeggen weleens: We hebben verhalen nodig, verhalen die onze liefdes recht doen en onze doden eren, verhalen die onze onmacht onder woorden brengen, die afrekenen met onze angsten, die inzicht in menselijke drijfveren bieden, die de mysteries ontrafelen die ons verwarren. Verhalen die ons in het reine brengen met onze eigen sterfelijkheid en ons verzoenen met de wetenschap dat na ons de wereld onverstoorbaar zal blijven draaien, dat de vogels zonder ons nog steeds eieren zullen leggen en de bijen honing zullen maken, en dat wijzelf op een dag vergeten zullen zijn.” Weliswaar wordt even een offertje gebracht aan de diepere gelaagdheid van literatuur: „Pak je pen, Annabel, en noteer: Een geslaagde roman heeft meer te bieden dan het verhaal alleen, dat is alleen het verhaal maar. Lágen, Annabel.” Het klinkt als een obligate riedel.

Dorrestein zelf komt natuurlijk ook niet voort uit die verliteratuurde, autonome school. Je zou haar in meerdere opzichten zelfs een moralistisch auteur kunnen noemen, die haar bijtende humor inzet om een boodschap kwijt te kunnen. Het grappigste en meest karakteristieke aan ’De leesclub’ is wat mij betreft dan ook dat er in bijgevoegde noten een hele reisgids voor Schotland annex tips voor vogelaars, benevens een kookboek in schuilgaat. Als om te demonstreren hoe maatschappelijk nuttig fictie ook kan zijn.

’De leesclub’ zelf is een kolderiek verhaal, met een onwaarschijnlijk plot en ook nogal onwaarschijnlijke hoofdpersonen. Geestig natuurlijk, dat is Dorrestein wel toevertrouwd, maar een echte apologie of rehabilitatie van de leesclub kun je het toch moeilijk noemen. Daarvoor is het te zeer ’over the top’ met karikaturale lezeressen en een karikaturale schrijver.

De vraag is of het boek zelf wel voldoet aan de normen die de meeste leesclubs aanleggen voor wat ze lezen. Lichte kost en chicklit worden daar in het algemeen niet gewaardeerd net zomin als literaire thrillers. In ’De leesclub worden dat soort boeken ‘oeken’ genoemd en leesclublid Barbara die met zo’n ‘oek’ op tv is geweest wordt bijkans geëxcommuniceerd. Maar helemaal zeker dat ’De leesclub’ niet zelf ook een soort oek is, ben ik toch niet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden