Review

'De laatste twee jaar is er een bijna overspannen belangstelling voor sport'

Ko van Geemert: Hi-Ha-Hondelul en andere sportpoëzie. Uitgever: Thomas Rap.

Oud-scheidsrechter Arie van Gemert had het boekje in ontvangst moeten nemen. Maar hij weigerde. “Neem je me nou in de maling?”, vroeg hij. “Moet ik nou nog steeds aan die ene wedstrijd uit 1969 worden herinnerd?” Bleef over oud-Feyenoorder Piet Romeijn, de rechtsback die in de bewuste wedstrijd in een vlaag van woede de scheldterm 'hondenlul' bedacht en naar het hoofd van scheidsrechter Arie van Gemert slingerde, omdat die het had bestaan om een doelpunt van de tegenstander goed te keuren. Piet Romeijn wist toen niet dat bijna 30 jaar later hele voetbalstadions de scheldterm nog steeds zouden gebruiken, in spreekkoor.

Maar ook Piet Romeijn, inmiddels prof-in-ruste, was er gisteren niet bij. Hij had geen tijd. Het lijkt er op dat poeziëliefhebber Ko van Geemert een verkeerde titel voor zijn boekje bedacht. En hij had zo graag de bundel willen aanbieden aan beide oud-voetballers. Achter het titelblad van 'Hi-Ha-Hondelul en andere sportpoëzie' staan meer dan honderd serieuze gedichten. Allemaal over sport. De flauwe titel bedriegt. In de bundel staan verzen van Sophocles, Anna Enquist, Cees Buddingh'. Het ene gedicht nog mooier dan het andere.

“Ik moest en ik zou”, zegt Ko van Geemert (46) over de vreemde keus van de titel. “Er is zoveel prachtige, klassieke poëzie geschreven over voetbal en andere sporten. Die wilde ik bijeenbrengen. Maar de term 'Hi-Ha-Hondenlul', die ontstond op het voetbalveld zelf. De supporters bouwden met een groot gevoel voor taal die ene krachtterm van Piet Romeijn uit. Eerst kwam het 'Hi-Ha' ervoor, daarna bedacht iemand dat je het ook kunt zingen. Prachtig vind ik dat. Misschien is niet iedereen het met me eens, maar dat 'Hi-Ha-Hondenlul' kun je ook als poëzie opvatten. En het is een beetje dwars.”

Maar het ging natuurlijk om de echte gedichten, de verzen die langer zijn dan vijf lettergrepen.

Ko van Geemert leest voor:

DE VRIJE BAL - Anna Enquist (voor Ronald Koeman)

Hij heeft een slagersmes in zijn sokken verborgen. Dat weet alleen vader. Stokken en stenen zijn sinds lang afgeketst. Tenen wringen in de schoen; het cerebellum regisseert wreef, knie en billen sprakeloos. Als hij gaat trappen wordt het grasveld weide, klinkt de zang van een matroos, een havenlied. Over de sloot, buiten bereik van vangers trekt de bal gezichten scheef. Hij haalt zijn sokken op. Hij bloost.

Het gedicht klinkt wat vreemd in de ruimte waar het wordt voorgelezen. Ambtenaar Van Geemert zit aan een kantoortafel in een magazijn met dozen en dossiers, ergens op de 6de verdieping van wat wel het lelijkste kantoorgebouw van Nederland moet zijn. Van Geemert is voorlichter bij de gemeente Amsterdam, en werkt op het Wibauthuis. Als er op zijn afdeling al poëzie wordt gemaakt, zijn het hooguit de brieven aan stadsbewoners dat binnenkort hun stoep wordt opgebroken. “Maar dat is ook belangrijk”, vindt de voorlichter.

Nog een gedicht dan, het vers dat hij zelf het mooiste vindt. Het is van de Vlaamse dichter Herman de Coninck. De dossiermappen luisteren mee:

“Zelfs Rik van Steenbergen heeft me beïnvloed. Die heeft namelijk een sporthart, en moet daarom na al die jaren nog geregeld wat fietsen. Misschien is ook poëzie zoiets, een hart hebben waarmee je na een turbulente jeugd van de dokter nog altijd af en toe eens moet huilen.”

Het idee voor de bloemlezing ontstond al jaren geleden, dus nog aan het begin van de hype rond sport in het algemeen en Ajax in het bijzonder. Ko van Geemert was altijd al gefascineerd door sport én poëzie. Hij wilde zijn twee voorliefdes bij elkaar brengen. Vroeger een onmogelijkheid, maar nu is er zoveel belangstelling voor dat een uitgever meteen toehapte. De tijd zat op z'n hielen.

“Het was een zeer tijdrovend karwei om alle gedichten op te sporen. 'Als ik het maar op tijd af krijg', dacht ik steeds. En stiekem soms ook: 'Als iemand anders me maar niet nét voor is'. Want er is zoveel interesse voor kunst in sport. Het zal niet meer zo lang duren voor de opinie weer omslaat. Dat valt bijna te voorspellen. Hoewel ik er eigenlijk blij om zal zijn. Er is de afgelopen twee jaar een bijna overspannen belangstelling voor sport. Iederéén houdt opeens van sport. Je wordt gek van al het gepraat over de nieuwe Amsterdam Arena.”

“Ik heb deze week niet gekeken, ik ben Arena-moe. Nu kun je zelfs je as al laten verspreiden op de oude middenstip van het Ajax-stadion in De Meer, al is het stadion zelf afgebrand. Dit is niet leuk meer.” Hij zou bijna terugverlangen naar de tijd dat hij, toen nog een jonge onderwijzer, vrijwel als enige niet-arbeider voetbalde bij de amateurs van 'Purmerstijn' in Purmerend. Zijn kunstzinnige vrienden in Amsterdam begrepen er niets van (de rest van zijn elftal trouwens ook niet). Dat was de tijd dat sport nog simpel een volksvermaak was, en niet meer dan dat.

“Ik vond een prachtige anekdote uit die tijd. Schrijver Cees Buddingh' ging vaak naar de voetbalwedstrijden van zijn voetbalclub DFC in Dordrecht. Een leerling van het gymnasium herkende hem op de tribune. Maar toen die leerling dat op school vertelde bij de les Nederlands, werd hij prompt de klas uitgestuurd. Dat kon niet waar zijn. Buddingh' maakte daar later een treffend gedicht over.”

Zelf schreef de jonge Ko van Geemert in die tijd gedichten. Er werd er wel eens eentje voorgelezen op de radio. “Dan stond ik met een radiootje aan m'n oor, maar niemand uit het elftal mocht weten waar ik naar luisterde.”

De zoektocht door boekenkasten vol dichtbundels leverde uiteindelijk meer op dan hij had verwacht. Vooral over voetbal is gedicht. Maar ook over skiën (Annie M. G. Schmidt), wielrennen (Tom Lanoye, o.a.), zelfs over zwemmen (Paul Snoek: 'Zwemmen is een beetje heilig zijn'). Over volleybal kon Van Geemert geen enkel vers vinden. Zelf houdt hij het meest van de gedichten van Buddingh' en Nico Scheepmaker, die min of meer bekend werden om de grote doses sport in hun verzen. “En Tim Krabbé. Na zijn gedichten over wielrennen duurde het niet lang voor ik zelf ook een fiets kocht.” Soms wordt kunst aanleiding voor sport.

Tot slot nog eenmaal over de titel. Piet Romeijn, de aanstichter van het 'Hi-Ha-Hondenlul' heeft overigens altijd volgehouden dat hij verkeerd is verstaan. “Ik zei alleen maar 'onbenul' tegen de scheidsrechter”, riep hij na afloop van de wedstrijd FC Twente-Feyenoord op 7 december 1969. “Het is een misverstand.” Hij kreeg desondanks een waarschuwing, en een boete van 350 gulden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden