Review

De laatste ondoordringbare restjes van een eiland vol beschaving

Robert Macfarlane loopt door de laatste woeste gebieden van Groot-Brittannië en weet er prachtig over te vertellen in een overweldigend wandel- en denkboek, vindt Peter Sierksma.

Het gebeurt maar zelden dat een vertaalde titel de kern van een boek beter weergeeft dan de originele, maar in het geval van ’De laatste wildernis’ van de Britse cultuurhistoricus Robert Macfarlane is dat anders.

In het Engels verscheen dit overweldigende denk- en wandelboek vorig jaar als ’The Wild Places’. Ook een titel die tot de verbeelding spreekt, maar algemener en minder to the point dan ’De laatste wildernis’. Want waar je met de Engelse titel nog vele kanten op kunt (mij schoot bijvoorbeeld meteen de pophit van Duncan Browne uit het begin van de jaren tachtig te binnen, maar dan sta je toch op het verkeerde been), voert de Nederlandse titel je meteen terug naar dat ene aloude dilemma dat de denkende mens al eeuwen bezighoudt: hoe staan wij tegenover de natuur? En meer nog: zijn wij, geroepen als wij zijn de aarde te bewerken, werkelijk in staat de wildernis om ons heen te bedwingen en te beschaven of is dat slechts een illusie en leggen wij het - zelfs nu nog, nu wij, mede onder invloed van onze vele industriële revoluties, de ijskappen tot smelten lijken te brengen - uiteindelijk af tegen die machtige oerkrachten die wij natuur plegen te noemen?

Het is een fascinerend thema waar we nooit uit zullen komen, maar waarbij iedere poging er iets zinnigs over te beweren waardering verdient. ’De laatste wildernis’ van Robert Macfarlane is zo’n poging. Bestaan er in het oude Europese cultuurbolwerk Groot-Brittannië (de schrijver heeft zich bewust tot het oude koninkrijk beperkt) en Ierland nog werkelijk ondoorgrondelijke gebieden waar mens en beschaving geen vat op hebben gekregen?

Omdat Macfarlane geen studeerkamergeleerde is, probeert hij zijn vraag niet alleen met behulp van boeken en beelden op te lossen maar ook de ervaring een rol te laten spelen. En zo besluit hij al lopend door bergen en in dalen, langs stranden, door oerbossen en holle wegen, over eilanden, bergruggen en rotspartijen twintig wilde gebieden in Engeland, Schotland, Wales en Ierland te bestuderen. En juist die combinatie van reizen en lezen, van ervaring en herinnering, levert de mooiste beschrijvingen en overdenkingen op.

Als hij ronddwaalt in het uitgestrekte veengebied van Rannoch Moor („Wanneer het Lake District uit Cumbria zou worden gesneden en in Rannoch Moor zou worden uitgestrooid, zou er nog steeds ruimte overblijven”) denkt hij bijvoorbeeld aan prehistorische tijden en haalt hij Daniël Defoe aan die het gebied in 1725 als verschrikkelijk ervoer en een ’woeste, huilende wildernis’ noemde. De verwijzing naar Defoe is interessant. Want waar deze de mens in zijn fantasieën ver weg (zie ’Schateiland’ en ’Robinson Crusoe’) altijd weer sterker en vernuftiger achtte dan de natuur, wierp de werkelijkheid om de hoek thuis hem terug op zijn nietigheid.

Het leuke van Macfarlane is nu dat hij zich niet oeverloos laat meeslepen door allerlei vage overwegingen over de aarde als een vormeloze oersoep, maar zich vrij snel heel concreet afvraagt hoe het nu komt dat wij gebieden vol bergen (neem de Red Pike in het Lake District) graag romantiseren en dus ook als natuur willen behouden en conserveren, terwijl we ons met moerasvlakten als die van Rannoch Moor geen raad weten: „Het valt ons zwaar om met taal vat te krijgen op landschappen die subtiele kleurverschillen vertonen, maar die door hun uitgestrektheid, hun omvang en hun openheid nergens mee te vergelijken zijn.”

Het is niet zomaar een vrijblijvende constatering: „Dat we zoveel moeite hebben om ons betrokken te voelen bij weidse gebieden heeft aanzienlijke gevolgen. Pleiten voor hun waarde én dat pleit winnen is moeilijk gebleken; het areaal aan laaggelegen heidegebieden in Engeland is de afgelopen twee eeuwen dan ook met driekwart geslonken doordat het is omgeploegd, beplant of ontgonnen.”

Waar de mens aan de ene kant geneigd is de wildernis uit ontzag te romantiseren en haar aan de andere kant uit angst en ongrijpbaarheid ’t liefst zo snel mogelijk wil ontginnen, heeft hij soms uit een onbegrijpelijke vlaag van hoogmoed ook lak aan haar. Hoe dat werkt, beschrijft Macfarlane aan de hand van de geschiedenis van het rotslandschap van krijt en kalksteen in de Burren in het westen van Ierland. De streek werd halverwege de zeventiende eeuw geteisterd en onderworpen door de legers van Cromwell zonder dat hij er verder iets mee wilde doen. Macfarlane tekent het dedain van de puriteinse generaal en veldheer Edmund Ludlow als hij hem citeert uit zijn verslagen. Ludlow schreef dat de Burren ’een woest land’ was waar „niet genoeg water is om iemand te verdrinken, noch genoeg bos om hem op te hangen, noch genoeg aarde om hem te begraven”.

Macfarlane kan zich er meer dan vier eeuwen later nog boos over maken: „Wat een beperkte manier om naar een landschap te kijken: vanuit het perspectief of mensen er makkelijk omgebracht kunnen worden. Ludlow had ongelijk en maakte zich belachelijk. Hij had het gebied doorkruist zonder goed te kijken. Want in de Burren, zo leerde ik in de dagen dat ik er was, is alles waar het volgens Ludlow aan ontbrak rijkelijk aanwezig. Het is er een en al water, bossen, aarde en doden, en dat alles is onderdeel van zijn ruigheid.”

In zijn observeringen over de wilde natuur doet Macfarlane soms denken aan Simon Schama die in zijn geschiedenis van het landschap (Landschap en herinnering, 1998) ook de invloed van de mens op zijn omgeving heeft beschreven. Maar er is een verschil: Schama heeft de neiging zich in een overvloed aan brede kennis te verliezen, Macfarlane graaft net wat dieper door zich tot een duidelijk afgebakend gebied te beperken. Het is ook het verschil met de Zwitserse filosoof Alain de Botton die de kunst van het reizen ook niet vreemd is. Maar terwijl De Botton de drijfveren en verlangens van de reiziger wil doorgronden, is het Macfarlane echt om die moeilijk te doorgronden wildernis te doen.

Tot een alomvattend of geruststellend antwoord geraakt hij, tot slot, niet. Wel komt hij aan het eind van zijn rondgang weer thuis. En daar, in de buurt van Cambridge, ontdekt hij het oude beukenbos van Nine Wells Wood. Hij is zich ervan bewust dat hij de beuk, behorend tot de oudste boomsoorten in Zuid-Engeland, nog wel eens tijdens zijn leven zou kunnen zien verdwijnen. Maar wie denkt dat het boek daarmee in mineur eindigt, heeft het mis.

De beuk zal het in Engeland misschien niet redden, maar in plaats van uit te sterven naar koelere streken verhuizen. En ja, ook dat is geschiedenis – de wind waait waarheen hij wil, met of zonder mensenhand.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden