Review

De kruisvaarders waren én vroom én wreed

De Britse historicus Thomas Asbridge situeert de bron van de vijandigheid tussen de westelijke wereld en de islam in de zomer van 1099. Toen werd de eerste christelijke kruistocht bekroond met de bloedige inname van Jeruzalem.

Nu het derde millennium met een uitzichtloze oorlog tussen de westelijke wereld en de islam is begonnen, loont het misschien de moeite na te gaan hoe de vijandigheid ontstaan is.

De Britse historicus Thomas Asbridge situeert de oorsprong in 1099 toen de eerste christelijke kruistocht met de bloedige verovering van Jeruzalem werd bekroond. Maar dát kwaad bloed stamde weer van vier eeuwen eerder toen de islam de christelijke landen om de Middellandse Zee onder de voet liep en een permanent front in Spanje vestigde. Want de eerste ’kruistocht’ was natuurlijk de ’djihad’ in Noord-Afrika, Zuid-Europa en (later) in Klein-Azië; de islam op veroveringstocht.

Impliciet is die oude wrok nog leesbaar in Asbridge’ geregelde vermelding van Armeense en andere christenen die de kruisvaarders onderweg hielpen. Maar als je ervan uitgaat dat juist de gekwetste trots van de moslims hun en ons vandaag de dag parten speelt, is de eerste kruistocht een aannemelijk vertrekpunt. Want ongetwijfeld voelden de moslims zich door de gewapende interventie van de christenen – die op een bezetting van twee eeuwen uitliep – diep beledigd.

Het verhaal speelt zich af tussen maart 1095 toen een verzoek om hulp van de Byzantijnse keizer het Westen bereikte en paus Urbanus II de kruistocht begon te prediken, en juli 1099 toen de kruisvaarders Jeruzalem innamen, ’waar zo’n slachting werd aangericht dat de onzen tot aan hun enkels in het bloed van de vijanden waadden’. Want behalve een stout staaltje organisatorisch vermogen in een verdeeld feodaal Europa, was de kruistocht van begin af een moorddadige aangelegenheid.

Bij het vertrek in 1096 werd door de Duitse kruisvaarders in de getto’s van Speyer, Worms en Mainz onder de Joden huisgehouden, en de kleine 100.000 man die via verschillende routes naar het Oosten trokken, plunderden en brandschatten op doortocht naar hartelust, met inbegrip van de landen van hun Byzantijnse bondgenoten. Toen ze de Bosporus overstaken ving echter het grote bloedvergieten aan, dat buiten de veldslagen hoogtepunten vond in de verovering van steden die zich tegen de kruisvaarders verzetten. Behalve Jeruzalem waren Nicea en Antiochië plekken van groot onheil.

Asbridge heeft meer op zijn vork genomen dan het vertellen van een ijzersterke historie en verbloemt die moordpartijen niet. Hij probeert ze te rijmen met de grote vroomheid van de kruisvaarders, en met zijn verzekering dat de onderneming niet uit botte etnische haat en hebzucht begonnen was. Bescherming van de pelgrimsroutes naar Jeruzalem, en de heilige plaatsen in die stad was het officiële doel van de missie, maar al sinds de Verlichting woedt een strijd over de ’eigenlijke motieven’ van de kruistochten.

Wie zich niet te veel aantrekt van de morele maatstaven die de kruisvaarders door de schrijver krijgen aangelegd, kan zijn voordeel doen met de mengelmoes van overeenkomsten en verschillen die deze draufgüngers van de elfde eeuw met hun hedendaagse evenbeelden vertonen. Opvallend is de prominente rol van het geld in een maatschappij die in zoveel opzichten nog op ruilhandel berustte. Voor de aanschaf van een uitrusting bij vertrek, maar vooral voor allerlei goederen en diensten onderweg, moest betaald worden; lang niet alles kon via roof aangeschaft. Tot op vandaag is de logistiek en bekostiging van vredesmissies een kopzorg van alle idealistische mogendheden.

Met nog grotere bevreemding kijken we naar alle profeten en mirakels die de expeditie vergezelden. De kronieken ritselen van de heilige lansen en bloedstollende verschijningen. Maar bij nader inzien is de grootspraak over vreselijke toverkrachten van de tegenstander en de goddelijke bijstand aan onze zaak van alle tijden.

Na lezing van Asbridge’ verslag en commentaar blijft de lezer met een dilemma achter waar de gewetensvolle historicus niet uit is gekomen: waren Godfried van Bouillon en zijnsgelijken verkapte machtswellustelingen, of boetvaardige christenen ? De vraag is bedrieglijk, want de tegenstelling geforceerd. De kruisvaarders waren vroom én wreed. En uitgesproken etnocentrisch, en konden zich ook plotseling grootmoedig betonen. De veronderstelling van een integere mens waar tegenstrijdigheden in evenwicht met elkaar zijn, is onhoudbaar. Mensen hebben geen ’eigenlijke’ motieven, en hun capaciteit om met dissonantie te leven is duizelingwekkend. Zo ook hun aanvechting om de buren mores te leren, en van hun naasten de olie te begeren.

De klaarblijkelijke tegenspraken tussen idealisme en machiavellisme van de huidige missies in het Midden-Oosten werpen misschien wel evenveel licht op de drijfveren van toen als omgekeerd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden