Vurige kunst

De klap op de vuurpijl: vuurwerk als kunst

De buskruitramp te Leiden, 12 januari 1807. Beeld Rijksmuseum Amsterdam
De buskruitramp te Leiden, 12 januari 1807.Beeld Rijksmuseum Amsterdam

Lichtfonteinen en vuurpijlen leveren mooie plaatjes op. Niet alleen in de lucht, ook in de kunst, op schilderijen of films. Toch vinden kunstenaars het moment dat de controle wegvalt het spannendste. En hun publiek ook, al eeuwenlang.

Knal-tsjak-poef: zijn het geluiden van vuurwerk, of van een schietpartij? Het onderscheid is soms moeilijk te maken. Toen Jan Evert Grave in 1785 op het exercitieveld van de Amsterdamse schutterij stond, wist hij dat er een geweldloos vuurwerkspektakel zou komen. Hij maakte er een fraaie prent van: de vuurpijlen trokken lichtgevende slierten in de donkere lucht. Nieuwsgierige burgers keken van een afstand toe, sommigen hadden zelfs stoelen aangesleept om het schouwspel rustig te kunnen bekijken. Het vuurwerklicht was zo fel dat hun silhouet een schaduw maakte op de grond.

Nederlanders steken pas sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw massaal zelf vuurwerk af met Oud en Nieuw. Daarvóór, vanaf de zestiende eeuw, was vuurwerk iets voor de schutterij – die wisten met buskruit om te gaan. Althans, dat zeiden ze. En juist van de momenten waarop het misging, wilden mensen graag tekeningen zien. Zelfs als de kunstenaar er niet zelf getuige van was geweest.

In april 1689 bijvoorbeeld, toen vanwege de kroning van de Nederlandse stadhouder Willem III en Mary Stuart tot koning en koningin van Engeland overal in Europa vuurwerk werd afgestoken. Ook in de Amsterdamse Herengracht hadden ‘Fransche vluchtelingen’ op een vlotschuit vuurwerk opgestapeld. De show begon indrukwekkend, ‘in konst en geweld alle andere verre overtroffen’. Helaas nam dat geweld de overhand. Romeyn de Hooghe legde in zijn prent precies het moment vast waarop al het vuurwerk gelijktijdig ontplofte en de ‘Franschen’ vanaf hun boot de gracht in sprongen; meerdere betrokkenen kwamen om.

Vaste prik in actiefilms

Ontploffingen waren er ook zonder aanleiding. Bijvoorbeeld in Leiden, toen daar in 1807 een schip vol buskruit de lucht inging. Het veroorzaakte een enorme knal, er vielen 151 doden, 2000 gewonden en zeker 220 woningen waren verwoest. Kunstenaar Pieter van Os maakte een tekening van het moment van de ontploffing – uiteraard vanuit de verbeelding: alles en iedereen wordt door een enorme lichtbal weggeblazen. Van Os schildert het moment dat niemand achteraf kon navertellen.

Het zijn beelden die we nu kennen van bewakingscamera’s of toevallig filmende omstanders. Inmiddels zijn ze ook vaste prik in actiefilms. Vuurwerkspektakel op het witte doek, bevroren in verf of als bewegend beeld met veel special effects: ze bieden de toeschouwers de kans om op een veilige manier vuurwerk te kijken. Het idee dat het afgebeelde onvoorspelbaar is, oncontroleerbaar en onontloopbaar, en als klap op de vuurpijl een harde knal geeft, prikkelt de verbeeldingskracht al genoeg. Voor de meeste mensen althans.

Prent 'Vuurwerk van het Genoodschap tot Nut der Schuttery, afgestooken te Amsterdam', 1785. Beeld Rijksmuseum Amsterdam
Prent 'Vuurwerk van het Genoodschap tot Nut der Schuttery, afgestooken te Amsterdam', 1785.Beeld Rijksmuseum Amsterdam

Ook natuurlijk vuurwerk zorgde begin negentiende eeuw voor een stroom aan licht- en vuurkunst: de vulkaan Vesuvius had vrijwel elke tien jaar een uitbarsting en inspireerde kunstenaars tot het maken van grote schilderijen. Het was de tijd van de romantiek, van grootse natuurervaringen waarbij de mens zich nietig kon voelen ten opzichte van de onvoorspelbare natuur. Samen met de besneeuwde Alpen en ruige watervallen was de vuurspuwende vulkaan een ultiem onderwerp voor deze kunstenaars. Ook voor het grote publiek werd de vulkaan een rage. Rondreizende diorama’s, enorme schilderijen waar met behulp van belichting en geluidseffecten leven in werd gebracht, hadden regelmatig de uitbarstende vulkaan als onderwerp. Er zijn maar weinig van die bioscopen avant la lettre bewaard gebleven, de meeste gingen, o ironie, in vlammen op.

Vuurwerkkunst uit Azië

De grootste vuurwerkkunst kwam, en komt nog steeds uit Azië. Om te beginnen in de Japanse houtsnedes, die vanaf 1860 via Parijs ook in Europa te zien waren. Ook daarin waren oorlogsgeweld en vuurwerkspektakels even populair. Het Amsterdamse Rijksmuseum heeft een prachtige vuurwerkprent uit 1881 van Kobayashi Kiyochika, een Japanse kunstenaar die sterk beïnvloed was door westerse kunst. Hij verbeeldt, net als Jan Evert Grave honderd jaar eerder in Amsterdam, het silhouet van de mensenmenigte die het vuurwerk bewondert. Het vuurwerk slingert naar beneden, lichtjes weerkaatsen op het water. Iedereen houdt z’n adem in.

Veel heftiger is het vuurwerk in de prent van Kawanabe Kyōsai. Hij verbeeldde Mongoolse piratenschepen op zee die in de dertiende eeuw door de Japanners en het slechte weer werden verslagen, een mijlpaal uit de Japanse geschiedenis. De schuimkoppen staan op de metershoge golven, soldaten buitelen als in een Kuifje-tekening over elkaar heen, op zoek naar een wrakstuk om zich aan vast te klampen. Toch wordt het overstemd door een enorme knal uit een gekanteld schip verderop, als van een zwarte zon. Mensen en voorwerpen worden in de explosie meegenomen, en vliegen letterlijk alle kanten uit.

Amerikaanse pop-art

Heldere kleuren, nonchalant rondvliegende lichaamsdelen, de tekentechnieken van de Japanse prenten kwamen bijna een op een terecht in de Amerikaanse strips. Strips die, op hun beurt, de Amerikaanse pop-artkunstenaar Roy Lichtenstein ook weer beïnvloedden. Lichtenstein maakte begin jaren zestig een serie schilderijen die hij ‘War series’ noemde. In de Tweede Wereldoorlog hadden de Amerikanen een heldenrol gespeeld, ook de kunstenaar had in Europa meegevochten – al had hij vooral veel kunst gekeken. Maar nu, met de Koude Oorlog in volle hevigheid, begonnen de jongere generaties te twijfelen aan het nut van het geweld.

Lichtenstein nam oorlogsscènes uit strips, de plek waar ontploffingen en geweld in alle hevigheid werden gevierd. Met mitrailleurwoorden als ‘BLAM’, ‘TAKKA TAKKA’ en ‘WHAAM’, grote vuurkolommen en primaire kleuren schilderde de kunstenaar de fragmenten uitvergroot op het doek. Om daarmee het gestileerde, esthetische beeld van oorlog en geweld te ridiculiseren. Zo eenvoudig, netjes en voorspelbaar was het immers niet.

Het vuurwerkschilderij van Cai

In de recente kunstgeschiedenis is er één man die vuurwerkkunst de afgelopen dertig jaar op een nieuwe manier in de schijnwerpers zette. Cai Guo-Qiang maakt kunst met en van vuurwerk. Miljoenen mensen zagen zijn werk in 2008: hij was artistiek regisseur van de openings- en slotceremonies van de Olympische Spelen in Peking, en maakte een indrukwekkende vuurwerkshow met zwevende ringen, bijzondere kleuren. Maar met die omschrijving alléén doe je zijn werk tekort.

Vuurwerkshow van Cai Guo-Qiang in Florence, 2018. Beeld EPA
Vuurwerkshow van Cai Guo-Qiang in Florence, 2018.Beeld EPA

Een van Cai’s visitekaartjes is het vuurwerkschilderij. Op papier tekent hij een ontwerp, daarna plakt hij delen af, bedekt andere delen met kruit, dekt het geheel af en steekt het aan, midden in zijn atelier, of midden in een museumzaal. Het geheel knalt en ploft, en als de per ongeluk ontstane vonken zijn uitgetrapt en de rook is opgetrokken, komt er een verrassing in aardetinten onder vandaan, alsof het spontaan op het papier is neergedaald.

Verrassing en toeval zijn een constante in Cai’s werk. Zijn vader was historicus en kalligrafeerde en schilderde zelf. Ook bij de traditionele kalligrafie is het verrassingseffect belangrijk, iedere penseelbeweging is immers weer anders. Cai verhuisde naar New York, werd hedendaags kunstenaar. Hij had tentoonstellingen in grote, klassieke musea wereldwijd: in het Uffizi, het Prado, en onlangs ook in het Kröller-Müller Museum in Otterlo. Toch beperkt hij zijn onvoorspelbare kunst niet tot de museumzaal.

Sinds 1994 probeerde hij een vuurtrap te maken: precies, een 500 meter lange brandende ladder die de aarde met de hemel zou verbinden. Een eerste poging werd afgelast vanwege de regen, een tweede in 2001 vanwege de terrorismedreiging, een derde vanwege het risico op een bosbrand. Het stoorde Cai niet, hij gelooft niet in mislukte projecten. Al maakte het de voldoening nog groter toen het in 2015 wél lukte. Tien minuten duurde het vuurwerk, hooguit. Gelukkig is het op film terug te zien. De trap doet het, prachtig om te zien. Maar de reactie van het publiek en vooral van Cai zelf is minstens zo spectaculair.

De documentaire ‘Sky Ladder: the art of Cai Guo-Qiang’ is te zien op Netflix en toont, naast het verhaal rond de ladder, ook adembenemende vuurwerkkunst.

Lees ook:

De lege, strakke horizon, zonder gids of uitzicht, voelt als een afgrond

Uitzicht op de lange termijn of plannen maken voor over een half jaar: het coronavirus maakt het voorlopig bijna onmogelijk. In de Westerse beeldende kunst was het punt aan de horizon ook niet altijd helder. Een kleine geschiedenis van het vergezicht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden