Review

De klank van dat oerlandschap aan het einde van de wereld

Luis Sepulveda: De wereld aan het einde van de wereld. Vertaald door Channah Nieuwenhuis en Mieke Westra. Meulenhoff, Amsterdam; 125 blz. - Fl. 29.50.

Hetzelfde gunstige lot lijkt nu ook Sepulveda's in 1991 verschenen tweede novelle, 'De wereld aan het einde van de wereld', beschoren. Literair iets minder gaaf dan zijn voorganger, die in het Amazonegebied speelt, is dit boek geëngageerder en openhartiger. Sepulveda belicht dit keer een andere bedreigde primitieve leefgemeenschap in Latijns-Amerika, het Chileense deel van Patagonië, dat niemandsland 'waar de Stille en de Atlantische Oceaan zich mengen in eeuwig ijs' en dat sinds mensenheugenis een grote aantrekkingskracht heeft uitgeoefend op wereldreizigers van diverse pluimage.

Zo werd dit onmetelijke gebied opgevoerd als decor in Herman Melville's avonturenroman 'Moby Dick', waaraan Sepulveda herhaaldelijk een warme hommage brengt. De openingszin 'Noem mij Ismael' is zelfs een letterlijk citaat en verwijst naar het bemanningslid Ismael uit wiens gezichtspunt bij Melville de jacht over de halve aardbol van de bezeten kapitein Ahab op de witte walvis Moby Dick wordt weergegeven. En het eerste deel van 'De wereld aan het einde van de wereld', dat in het verleden van het hoofdpersonage graaft, beschrijft de verpletterende invloed van Moby Dick op het toen 16-jarige jongetje, wiens leven zozeer door de lokroep uit het zuiden werd beheerst, dat hij niet rustte voor hij 'de rechtstreekse afstammelingen van kapitein Ahab', de walvisvaarders, had leren kennen.

Met een paar trefzekere beelden roept Sepulveda in deze uitgewerkte flashback de wereld op die de jongen over de drempel van de volwassenheid heen heeft geholpen. Het is een wereld zonder franje, van hard labeur en onverschrokken daden, maar tevens een van scholen opspringende dolfijnen, kudden zeehonden en zwermen aalscholvers.

Kapitein El Vasco en zijn bemanning, die de jongen als keukenhulp hebben aangeworven, grijpen oordeelkundig en eigenhandig in het walvissenbestand in. Er is sprake van een tastbare betrokkenheid tussen beul en slachtoffer en er heersen ongeschreven wetten waar niemand van afwijkt. De fantastische legenden waarmee dit eeuwenoude bedrijf zichzelf heeft omgeven, vormen een beschermlaag en getuigen van een bezielde natuuropvatting die schril afsteekt tegen de onze, de instrumentele, die van dieren koopwaar maakt of ze tot gevoelloze machines herleidt. Maar de eerste regels van het verhaal ademen al iets onheilspellends uit: de lezer vermoedt meteen dat op Moby Dick en het argeloze jongetje iets ontnuchterends zal volgen.

Sepulveda ent zijn verhaal nog op een andere literaire bron, Bruce Chatwins veelgeprezen reisverslag 'In Patagonië'. Hierin staat niet zoals bij Melville de ongrijpbaarheid van de zee als metafoor voor het leven centraal, maar wel een donkere en diepe, bijna paleontologische hunkering naar de oorsprong. Aanleiding voor Chatwins tocht was namelijk een stukje huid van een brontosaurus in het kabinet van zijn grootmoeder, waarvan de schrijver met alle geweld de herkomst wilde achterhalen. In zijn boek verbindt Chatwin de ruige uitgestrektheid van het Patagonische landschap dan ook vooral met een oerstaat, en in navolging van Chatwin laat Sepulveda zijn hoofdpersonage erover mijmeren dat het gure klimaat en de duizenden nutteloze eilanden en rotsen 'het dichtst bij het moment van de schepping van de wereld zijn gebleven'.

Chatwin stond met zijn fascinatie voor zoveel versteende voornaamheid niet alleen. Ook Paul Theroux, die samen met Chatwin naging welke sporen Patagonië in de wereldliteratuur naliet, oordeelde dat het gebied iets fossiels had, en van het soort was “dat geschilderd wordt als achtergrond voor het skelet van een dinosaurus in een museum: eenvoudige, gruwelijke heuvels en dalen, doornstruiken en rotsen, en alles gladgestreken door de wind, alsof er een zondvloed overheen gegaan was en alle individuele kenmerken had weggespoeld”.

Omwille van hun buitensporige afmetingen krijgen de walvissen bij Sepulveda het statuut van verre erfgenamen van die voorhistorische dieren, en zij zijn het die bij het ik-personage de drang om ergens te horen in werkelijkheid omzetten. De lectuur van Chatwins reisverslag heeft deze man, een Chileens journalist in ballingschap die in Hamburg verblijft, immers opgezadeld met het wanhopige verlangen om naar zijn vaderland terug te keren, al ligt dat aan de andere kant van de wereld en al 'doen afstanden pijn als ze met herinneringen verbonden zijn'. Lang zal de journalist op de vervulling van deze wens niet hoeven te wachten: in de delen twee en drie van de novelle krijgt hij hier onverhoopt de gelegenheid toe.

De journalist in dit verhaal is niet een in de pas lopende medewerker van de 'serieuze pers' die 'slechts interesse heeft voor de problemen van de wereld als die de omvang van een schandaal vertonen'. Ontgoocheld over de klakkeloosheid waarmee zijn collega's de stereotiepen over met name Latijns-Amerika slikken, besluit hij bij een alternatief nieuwsagentschap te gaan werken, dat zich vooral op milieuproblemen richt en nauwe banden heeft met Greenpeace.

Uiteraard fungeert een dergelijk hoofdpersonage/verteller als handige uitlaatklep waarin Sepulveda het eigen ongenoegen kwijt kan, ongenoegen over de doodgeknuffelde officiële schrijvers in zijn land van wie hij zich met klem distantiëert, over de retoriek van de voorbeeldige economische groeicijfers die van wonderland Chili het paradepaardje van het continent maken, verontwaardiging ook over het grote vergeten dat na Pinochets aftreden is ingezet, maar bovenal: woede om de roofbouw die op grote schaal in deze achtertuin van de wereld wordt gepleegd.

Via het Greenpeace-netwerk loopt op een dag de melding binnen dat de Nisshin Maru, een Japans fabrieksschip waarmee de milieu-organisatie het al eerder aan de stok had en dat het walvisjacht-moratorium flagrant schendt, opnieuw in de Patagonische wateren gesignaleerd is. Op een onbegrijpelijke manier worden achttien bemanningsleden van het Japanse schip vermist, en de journalist beslist zich ter plaatse van de ware toedracht van de zaak te vergewissen. Deze tocht wordt het startsein voor een pijnlijke confrontatie met het land van zijn kindertijd en met de weerzinwekkende praktijken van de hedendaagse walvisjacht, die neerkomt op een stelselmatige en niets ontziende verontreining van de zee, en gepaard gaat met een achteloze, want door de technologie verhulde, wreedheid. Geholpen door de verbijsterend koppige kapitein Nilssen, die de krachtmeting met de Japanse reus niet uit de weg gaat, leert de journalist inzien dat de fabrieksschepen een monsterachtige uitvinding zijn die alle leven uit zee opzuigen en het water veranderen in een 'zwarte, dode soep'.

Sepulveda heeft aan honderdvijfentwintig pagina's, die nergens pamfletachtig worden, genoeg om de Patagonië-mythe, die ook de Belgische 'Fundacion Patagonica' met aanstekelijke geestdrift in stand probeert te houden, een schrijnende actualiteitswaarde mee te geven. Bijna terloops verwerkt de auteur hoofdstukjes Chileense geschiedenis in zijn verhaal, zo bij voorbeeld herinnert hij aan die andere zwarte bladzijde, de uitroeiing van de Indianen, door het beschrijven van een bloedstollend tafereel, dat van het 'ijsduivenschieten', een geliefde sport onder veeboeren die erin bestond “dat ze een complete Indianenfamilie op een drijvende ijsschol zetten. Vervolgens begon het schieten, eerst op de benen en dan op de armen, en tenslotte werden er weddenschappen afgesloten wie van de Indianen het laatst zou verdrinken of door bevriezing omkomen”.

Het hoogtepunt van Sepulveda's verhaal, dat ook de opheldering van het raadsel omtrent de vermiste Japanners inhoudt, is aangrijpend. Af en toe geschiedt er gelukkig een klein wonder, en de auteur doet alsof hij gelooft dat een wereldwijd samenwerkingsverband tussen mens en dier een dam zou kunnen opwerpen tegen het heersende cynisme. Op een superieure manier wijst hij ook op de steeds groter wordende kloof tussen de georchestreerde reclamecampagnes voor authenticiteit (de folders met wuivende palmen) en de ontluisterende realiteit, die zelfs het half dozijn resterende voorraadkamers van ongereptheid aan de kaalslag overlevert.

Wanneer de journalist naar Hamburg terugkeert, heeft hij in zijn tas een reusachtige schelp voor zijn zoontje, zo een waarin je de echo van de zee kunt horen. Deze talisman bevat de klank van een der laatste wijkplaatsen, van dat oerlandschap aan het einde van de wereld waarvan het voortbestaan wordt gekoesterd door al wie er wel eens heen zou willen, maar er nooit komt.

Zo'n magische schelp is ook het beheerst en suggestief geschreven verhaal vol ingehouden woede van Sepulveda zelf. Wat Theroux opmerkt over de Patagonische paradox, kan worden uitgebreid tot de hele Latijnsamerikaanse literatuur: in Patagonië ben je of miniaturist en je beschrijft treffende deelaspecten, of je probeert de totale ruimte van de woestijn te vatten. Een studieterrein daartussenin bestaat niet. De grote epische talenten uit de jaren zestig probeerden vol ambitie de tweede formule uit. Luis Sepulveda, evengoed als Eduardo Galeano, of Homero Aridjis in zijn hartstochtelijke pleidooien voor de monarchvlinder en de zeeschildpad, is klaarblijkelijk uit onmacht op de eerste overgeschakeld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden