De jury speelt op safe

(\N)

Dinsdag weten we wie dit jaar de ’Booker’ krijgt: de meest prestigieuze prijs voor Engelstalige romans. Welke boeken dingen mee? En welk van de zes zou moeten winnen, als het puur om kwaliteit zou gaan?

De Man Booker-prijs is de beroemdste prijs voor een Engelstalige roman van wie dan ook uit bijna welk land dan ook - met uitzondering van de Verenigde Staten, waar ze de Pulitzer-prijs hebben. Maar de uitslag zegt, zoals bij zoveel prijzen, meer over de smaak van de juryleden dan over de kwaliteit van de nominaties. De shortlist van dit jaar vormt hierop geen uitzondering – de winnaar wordt dinsdag tijdens een glansrijke Londense ceremonie bekend gemaakt.

Juryvoorzitter Michael Portillo, een conservatief politicus die wordt verafschuwd door Britse liberalen en tegenwoordig politiek commentator is op de Britse televisie, verklaarde in een verbazend persoonlijke confessie dat het criterium voor dit jaar ’boeiend’ was. Hoewel dit een geldig criterium is - waarom ook niet? - valt direct op dat de keuze van dit jaar wel erg veilig is: alle zes boeken komen uit landen die in de Angelsaksische wereld al literaire standing genieten: Groot-Brittanië (2 x), India (2 x), Australië en Ierland.

Velen, onder wie ikzelf, verbaasden zich hierover. Zijn er dan helemaal geen kanshebbers uit Afrika, andere Aziatische landen, het Caraïbisch gebied of Canada? Het zou natuurlijk kunnen dat de gekozen romans buitengewoon of revolutionair zijn. Maar dat zijn ze niet, niet echt.

Nog voor de shortlist bekend werd gemaakt las ik ’De witte tijger’ van Arvind Adiga, dat gaat over een jongen uit een arm dorp die zichzelf omhoog weet te werken in het explosief groeiende Bangalore, en die een geheim heeft dat hij door middel van e-mails deelt met de premier van China. Hoewel ik het geen slecht boek vond, is het idee nogal vergezocht: ’De witte tijger’ is zeker niet een van de beste debuten die dit jaar in India en naburige landen uitkwamen. Hopelijk heeft Adiga later nog betere romans voor ons in petto.

De andere nieuwkomer op de lijst is de Australiër Steve Toltz met ’A Fraction of the Whole’ (Een fractie van het geheel), een bizar, maar erg onderhoudend verhaal. De hoofdpersoon is het neefje van een typisch Australische volksheld, een wetsovertreder die aan het Australische icoon Ned Kelly doet denken en die de lezer vanuit Australië meeneemt naar Europa en Azië.

Dat Toltz’ debuut een sterkere indruk maakt dan dat van Adiga is te danken aan zijn complexe en levendige verteltrant, die zijn boek uiterst leesbaar houdt. Aan fantasie ontbreekt het hem niet. We lezen over een moeder die opgaat in een wolk van rook en over een verbazingwekkend geduldige crimineel die overal blijft opduiken.

Maar wat is de beste roman op deze lijst? Waarschijnlijk toch een van de bekendere schrijvers. Al is het niet het nieuwste boek van Salman Rushdie, dat tot verbazing van velen niet genomineerd werd. Maar waarom zou het ook? Niet elk product van een voormalig winnaar hoeft op de lijst te staan, zelfs niet als die winnaar Rushdie heet.

Afgezien van de debutanten zijn de kanshebbers Amitav Ghosh, Sebastian Barry en Linda Grant. En Philip Henscher, wiens ’The Northern Clemency’ (De barmhartigheid van het noorden) een categorie apart is, alleen al omdat het boek zo dik is; te dik soms voor het verhaal, dat handelt over een aantal families uit Sheffield, in de tijd dat Margaret Thatcher premier was.

Deze ambitieuze pil beslaat weliswaar een hele periode uit de Britse geschiedenis, maar dat maakt het boek nog niet interessant. De meeste personages komen volstrekt niet uit de verf. Je leeft nauwelijks met ze mee, zeker niet met de hoofdpersoon, die makelaar wordt. Hoe fascinerend zijn jeugd ook was, het dagelijks leven van een makelaar in opleiding is nu eenmaal weinig inspirerend. Het wordt er niet beter op wanneer hij zijn baan opgeeft en een nauwelijks geloofwaardig restaurant met de slechtste naam ter wereld opent: Get High on Your Own Supply (Krijg een kick van wat je zelf meeneemt).

En dan is er nog Amitav Ghosh, die volgens sommigen al lang een Booker-prijs had moeten winnen. Zijn werk is over het algemeen erudiet, goed gedocumenteerd, informatief en heel leesbaar. Dat geldt ook voor ’Zee van papaver’, dat zich afspeelt op een schip, in de negentiende eeuw, tijdens de hoogtijdagen van de Britse opiumhandel.

Aan boord bevinden zich allerlei kleurrijke personages, zoals een nazaat van Amerikaanse slaven, een Franse vluchtelinge, een Chinese opiumverslaafde en een aan lager wal geraakte radja. Tijdens hun reis raken hun levens met elkaar vervlochten: een uitzonderlijke globalisering avant la lettre. Ik heb het boek met plezier gelezen, al is het niet het beste dat Ghosh heeft geschreven: het Creools dat de personages spreken, is bijvoorbeeld vrij onbegrijpelijk, zelfs als je de talen waarop het gebaseerd is vrij goed kent.

De Ierse bijdrage, ’The Secret Scripture’ (net vertaald als ’De geheime schrift’) van Sebastian Barry, speelt ook in het verleden, in dit geval in de recente Ierse geschiedenis. In een bejaardenhuis dat op het punt staat gesloten te worden, haalt een oude vrouw herinneringen op aan haar leven in een turbulent tijdperk. Ierland werd onafhankelijk, er woedde een burgeroorlog, en van de katholieke kerk behield nog lang macht: ze bemoeide zich zelfs met het leven van deze protestante vrouw.

De sleutel tot haar herinneringen is in handen van een arts, een geadopteerde Engelsman van Ierse afkomst die erg zijn best doet te assimileren. Kort geleden is hij zijn echtgenote verloren, en nu sluit hij vriendschap met de oude vrouw. Hij probeert haar te beschermen, en komt steeds meer over haar verleden te weten. Wat hij ontdekt klopt niet helemaal met het haar verhaal, maar leidt wel tot een (bijna) bevredigende ontknoping.

Barry’s groots opgezette roman is niet alleen geslaagd als kroniek van twintigste-eeuws Ierland, het lukt hem ook beter dan Henscher zijn personages vlees op de botten te geven.

’The Clothes on their Backs’ (De kleren die ze dragen) van Linda Grant is een fantasievol verhaal dat zich ook al in een voor Britse lezers bekende omgeving afspeelt, namelijk in het Londen van de jaren zeventig. En waarin zwarte en Joodse immigranten elkaar met wantrouwen bejegenen, terwijl hun kinderen elkaar vinden in de strijd tegen bot Engels racisme. In dit klimaat besluit Vivien, dochter van ordelievende vluchtelingen, om meer te weten te komen over haar beruchte oom Sándor, eigenaar van een aantal krotten, die door de pers ’het gezicht van het kwaad’ wordt genoemd.

Grants roman vertoont zekere overeenkomsten met dat van Steve Toltz: in beide verhalen werpt een beruchte oom een lange schaduw over de familie, maar hij herstelt uiteindelijk zijn fouten. Maar ’The Clothes on their Backs’ deed me ook aan het boek van Arvind Adiga denken: sommige lezers zullen ervan genieten, andere zullen het ongelooflijk vergezocht vinden.

Dus wie zal winnen en wie verdient de prijs? De laatste vraag is de gemakkelijkste: ondanks zijn tekortkomingen komt ’Zee van papaver’ van Amitav Ghosh mijns inziens als beste uit de bus. Sebastian Barry hoort ook een kans te maken.

Maar ik denk dat Henscher de hoogste ogen zal gooien. De Engelsen willen ook wel eens in de prijzen vallen en Michael Portillo is, hoewel hij een Spaanse vader en een Schotse moeder heeft, beslist zeer Engels. Ik wed dat hij op Henscher stemt. Ghosh maakt ook een goede kans, niet alleen omdat zijn boek het beste van de zes is, maar ook omdat hij een behoorlijke literaire reputatie heeft en de prijs nooit eerder kreeg. Maar als de jury een beginneling wil bekronen – dat is wel eerder gebeurd – wordt het Toltz. Reken in elk geval nergens op!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden