Review

De Hortus is een sieraad voor Amsterdam

D.O. Wijnands, E.J.A. Zevenhuizen en J. Heniger: Een Sieraad voor de Stad. De Amsterdamse Hortus 1638-1993. Uitg. Amsterdam University Press, Amsterdam. Gebonden 350 bladzijden, 250 illustraties, ¿ 69,50.

HENK VAN HALM

In Groningen en Amsterdam hebben de universiteiten hun hortussen al geruime tijd geleden afgestoten. Om te overleven moeten de tuinen het hebben van het particulier initiatief. Financiën moeten komen van giften, sponsors en commerciële activiteiten, die veel publiek moeten trekken. Want de doelgroep is nu alleen nog het publiek en niet langer de studenten. Het publiek komt van de merendeels exotische planten genieten of vanwege manifestaties zoals markten en tentoonstellingen of gewoon alleen maar voor de sfeer. De entreegelden zijn vele malen hoger dan toen de hortussen nog deel uitmaakten van de universiteiten.

De burgerij mag er best wat voor over hebben dat de hortus in hun stad bewaard blijft. In de eerste plaats is het een waardevolle groene plek tussen baksteen en beton, maar daarnaast is het een cultuurmonument. Een oude hortus is een staalkaart van kassen- en tuinarchitectuur en een museum van levende planten. Daarover gaat het pas verschenen boek 'Een Sieraad voor de Stad', dat de geschiedenis beschrijft van de 356-jarige Amsterdamse Hortus Botanicus. Twee weken geleden werd het in de negentiende-eeuwse palmenkas aangeboden aan Amsterdams burgemeester Patijn.

Het oogstrelende boek, vol oude prenten, reprodukties, herbariumbladen, portretten en kleurenfoto's, geeft een gedetailleerd beeld van de eeuwenlange ontwikkeling die de hortus heeft doorgemaakt.

Receptenboek

Die ontwikkeling begon in 1636 met de invoering van een nieuw receptenboek, de Pharmacopoea. Daaruit vloeide de instelling van een examen voor meester-apotheker voort, wat de stichting van de eerste Amsterdamse hortus twee jaar later met zich meebracht. Leiden en Franeker waren Amsterdam daarin al voorgegaan, Utrecht, Groningen, Breda en Harderwijk volgden. Al die tuinen waren verbonden aan een universiteit of een school voor academisch onderwijs en werden gebruikt voor de opleiding van artsen. Alleen de Amsterdamse tuin was bedoeld voor de opleiding van apothekers onder toezicht van een door de stadsregering benoemd college van artsen en apothekers.

De eerste Amsterdamse hortus was een stadstuin in het Reguliershof. Al in de eerste tien jaar van zijn bestaan ontwikkelde de Amsterdamse hortus medicus zich tot een hortus botanicus, waar niet alleen planten werden gekweekt voor hun praktisch nut, maar ook vanwege hun sierwaarde. De uitbreiding ging snel: in 1646 telde de tuin maar 330 soorten, twee jaar later al bijna 800, in 1665 tussen de vijftienhonderd en tweeduizend! In het boek staat een lijst, die een indruk geeft van de verscheidenheid van die vroege tuin. Inheemse soorten waren erbij en ook nogal wat planten die tegenwoordig als tuinplant bekend zijn, met een nadruk op Amerikaanse soorten.

In 1665 werd de hortus overgebracht naar het Binnengasthuis en gereduceerd tot een verzameling geneeskruiden voor examendoeleinden. De sierplanten vonden elders in het gasthuiscomplex een plaats. Maar in 1682 kreeg de hortus toch ook weer een publieksfunctie met de aanleg op de tegenwoordige lokatie, in de Plantage. Daar kwam onverwachts en onbedoeld een ruime plek leeg in de nieuwe stadsuitleg, waarvoor geen animo tot woningbouw bestond.

Gestage import

Een braakliggend, moerassig terrein werd omgetoverd tot een rijk voorziene plantentuin, waarin tropische gewassen een prominente plaats innamen. Buitenlandse contacten zorgden voortdurend voor nieuwe aanwinsten. Er bestond een levendige ruilhandel tussen de verschillende hortussen in Europa. De import van exotische planten was vooral te danken aan burgemeester Joan Huydecoper, een van de grondleggers van de hortus in de Plantage, die zijn eigen prestige aan de hortus verbond en als bewindhebber een dikke vinger in de VOC had.

Onverbrekelijk verbonden met de hortus zijn de namen van Jan en Caspar Commelin. Jan was koopman in drogerijen, raadslid van Amsterdam en naast Huydecoper de andere grondlegger van de nieuwe hortus. Hij schreef de eerste catalogus, die circa 2 200 nummers telde, en een werk over de zeldzame planten in de hortus. Zijn neef Caspar, in 1697 tot botanicus van de hortus benoemd, zette het werk van zijn oom voort en publiceerde vier jaar later het tweede deel over de bijzondere planten. De meeste illustraties zijn terug te vinden in de zogenaamde Moninckx-atlas, negen lederen banden met 425 aquarellen, die zich nu bevinden in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. In het zojuist verschenen boek staan verscheidene kleurenreprodukties van deze beroemde aquarellen.

Onder Caspar Commelin groeide de collectie nog verder, 'tot grotere luister van de stad'. Amsterdam zag zijn hortus in de achttiende eeuw als een prestigeobject.

Pas in het midden van de achttiende eeuw kwam een formele verbinding tot stand tussen de hortus en het Athenaeum Illustre. Tal van grote plantkundigen waren aan de hortus verbonden: Johannes en Nicolaas Burman, Carl Peter Thunberg (die voor de hortus planten verzamelde uit de Kaapkolonie, Java, Japan en Ceylon), Gerard Vrolik, Willem Hendrik de Vriese, C.A.J.A. Oudemans en wellicht de bekendste van allemaal, Hugo de Vries. Zijn benoeming viel tegelijk met de oprichting van de Amsterdamse universiteit. Om hem af te houden van een beroep in Amerika bouwde Amsterdam speciaal voor hem het Botanisch Laboratorium, nu het Hugo de Vriescentrum, een bolwerk van natuur- en milieuorganisaties.

In 1986 kwam een eind aan de binding aan de universiteit. De Amsterdamse hortus, die sedertdien als zelfstandige botanische tuin moet voortbestaan, drijft vooral op vrijwilligers. Er is een vriendenvereniging, die fors heeft bijgedragen in de exploitatie en in het bijeenbrengen van de anderhalf miljoen gulden voor de bouw van een nieuwe kas. De moeizame overlevingsstrijd lijkt voorlopig bekroond met de realisatie van deze drie-klimatenkas, een bouwkundig hoogstandje dat veel publiek uit binnen- en buitenland trekt. Nu, ruim een jaar na voltooiing, kun je je er al wanen in een tropisch regenwoud. Er bloeien Zuidafrikaanse pelargoniums en bijzondere Australische gewassen in de subtropische zone. In het gedeelte, waar als laatste onderdeel de woestijn is aangelegd, kun je je verbazen over de vele verschijningsvormen van woestijnplanten, verschijningsvormen die alles te maken hebben met het overleven in een extreem klimaat. Tussen alle reuzen en kleurige gewassen in het tropische deel valt een lage plant op met blauwe bloempjes en twee grote ronde kroonblaadjes. Dit 'Mickey Mouse-plantje' is Commelina bengalensis, dat de namen van de beide Commelins levend houdt.

NATUUR DEZE WEEK

Als u een tuinvijver hebt, wordt het nu tijd de vijver uit te baggeren. Bijna alle blad is van de bomen en veel ervan is in het water gewaaid. De vertering van het blad onttrekt veel zuurstof aan het water, wat vooral bij vorst rampzalige gevolgen kan hebben voor de vijverfauna. De vrijkomende voedingsstoffen zorgen bovendien in het voorjaar voor een uitbarsting aan microscopische algen, die het water vertroebelen en daardoor de groei van hogere waterplanten vertragen. Pas bij het baggeren wel op dat u niet de winterknoppen van kostbare waterplanten weggooit. Zo ben ik al eens al mijn waterviolieren en kikkerbeet kwijtgeraakt. Hetzelfde geldt natuurlijk voor waterdieren zoals vissen, insekte- en salamanderlarven en waterslakken, al valt niet te voorkomen dat massa's slakken, mosseltjes en waterpissebedden in de weggeworpen bagger sterven. - Roodborsten, kramsvogels, koperwieken en zanglijsters trekken 's nachts en pleisteren overdag in geschikte bosjes. Roodborstjes tikkeren en zingen luid om hun tijdelijke territorium af te bakenen. Ze zijn zo onverdraagzaam jegens soortgenoten, dat zelfs de vrouwtjes zingen alsof het mannetjes zijn. - Aan de kust zoeken fraters in troepjes naar zaadjes in strandduintjes en op kwelders. Fraters broeden niet in Nederland, maar ik zag ze in het broedseizoen in Schotland even vaak als hier kneuen. Ze zijn naaste familie van de kneu en lijken veel op deze vinkachtige.

EN VERDER

Vanmiddag kunnen kinderen vanaf 6 jaar speuren naar sporen met natuurgidsen, om 14.30 uur vanaf het bezoekerscentrum van Natuurmonumenten aan de Van Tienhovenlaan 5 in Oisterwijk. Wel vooraf aanmelden bij beheerder F. Kapteijns: 04242-19209. - In datzelfde bezoekerscentrum is morgen van 10 tot 17 uur een natuurboekenbeurs, een nogal unieke gebeurtenis en een buitenkans voor verzamelaars. De onderwerpen van deze boeken lopen sterk uiteen. Onder het aanbod bevinden zich boeken met beschrijvingen van dieren, planten, landschappen en rivieren. Op de beurs zijn veel boeken uit het begin van de jaren vijftig en zelfs enkele gidsjes van begin deze eeuw. En wie zelf van natuurboeken af wil, kan ze op de beurs kwijt. Een deel van de opbrengst komt ten goede aan het bezoekerscentrum. De toegang is gratis. - Natuurwandelingen voor het publiek van het IVN: morgen wandeling over de Neterselse Heide, om 9 uur van parkeerplaats camping De Couwenberg, De Ruttestraat in Netersel; landschapswandeling van vier uur door het Ginkelduin en het Leersumse Veld (met kans op raven, die hier zijn teruggebracht!), om 9.30 uur tegenover restaurant Darthuizen in Leersum; wandelen in de omgeving van het Grote Veld, om 14 uur bij hectometerpaaltje 6,6 langs de weg van Zutphen naar Lochem; natuurwandeling van anderhalf uur door de Haagse Beemden bij de Emerput, om 14 uur van het koffietentje aan de Mijkenbroek in Breda.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden