Review

De hectiek van heftruc en heipalen

Er gebeurt altijd wat in de gedichten van Elma van Haren.Rusteloos en wanordelijk zijn ze. Dat past goed bij het stadsedecor van haar nieuwe bundel: Amsterdam als bouwput, voldrilboren en bedrijvigheid.

Springerig, associatief en tegelijk dwingend op dewerkelijkheid betrokken: zo is de poëzie van Elma van Haren vaakgetypeerd. Haar lange, breed uitwaaierende gedichten hebbenmeestal een verhalende kern die echter voortdurend door speelseinvallen, impressies en herinneringen wordt omspeeld engeïntensiveerd. Ook in de wanordelijke typografie is het eenzwieren, zigzaggen en tegendraads bewegen dat het een lieve lustis.

Haar nieuwe bundel 'Zacht gat in broekzak' doet quaheftigheid voor het vroegere werk niet onder. Altijd komt ergensin deze poëzie het overrompelend moment ter sprake:'bliksemmomenten, / de wereld zich verheffend / met haarelementen.' Wervelende momenten dus, waarin de dichteres wilopgaan: 'In de werveling van deze lichtheid / wil ik er ijltegenaangaan. / Onstoffelijk en niets om het lijf hebbend.'

Je in je eigen observaties en hersenspinsels verliezen entoch de touwtjes als dichter stevig in handen houden; dat is watVan Haren lijkt te beogen. En dan maar zien wat je woordcycloononderweg zoal heeft opgerakeld en meegenomen.

De bundel bevat twee afdelingen waarvan de eerste uit louterAmsterdamse locaties bestaat. Het is vooral de stadsvernieuwing,zeg maar de bouwput Amsterdam, waarop wordt ingezoomd. De hectiekwaarmee heipalen de grond in dreunen en kakelverse appartementenbovengronds verrijzen is een schijnbare maar in wezenconstructieve janboel waarin deze cyclonische poëzie zich goedthuis voelt.

Daarbij wordt suggestief gespeeld met contrasten. In'Pionieren op IJburg' krijgt het graafwerk zelfs de allure vaneen natuurtafereel: 'machines schuiven / als bloemstamperskrullend naar licht / en beladen met stuifmeel, / aarde over dekuilen.'

Tegenover alle stadse bedrijvigheid, ideaal decor voor haarspringerige en bijkans van de pagina af lopende verzen, wordentoch ook rustmomenten gezocht. In 'Wat ik zocht in de ochtend'bijvoorbeeld zou ze het liefst alleen tegenover de mus op deschutting of even verderop bij 'de abelen' willen zitten. Inplaats daarvan draaft en draait alles om haar heen: 'veelsporters met bolzit en knakstuur, / veel hoppers met stang enmetallic, veel petwerk, / [...] oudere ouders, / stoeltjes voorstoeltjes achter'. Door dat alles heen het gedreun van heftruc,heipalen en drilboor.

Na een herhaald ach en wee barst de dichteres in cursieftegen zichzelf los: 'Neem dan die ABELEN in de CzaarPeterstraat. / Al het bouwen doorstaan [...] / [...] / hetrenoveren, opnieuw en dan nog eens. / Hun wortelrokken diepschuddend in de aardlaag'. En dan komt het sterke slot, dat rustzoekt in het talig onrustig opstapelen, met huid en haar hetgedicht binnentrekken, van de abelen:

'In de ochtendabelenabelen.

Hardnekkig de kop opstabelend

in deze ochtendconstabelatie'.

Van Haren in optima forma, taalspelig, zwierend over depagina, rust en onrust van elkaar doordringend. Er gebeurt altijdwel wat in haar 'constabelaties'. Ze zijn vaak tegelijk gek enauthentiek, of het nou een hoertje is dat een kennelijk dronkenbestuurder aan de haak slaat die haar toeblèrt'LAMEDANMELOENZIEN!', of een treffende observatie op locatieIJburg als 'In de zandvlakte putdeksels, / ontegenzeggelijketekens van beschaving'.

De tweede afdeling is als geheel wat minder sterk. Zij gaatover van alles en nog wat - Zorro, de cartografie, CharlesBronson - en blijft te vaak steken in, ik zeg het de dichteresna, 'tinkelende bellenblazerij'. Mooie passages en verbalesalto's, dat wel, maar weinig gedichten die integraal overtuigen.

De eerste afdeling daarentegen is, misschien door degebondenheid aan één locatie, uitstekend. 'Sumatrakade' is eenvan de hoogtepunten. Het is zoals alle gedichten uit deze bundelte lang om te citeren. Het zet mooi in met 'Een zwierlichaam dochgesteven'. Dan volgt een kort onderonsje over God en mensheid omdirect daarna de ooit zo bedrijvige en exotische kade weer scherpin beeld te brengen:

'een plechtig stenen swingen naast een water

dat zijn geschiedenis boven water vraagt

met al die stukslaande schuimkoppen op

de singsong-namen:

Marong Serang Bogor Kraton.'

Fraai hoe hier zicht- en hoorbaar (swingen en zingen) tempodoeloe wordt opgeroepen. Maar daarop volgt onmiddellijk weer eeneigentijdse impressie van een jogger en lijn 42 en ook vraagt de'ik' zich af: 'welke schutkleur is de mijne?' Waar deze kruidigekade exotisch kleur bekent moet ook zij kleur bekennen.

Dan volgt een suggestieve aquarel van de kade en zijnroemruchte verleden, alles 'met een achteloze zwiep bij de inhoudgevoegd' en in die kleurstelling 'sta ik naast meerpaal 32 er netzo gekleurd ingedraaid, / maar / in stilte. // Stad, / je hebtme bij de kladden // op de kade'.

Een einde uit het boekje. De dichteres lijkt alle grip op haareigen mozaïek verloren te hebben. Niet zij heeft de stad, destad heeft haar bij de kladden. Jezelf zo nadrukkelijk inkleurenen wegcijferen tegelijk is een sterk staaltje illusionisme. Datis echt samenvallen met en verdwijnen in de eigen woordmaterie.Knap.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden