Op locatie

‘De grote angst in de bergen’: wat een kracht, wat een verbeelding en wat een precisie

Beeld Gemma Pauwels

Hoe kijken schrijvers naar een plaats? In aflevering 7 van ‘literaire locaties’ de Alp in ‘De grote angst in de bergen’ van Charles-Ferdinand Ramuz.

Ik ben graag buiten, ik hou van wandelen en wildkamperen in de bergen, ik hou van natuurbeschrijvingen – als ze goed zijn, uiteraard, en om te lezen; ze schrijven valt me bijkans zwaarder dan met 13 kilo op je rug nog 1000 meter naar de col. Ik probeer het wel, onderweg, woorden zoeken bij de dingen die ik zie, maar mijn vocabulaire schiet tekort. Dan zie ik een... – en verdomd, ik krijg het nu al zwaar – ... een helling met stenen die zo gemakkelijk onder je voeten gaan rollen en jou maar al te graag meenemen de afgrond in, en denk: hoe noem je dat? Een puinhelling? Morenen? Zijn dit nou morenen? Zo’n woord – geef toe – dat voelt geleend, plagiaat: de graad (met een d of t?), de kam, de alm...

Aan de voet van de gletsjer van de Grand Combin beschreef ik in gedachten zijn kleuren als die van een in ijs gevangen regenboog. Daar teer ik dan jaren op.

Nee, dan de Zwitserse Charles-Ferdinand Ramuz, schrijver van het onlangs door Rokus Hofstede prachtig opnieuw vertaalde ‘De grote angst in de bergen’! Wat een kracht, wat een verbeelding en wat een precisie. Hij beschrijft de bergen en hun mythische dreiging zó dat ze nog meer indruk op me maken dan ze in het echt al doen. Het verhaal draait om een hooggelegen alpenwei (in de buurt van de Weisshorn) die, omdat er decennia terug een ramp heeft plaatsgevonden, niet meer wordt gebruikt; hij is vervloekt. De jongsten uit het dorp willen er een kudde koeien naartoe brengen, de ouderen vrezen voor herhaling. Een groepje mannen gaat, en natuurlijk gaat het mis, en niet zo’n beetje ook, op alle fronten. Door menselijk falen én de wetten van het (boven)natuurlijke. Je bent, ook als lezer, overgeleverd aan dingen die groter zijn dan wij, veel groter. Uit mijn hoofd: bij het verlaten van de bewoonde wereld komen de herders en hun kudde in een dal met rotsblokken als slordig neergesmeten huizen...

Nee, Entius, doe maar niet uit het hoofd, laat het aan de meester over:

“Zo kwam hij (Joseph, die op de vlucht is, YE) steeds hoger, werd weer klein en steeds kleiner, daarboven in de stilte; en hij tekent zich af tegen de sneeuw, en tekent zich dan af tegen de hemel, als hij de inkeping bereikt; daar dan overeind in dat venster, wanneer je ineens wordt besprongen door wat zich aan de andere kant van de keten bevindt, en kennismaakt met een onbekende helft van de wereld, die in één keer tot je komt. Daar staan opnieuw torens, pieken en spitsen bij duizenden voor je uitgespreid, en vanwege de grote afstand lijkt het wel alsof je erboven staat, hoewel ze wit, helemaal wit zijn, en wanneer de zon ze rechtstreeks beschijnt, goudgeel of roze: van roze marmer, of van metaal, van goud, van staal, van zilver; zo vormen ze in de wijde omtrek om je heen als een kroon van edelstenen – die andere kant van de bergketen waar Joseph nu was aanbeland.”

Geen woord Chinees overigens, valt me nu op.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden