Vandaar dit boek Enny de Bruijn

De Gouden Eeuw was op het platteland een ruige tijd

Salomon van Ruysdael, rivierlandschap met op de achtergrond de kerktoren van Gorinchem, 1647. Beeld Liechtenstein Museum

Neerlandicus Enny de Bruijn (1968) dook na de vondst van persoonlijke brieven in de geschiedenis van haar eigen boerenfamilie in de Gouden Eeuw.

Zoveel als we van de stadscultuur in de Gouden Eeuw weten, zo weinig weten we over het Nederlandse platteland in die tijd. Er zijn nauwelijks schilderijen van gebouwen of personen gemaakt, en naar een gebied als de Tielerwaard is weinig historisch onderzoek gedaan. Het was een kadootje dat ik 25 jaar geleden ineens op heel persoonlijke brieven stuitte van mijn eigen voorouders van tien generaties geleden, boeren uit Herwijnen.

De correspondentie ging tussen boer Arien van Rijckhuijsen (1671-1750) en zijn zoon Gijsbert die het boerenbestaan in Herwijnen al vroeg ontvluchtte en als stadsbode carrière maakte in Leiden. Gijsbert was een verwoed genealoog en vroeg zijn vader in de brieven uitvoerig te vertellen over de lotgevallen van hun voorouders, de Roosa’s. Alle brieven van zijn vader en andere familieleden schreef hij over in zeven folianten die hij na zijn dood vermaakte aan de Leidse universiteitsbibliotheek. Door die vooruitziende blik zijn de verhalen veilig bewaard gebleven.

Gelderse boeren

Toen ik de brieven las, kon ik de stemmen van familie Roosa bijna horen. “Het water heeft twee mael tot bij onse haert steede geweest”, schrijft vader Arien tijdens een winter waarin het rivierwater zijn buitendijkse boerderij binnendringt, „so dat onse meijt in de keuken twee mael staende op een blok in ’t water heeft moeten kerrenen (karnen).” Ik was ook blij met de vondst van het verhaal van een meisje uit de familie Roosa die dienstbode was bij de predikant van Heukelum en er spijt van kreeg dat ze hem voor de hele kerkenraad beschuldigd had van ongepaste seksuele handelingen. Uiteindelijk trouwde hij met haar, maar niemand wilde zijn preken meer bijwonen.

Rembrandt van Rijn, Het ledikant, 1646, Teylers Museum Haarlem

 Ik wist dat ik een keer iets met de brieven zou moeten doen, maar het was niet makkelijk. Ik ben neerlandicus en promoveerde in 2012 bij Frits van Oostrom op de 17de-eeuwse predikant en dichter Jacobus Revius. Een boek over mijn familie in Herwijnen zou diepgravend onderzoek gaan vergen in testamenten, akten van landverkoop, rentebrieven en procesdossiers uit de 16de, 17de en 18de eeuw. Eigenlijk wilde ik een boek schrijven voor een breed publiek. Gelukkig kreeg ik hulp van deskundigen die wel iets in zo’n Gelderse boerengeschiedenis zagen, en bracht Van Oostrom mij in contact met uitgeverij Prometheus. Zes jaar geleden ben ik er dan toch aan begonnen.

Fruitbomen

 Mijn ouders komen uit Herwijnen en ik voel mij verbonden met het mooie dorp aan de Waal. Toch ben ik er niet gaan praten met bewoners. Als er tien generaties zijn verstreken, heeft dat niet veel zin meer. Familieverhalen blijven hooguit drie of vier generaties voortleven. Om die reden heb ik ook besloten mijzelf niet in het boek op te voeren als nazaat van de Roosa’s. ‘De hoeve en het hart’ gaat over een familie, en over een streek en een sociale groep die in het algemeen weinig aandacht krijgt: boeren op het Gelderse platteland. Ik wilde erachter komen wat hen bewoog, hoe ze dachten en leefden. Daarbij heb ik geprobeerd te schrijven voor een breed publiek, maar het is wél een boek met voetnoten geworden, dat kon niet anders.

 Als ik de afgelopen jaren vertelde dat ik met de brieven van een 17de-eeuwse boer bezig was, hoorde ik vaak: wat knap dat die al kon schrijven! Maar boeren en boerinnen met grote bedrijven waren vaak behoorlijk geletterd. Ze noteerden alles over hun erfenissen, leningen en bezittingen en hielden ingewikkelde boekhoudingen bij. Dat kon ver gaan: als een moeder na de dood van haar man bijvoorbeeld bleef inwonen bij een zoon die de boerderij overnam, dan werd precies genoteerd hoeveel zij moest betalen aan kostgeld. Bij de Roosa’s hield de oude boerin twee koeien en wat fruitbomen achter de hand om bij te verdienen. Ook dat werd vastgelegd. Dit om ruzie te voorkomen tussen erfgenamen.

Eer

 Ruzie was er op het platteland volop. Mijn eerste hoofdstuk gaat dan ook over eer. Die was in de 17de eeuw enorm belangrijk voor deze Gelderse boeren. Je hoefde iemand maar een leugenaar te noemen en er brak slaande ruzie uit. Niet met woorden, maar met vuisten en messen. Niet zelden leidde dat tot doodslag. De dader werd wel veroordeeld, maar vluchtte dan een paar jaar het dorp uit tot er een overeenkomst was gesloten met familie van het slachtoffer- vaak kwam er een flinke afkoopsom aan te pas. Vervolgens kon de dader gewoon terugkeren en het zelfs tot schepen of schout schoppen. We hebben uit de geschiedenisboeken van de Gouden Eeuw het beeld overgehouden dat bij onze voorouders tolerantie hoog in het vaandel stond. Maar de wereld van het Gelderse platteland is een andere dan die van de Hollandse steden. Er werd meer gevochten dan gepolderd.

 Uiteindelijk is de moraal rondom Herwijnen wat beschaafder, gereformeerder en ‘burgerlijker’ geworden. Dat proces heeft wel een eeuw geduurd. Gedurende de hele Tachtigjarige Oorlog waren de Tieler- en Bommelerwaard frontgebied. Er was geen goed georganiseerd bestuur, en op kerkelijk gebied was er tientallen jaren lang sprake van een impasse: de plaatselijke jonkers wilden katholiek blijven, de hogere Gelderse overheid wilde het gebied protestants maken. In die chaotische tijd beklaagden predikanten zich over het gedrag van de boeren, vooral over doodslag, ‘hoererij’ (waar waarschijnlijk ongehuwd samenwonen mee bedoeld werd) en roomse invloeden in het openbare leven. Ook ergerde het ‘speelen, bierdragen, verpagten op den dag des Heeren’. De predikanten voerden hier strijd tegen, maar die cultuur zat bij de boeren heel diep.

De ‘Slag om Grolle’, waarbij de Staatse troepen het Spaanse Leger verslaan, wordt nagespeeld door 1200 acteurs. Vrouwen rennen over het slagveld om de mannen te bevoorraden. Beeld Herman Engbers

Stoutigheden

 In de 18de eeuw verandert er uiteindelijk wel iets: je treft in de verslagen veel minder ‘staaltjens van roomse stoutigheden’ aan, terwijl er van doodslag nauwelijks sprake meer is. Het kerkbezoek neemt toe en predikanten proberen in hun preken niet meer hun leer uiteen te zetten, maar mensen echt te raken. Herwijnen werd na 1700 een gereformeerd dorp en is dat tot de dag van vandaag.

 Als je hoort hoe er nu over geschiedschrijving wordt gesproken, dan gaat het er vaak om of die wel divers genoeg is. Ik vind dat je daarbij naar méér moet kijken dan alleen naar huidskleur of sekse. Ook plattelanders zijn een groep die weinig aandacht heeft gekregen. Zo bekeken past mijn boek in de trend om onderbelichte groepen te voorzien van een verhaal.

De hoeve en het hart. Een boerenfamilie in de Gouden Eeuw
Enny de Bruijn
Prometheus; 464 blz. €24,99

Lees ook: 

Standvastig in een veranderende wereld

Gerrit- Jan Kleinjan recenseert het boek over dichter en predikant Jacob Revius waarop Enny de Bruijn promoveerde.

De elite had zijn eigen dierentuin, de gewone mensen hadden elkaar

Interview van Esther Bijlo met financieel historicus Oscar Gelderblom. In de Gouden Eeuw regelde het volk zelf zijn geldzaken, zónder financiële instellingen

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden