Review

De goede voornemens van de VS vallen vaak verkeerd uit

De VS hebben door de eeuwen heen in het Midden-Oosten meer goed dan kwaad gedaan, betoogt de Amerikaanse historicus Oren. Maar de Brit Stewart komt in zijn reisverslag uit Afghanistan tot andere conclusies over het effect van westerse inmenging.

Michael Orens boek over de Amerikaanse betrekkingen met het Midden-Oosten verhaalt een geschiedenis die nog elke dag actueel is. Al twee eeuwen lang berusten de relaties tussen de Verenigde Staten en het Midden-Oosten op macht, geloof en verbeelding, zo houdt de Amerikaanse historicus de lezers voor.

Opgedist in een barok proza dat het midden houdt tussen TIME Magazine’ en National Geographic, trekt een stoet van presidenten, generaals en zendelingen voorbij. Onder verbeelding van het Midden-Oosten verstaat Oren films als ’De Sjeik’ van Rudolph Valentino, en Walt Disney’s ’Alladin’. De verdediging van Amerika’s belangen, de verspreiding van zijn overtuigingen, en de sprookjes van Hollywood zijn Amerikaanse preoccupaties, en wat de Midden Oosterlingen daarbij denken is in dit boek vers twee. Toch, zonder dat Oren die ooit tot onderwerp maakt, is de kloof tussen de wederzijdse verwachtingen het thema van het boek.

Die eenzijdige opvatting van de betrekkingen geeft het boek onbedoeld het tragikomisch karakter dat bijvoorbeeld ook ’The ugly American’ (Eugene Burdick en William Lederer, 1958) bezit, een roman over hoe goede voornemens van Amerikanen onvermijdelijk verkeerd uitpakken. Niet alleen in het Midden-Oosten, want zijn macht, geloof en verhitte verbeelding heeft Amerika bijvoorbeeld ook op Parijs, Mexico en Hawaï geprojecteerd. Dwingelandij, zendingsdrang en begeerte zijn trouwens de (on)deugden van alle imperia.

Orens epos begint met een oorlog die de Amerikanen aan het begin van de negentiende eeuw voerden tegen de Barbarijse zeerovers, kapers op de Noord-Afrikaanse kust die zich behalve aan gewone roof ook aan ontvoeringen van ’onschuldige handelaars’ verdienden. Anders dan de Europeanen, benadrukt hij, lieten de Amerikaanse regeringen zich niet ringeloren, weigerden losgeld te betalen en stuurden de marine.

In alle volgende verwikkelingen in het Midden-Oosten, of het nu dekolonisatie van Egypte betreft of de Turkse moordpartijen onder de Armeniërs, stuit de lezer steeds op dezelfde driehoeksverhouding tussen driftige oosterlingen, berekenende Europeanen en idealistische Amerikanen. Macht staat dan wel voorop in het rijtje drijfveren dat Oren noemt, maar bij alle politieke intriges en militair ingrijpen in het Midden-Oosten koestert Amerika volgens de schrijver een nobel streven.

Dat is in het bijzonder het geval als het over Israël gaat. Een rode draad in de Amerikaanse bemoeienis is de wens van Amerikaanse christenen, al lang vóór het zionisme, Palestina te bevolken met joden. Achter dit Restorationism staken hoop op de bekering der joden, filantropie, en de wens een bruggehoofd in de regio te vestigen. Een verdienste van Oren is het inzicht dat hij verschaft in de Amerikaanse fascinatie voor ’het uitverkoren volk in het heilige land’, want dat politiek-religieuze complex duurt voort tot op vandaag.

Ook Rory Stewarts ’Tussenstations’ is een episch verhaal, niet omdat het eeuwen en continenten omspant, maar vanwege de odyssee die er in verteld wordt. De Brit Stewart is een avonturier van het soort waar Oren graag over schrijft, een excentrieke intellectueel die in 2002, toen de Taliban nog maar net verslagen waren, in de winter door de bergen van west- naar oost-Afghanistan liep. Hij deed dat in de voetsporen van de Mongoolse veroveraar Babur die de zestiende eeuw het grote Mogul-rijk stichtte, dat zich over grote delen van het Perzië, Afghanistan en India uitstrekte.

In vijf weken legde Stewart negenhonderd kilometer af, van dorp naar dorp, in de steenkou, over onherbergzaam terrein. Maar zijn grootste beproeving waren de Afghanen op wie hij voor voedsel en onderdak aangewezen was. Na lezing zal iedereen die de hippieverslagen uit vroeger jaren over de Afghaanse gastvrijheid kent, zich afvragen of het over hetzelfde land gaat. En mensen die hun geliefden naar dat land hebben zien vertrekken om er aan de zogenaamde wederopbouw te werken, moeten wel twijfelen of die jongens daar enig goed kunnen doen.

Op twee ontmoetingen na zijn de Afghanen op Stewarts pad wantrouwend, hebzuchtig en gewelddadig. Hoe kan het ook anders in een land dat verdeeld is in etnische minderheden, die zelf weer verdeeld zijn in de clans van krijgsheren, allemaal gemengd in een internationaal conflict dat elke groep op zijn eigen, maar in elk geval anti-westerse manier, uitlegt. Het enige dat de Afghanen verbindt, is de godsdienst, en die scheidt hen nu net weer van hun zogenaamde bevrijders.

Stewart bezit een prijzenswaardig belangstelling voor vreemde culturen en een oprecht begrip voor de benarde omstandigheden waarin zijn gastheren verkeren, maar hij kan er niet omheen dat de Afghanen als ze het niet op zijn leven, tenminste op zijn spullen voorzien hebben. Want behalve aan kalasjnikovs is aan alles gebrek. De hele reis lang hangt dreiging in de lucht.

Onderweg trekt Stewart veel tijd uit voor bespiegelingen. Iedere wandelaar zou in die omgeving aan het mijmeren slaan, maar voor Stewart zijn de observaties over natuur en cultuur ook een vlucht uit de chaos. Meermalen stuit hij op de geschonden overblijfselen van eerdere beschavingen, zoals de resten van de door Taliban vernielde Boeddha’s, en steeds vraagt hij zich af of en hoe de Afghanen er vroeger in slaagden om met menselijke verschillen te leven. En dan zijn er de woestijn, de bergen, en de even angstwekkende als ontroerende herdershond waarmee de schrijver zijn tocht voltooit; een overweldigende natuur die een schril licht werpt op het menselijk tekort.

Op de laatste bladzijde van zijn ’Power, Faith and Fantasy’ zegt Oren zeker te weten dat de Amerikanen het Midden-Oosten meer goed dan kwaad hebben bewezen. Dat besluit van het boek kan alleen een akte van geloof heten, want Orens kroniek van bloedige misverstanden tussen de partijen laat geen andere conclusie toe dan dat de weg naar de hel met goede bedoelingen is geplaveid. Imperialistische bemoeienissen met pre-industriële samenlevingen laten een ’waste land’ achter, dat valt af te lezen aan Stewarts doorsnee van Afghanistan. Interventie in zulke onsamenhangende landen levert een combinatie van bloedverwantschapsbanden met het recht van de sterkste op, maffia-achtige structuren waar geen staat of alliantie tegen opgewassen is. Wij zijn gewaarschuwd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden