Review

De goden, ze zijn er niet, of ze luisteren niet

Theun de Vries doet het bepaald niet rustiger aan nu hij de negentig gepasseerd is. Vorig jaar publiceerde hij twee kunstenaarsromans, een over Hercules Seghers en een over Torrentius, beiden schilders wier leven en werk met raadsels zijn omgeven. Hij gaf zijn verbeelding vrij spel, zij het ook binnen het raamwerk van de historische feiten, en dat leverde twee aantrekkelijke romans op, van goed-ouderwetse snit. De Vries is wars van het hedendaagse autobiografische geschrijf, zoals hij kort geleden in het tijdschrift Optima nog eens beklemtoonde: ,,Het leven van de kunstenaar is kunst te maken, niet om een langzamerhand in brute realiteitshonger opgefokt publiek te bevredigen.'

T. VAN DEEL

Zijn nieuwste roman, 'De wilde vrouwen van Pella', is voorzover ik weet, maar wie kan dit schier onoverzienbare oeuvre kennen, zijn eerste antieke roman, spelend in het laatste anderhalve jaar van het leven van de toneelschrijver Euripides (die in 406 v. Chr. stierf). Euripides bevindt zich dan op uitnodiging van koning Archelaos in het noordelijk gelegen Macedonië, in Pella, waar zijn mecenas een kring van kunstenaars om zich heen heeft verzameld, onder wie de schilder Zeuxis, de toneeldichter Agathon en de musicus Timotheos. Euripides is degene die het verhaal vertelt.

Al in een vroeg stadium laat hij weten dat hij naar dit barbarenland is gegaan om er ,,het grote werk dat nog steeds moet geschreven' tot stand te brengen. Men moet daarbij bedenken dat hij dan al zo'n tachtig tragedies heeft geschreven. Hij is weliswaar bezig met zijn 'Ifigeneia in Aulis', maar er zit weinig schot in. Tijdens de dionysia, de feesten ter ere van de god Dionysos, merkt hij dat de vrouwen de stad uittrekken om vijf dagen in de vrije natuur hun geheime bacchantische rituelen uit te voeren en dat ook koningin Marpessa hieraan deelneemt.

Euripides wil weten hoe het er bij de bacchanten toegaat, een nieuwsgierigheid die, dat weet hij, hem zijn leven kan kosten. Hij ziet hen onder leiding van de koningin in onstuitbare razernij een levend hert verscheuren, nadat de ganse natuur voor hun furie op de loop was gegaan. Hun gedrag laat weten dat zij de god in hun midden gehad moeten hebben, als bezetenen en in een roes handelen de bakchanten. Euripides weet zich maar net uit deze geheime, levensgevaarlijke vrouwenwereld te redden en thuis, eenmaal weer op krachten gekomen, staat het voor hem vast dat hij een tragedie ,,van de bakchanten; godenmacht en -wraak, verblinding, woeste extasen, jammer moet schrijven.

De Vries laat dus aan Euripides' laatste toneelstuk een eigen ervaring ten grondslag liggen met de bacchanten. Euripides heeft gezien wat geen man ooit gezien heeft zonder er het leven bij te laten. Vandaar dat hij voor zijn stuk kiest voor de mythe ,,van de Dionysos-vijand Pentheus in Thebe, die door zijn eigen mainadisch bezeten moeder verscheurd en onthoofd wordt'.

Intussen zijn er spanningen ontstaan aan het hof, waar koning Archelaos van de expeditie van Euripides hoort en wil weten wat hij gezien heeft. ,,Niets' krijgt hij te horen, maar later verneemt hij toch de waarheid en als er tot overmaat van ramp ook nog uitlekt dat Euripides een tragedie over de bacchanten heeft geschreven, wordt zijn positie steeds penibeler. Het loopt allemaal goed af door tussenkomst van de geschiedschrijver Thucydides, die het stuk bij het hof heeft uitgelegd als een 'herroeping': ,,De oude dichter heeft het hoofd gebogen voor de alles overwinnende macht van de Zeuszoon (Dionysos dus) en laten zien hoe die macht zich door tragische verschrikking op verdwaasden en weerspannigen (zoals Pentheus) wreekt.'

Het tegendeel is natuurlijk het geval. Euripides heeft de Dionysos-verering juist voorgesteld als 'een mens- en vrouwonwaardige barbarij' en de god zelf als een bloeddorstige wreker. Daar komt nog bij dat Euripides aan het bestaan van de goden twijfelt. Al heel in het begin had hij beweerd over de goden: ,,Ze zijn er niet, of ze luisteren niet' en ,,als ze bestaan behoren ze het mensdom geen pijnen en moeiten op te leggen. . . Ze behoren góed te zijn, verheven als ze zijn boven onze menselijke tekortkomingen.'

Thucydides vindt het lot van de mens geen goden- maar een mensenzaak, hij hoopt op een ontwikkeling waarin de mens gaat begrijpen dat niet de goden, maar de mensen zelf hun lot bepalen. Deze omslag in het denken over de goden, een omslag die zich bij de tragedieschrijvers in slechts één eeuw, de vijfde eeuw v.Chr., voltrok, heeft vertaler Gerard Koolschijn in een interview (NRC Handelsblad 16 april 1999) als volgt beschreven:

,,In Aischylos' tijd zijn er vaste waarden, hij schrijft over een wereld waarin het goddelijke een reële kracht is waarin geloofd wordt, hij gelooft in rechtvaardigheid, zelfs in die van oorlogen. De goden die bij Aischylos optreden, worden bij Euripides krachten die in een mens zelf werken. De goden zijn als het ware naar binnen gegaan, maar daarmee zijn ze niet minder krachtig geworden.'

De Vries' portret van de oude Euripides, met alles wat om hem heen speelt aan personages en denkbeelden, is indringend en levendig. Hier is de verbeelding met graagte, en met veel kennis van zaken, aan de macht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden