Review

De ene treinreis was de andere niet

Weinig Nederlanders hebben zich in oorlogstijd gedragen als uitgesproken helden of schoften. De houding van de meesten was gedurende de eerste bezettingsjaren afwachtend en later meegaand. Begrippen als 'goed' of 'fout' zijn op deze grote massa nauwelijks van toepassing. De werkelijkheid was banaler en veel ingewikkelder, maar vooral van een deerniswekkende klungeligheid.

Het motto 'Luctor et emergo' ging voor bezet Nederland niet op. Men dobberde zo'n beetje rond en probeerde zich drijvend te houden. Aldus de historicus Chris van der Heijden in zijn zojuist verschenen studie 'Grijs verleden. Nederland en de Tweede Wereldoorlog'.

Het boek is de zoveelste afrekening met de geschiedschrijving van Lou de Jong, die in zijn veertiendelige standaardwerk 'Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog' de zaken sterk heeft vereenvoudigd. 'Voor aarzeling, onzekerheid, het grijs tussen zwart en wit' bezat De Jong 'weinig belangstelling en nog minder geduld', aldus Van der Heijden.

De bezettingstijd zoals De Jong die te boek heeft gesteld is van een geriefelijke overzichtelijkheid. Nederlanders konden in 1940 uit twee mogelijkheden kiezen. Ofwel ze kwamen in verzet tegen, ofwel ze heulden met het Duitse gezag. Tussen deze twee uitersten was niets. Degenen die de kant van de bezetter kozen, heetten landverraders. Alle anderen werden heilig verklaard. Zo ontstond de mythe van een klein volk dat vastberaden en vervuld van 'vlammende verontwaardiging' de strijd aanbond met een barbaarse vijand.

Wie poogt het 'overspannen beeld' van Lou de Jong te ontzenuwen, zo zegt Van der Heijden, maakt zich schuldig aan vloeken in de kerk. Sinds in 1991 het laatste deel van De Jongs epos is verschenen, heeft geen Nederlandse historicus het aangedurfd een verhalend boek te schrijven over 'heel de oorlog'. Juist daarom heeft Van der Heijden, als een Sint Joris die de draak te lijf gaat, deze taak op zich genomen. Het is een taak waarvan hij zich heel verdienstelijk kwijt. 'Grijs verleden' laat zich lezen als een roman, die 'De boeken der kleine zielen' had kunnen heten. Met veel empathie schildert Van der Heijden het alledaagse leven van gewone mensen, voor wie de oorlog zich niet wezenlijk onderscheidde van de tijd ervóór.

Nederland had een burgerlijke cultuur, waar problemen op burgerlijke wijze werden opgelost: in redelijkheid en overleg. Men schold niet, men sloeg niet, men kankerde in stilte. Men vertrouwde op het gezag van de christelijke traditie en het gezag van de vaderen des lands. ,,God had destijds een permanente zetel in het Nederlandse parlement. Zelfs de socialisten neigden ertoe hun leer met de bijbel te verdedigen.'

De Nederlanders waren een volgzaam volk. ,,Het zou te ver gaan te zeggen dat Befehl ist Befehl net zo diep in de Nederlandse samenleving doorgedrongen was als bij de buren, maar de verschillen waren eerder relatief dan principieel, eerder een kwestie van vorm dan van inhoud.' Aan het begin van de bezetting schikte men zich in zijn lot. Het zou zo'n vaart niet lopen. Men sloot de ogen, wendde zich af en ging door. ,,Wat had men anders kunnen doen?', verzucht Van der Heijden.

Bovendien viel het aanvankelijk allemaal wel mee. De werkelijkheid komt niet overeen met de 'klassieke terreurverhalen'. De binnentrekkende Duitsers waren beleefd en joviaal. Hun vrachtauto's voerden Oranjedoeken mee. Menige Nederlandse huisvrouw verwelkomde hen met dampende koffie. Iedereen wees hen graag de weg. Een Duitse soldaat verschafte zich toegang tot de ambtswoning van de directeur van het postkantoor van Barneveld en bracht daar de nacht door. Bij vertrek liet hij een briefje achter waarin hij de man hartelijk bedankte: ,,Den unbekannten Gastgebern herzlichen Dank fur Speis und Trank. Ein deutscher Soldat. P.S. Der hollündische Küse schmeckt hervorragend.'

Of neem de Nederlandse advocaat die in het najaar van 1940 met een klein gezelschap als gijzelaar naar Buchenwald werd gestuurd en die daarover in zijn dagboek schreef: '7 u 30 afgereisd naar Buchenwald. Schitterend weer. Druiven gekocht in Kassel, getankt, lunch in Eisenach, wijn. Wartburg gezien, Gotha, Erfurt, Weimar, standbeeld Schiller en Goethe. Gesprekken met Obermeister. Van Weimar naar boven, steeds hooger door prachtige boslandschappen. Aankomst te Buchenwald.'

Van der Heijden relativeert en nivelleert naar hartelust. Wat nou Duitse wreedheid? De bezettingsmacht van zestigduizend man was naar verhouding klein en bestond slechts voor een derde uit Ordnungspolizei en Waffen SS. Wat nou honger en gebrek? De voedselsituatie was in Nederland gunstiger dan elders. Tot september 1944 was er voldoende brood en een overvloed aan aardappels, groenten, zuivel. Ook zakelijk ging het de Nederlanders voor de wind. Hun uitstaande spaartegoeden werden tussen 1940 en 1945 meer dan verdrievoudigd.

De Februaristaking was niet het grootse begin van een koppig verzet, maar een korte flikkering van woede gevolgd door een armzalig schouderophalen. Nederland weerde zich niet dapper, Nederland weerde zich zo marginaal dat zelfs de Duitsers het erstaunlich vonden. NSB-leider Mussert was geen fanaticus, maar een brave ingenieur, die sprak als een dominee en die zich kleedde als een drogist op zondag.

Rijkscommissaris Seyss Inquart was niet zo meedogenloos als hij na de oorlog werd afgeschilderd, maar een gevoelig, gelovig en intelligent man. 'Heel zijn leven speelde Seyss Inquart piano en altijd weer bezocht hij concerten van Mozart, Wagner, Bruckner en andere grote componisten uit de achttiende en vooral de negentiende eeuw.'

Maar die clichés waren toch al veel langer ontkracht? De mythe van boeven en helden heeft in de achterliggende jaren regelmatig aanleiding gegeven tot felle discussie. Sterker nog, de gemeenplaatsen van weleer zijn vervangen door beelden die op hun beurt tot gemeenplaats zijn geworden. We zijn inmiddels doodgegooid met verhalen over cultuurminnende nazi's. We hebben tot vervelens toe moeten horen dat de Februaristaking niet heiligmakend is geweest. We kunnen het boek van Van der Heijden nauwelijks lezen zonder instemmend te knikken en begrijpend te glimlachen. Op iedere pagina herkennen we wat de schrijver noemt 'het poldermodel avant la lettre'. Ja, inderdaad, zo moet Nederland destijds zijn geweest: een land waar ondanks alles de lepel in de brijpot stond. Zo was het. Of ten minste: zo was het óók.

De zwart-wit mythe van De Jong, zo luidt de conclusie van Van der Heijden, kan ons niet helpen het verleden te begrijpen en heeft daarom geen enkel nut voor de toekomst. We schieten er niets mee op om de schuld consequent bij anderen te leggen. De Tweede Wereldoorlog leert dat de mens niet goed is en niet fout. Hij moddert machteloos in een grijs landschap waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Dat mag allemaal waar zijn, toen ik het boek had uitgelezen voelde ik me toch belazerd. Ik dacht aan ruim honderdduizend Nederlandse joden die op bevel van de Duitse bezetter per trein naar het oosten werden umgesiedelt.

Anders dan de advocaat die Van der Heijden laat opdraven en die zo genoot van zijn reis naar Buchenwald, hebben zij onderweg geen druiven gekocht, niet gezellig getafeld, geen wijn gedronken en zich niet vergaapt aan liefelijke bosgezichten. In geblindeerde wagons stonden ze dicht op elkaar. Ze hadden geen water om hun dorst te lessen. Er was niets adembenemends aan hun tocht, behalve de verstikkende stank van stront die over de rand van de emmer stroomde. Hoe zijn ze in die wagons verzeild geraakt? Ik kan er nog steeds met mijn verstand niet bij. In het boek van Van der Heijden wordt het niet verklaard. Kennelijk is het zelfs hem al te grijs.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden