Review

De éne keizer leek precies op de andere

In onze eeuw is politieke propaganda, geregisseerd door spindoctors, een belangrijk wapen van machthebbers. In de Middeleeuwen bestond die propaganda vooral uit rituelen. Originaliteit werd niet op prijs gesteld.

’De kleren van de keizer’ is de bewerking van het proefschrift van een kunsthistorica. Er staan zo’n dertig foto’s in, voornamelijk verluchte evangelieboeken, die belangrijk bewijsmateriaal vormenn voor Hagemans stelling dat de Karolingische en Ottoonse keizers tussen 800 en 1000 vaak eenzelfde boodschap over het voetlicht wilden krijgen; een boodschap van wettigheid, vroomheid en barmhartigheid.

De gekozen periode is een tijdvak waarin christelijk Europa vanuit het zuiden de aanvallen van de islam te verduren krijgt, terwijl de Noormannen de westelijke kusten bestoken, en de Magyaarse cavalerie uit het oosten keer op keer over de grenzen van de Frankische rijken rijdt. En alsof dat nog niet genoeg is, staan bij voortduring binnenlandse vijanden, niet in de laatste plaats uit de familiekring van de keizer, op tegen de goede orde. Maar de grote geschiedenis speelt in het boek over vormentaal een ondergeschikte rol, want het gaat om kroningen, buigingen en zegeningen.

In een tijd waarin de politieke propaganda weinig andere middelen tot haar beschikking had dan handschriften, een enkele kerkschildering en nog wat andere cultusvoorwerpen, kwam het er voor een keizer op aan om met gestileerde woorden en gebaren duidelijk te laten zien dat hij in het voetspoor van voorbeeldige vorsten als de Bijbelse koning David en de eerste christenkeizer Constantijn trad.

Overgeleverde rituelen, formules en gebaren waren van groter gewicht dan de programma’s en intentieverklaringen die vandaag de dag de menigte moeten overtuigen van het talent van een politicus. Originaliteit werd niet op prijs gesteld – integendeel – en daarom diende een verluchting van handschrift waarop de keizer, bisschoppen en hertogen afgebeeld waren zich aan precieze afmetingen, plaatsing, houding en aankleding van de verschillende figuren te houden. Daarom zijn ook zoveel van de verhalen waarin een chroniqueur uit die dagen verslag doet van een kroning, een verdragsluiting, een staatsiebezoek of een andere plechtigheid, gelijkluidend.

Het formalisme dat zo vaak is opgemerkt in de beeld- en vertelkunst van de vroege Middeleeuwen, is behalve aan een verlies van vakmanschap na de Oudheid, ook te danken aan de noodzakelijke simplificatie van de boodschap die de heersers aan een zeer groot en gebrekkig geschoold publiek wilden overbrengen. In vrijwel de enige polemische passage van het boek – het is in veel opzichten nogal braaf – kritiseert Hageman Huizinga’s notie van ’’s levens felheid’ uit ’Herfsttij der Middeleeuwen’, de idee dat toentertijd de vreugden en het verdriet heftiger beleefd werden. Nee, juist traditie en beheersing regeerden de emoties, stelt zij.

Tegen die kritiek op de grootmeester van de stijlduiding zijn ten minste twee bezwaren te maken. In de eerste plaats gaat ’Herfsttij’, het woord zegt het al, over een periode zo’n vijfhonderd jaar later dan Hagemans boek, en ten tweede is er een niet te verwaarlozen verschil tussen wat er geschreven en geschilderd wordt, en wat er in werkelijkheid gebeurt. De schrijfster put zich aldoor uit in het onder ogen brengen van de gekunsteldheid van het ritueel, en dan opeens moeten al die keizers in de plooi een waar gebeurd verhaal zijn! De geschiedenis van de Karolingers en Ottonen is echter a tale full of sound and fury, allerminst told by an idiot, maar door de spindoctors aan het hof die de ware toedracht in een passende vorm gieten. De vraag is steeds: wat stak er achter die plooien ?

Hagemans boek is gevuld met tientallen voorbeelden, visuele en anekdotische, die moeten illustreren dat de schilder- en vertelkunst van die dagen een politieke en moralistische kunst was. Woorden uit de annalen en details uit de miniaturen zijn de illustratie van een gedragscode die het publiek – en de vorst – wordt voorgehouden. Maar over wat er ’op de vloer gebeurde’, wordt de lezer maar mondjesmaat en terzijde ingelicht. En die toetssteen heeft de lezer ook nodig voor de ontcijfering van de rituelen. Want het ritueel krijgt gestalte tussen ideaal en werkelijkheid. Althans, als de schrijfster niet gerekend wenst te worden tot die postmodernistische stroming die het bestaan van de geschiedenis, ’het grote verhaal’, ontkent, en volstaat met een opsomming van concurrerende verhalen. Dat lijkt niet het geval, en aan het eind van het boek dringt zich de vraag op wat de keizer nu echt droeg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden