Review

De eeuw van de grote VERANDERING

Is de cultuur van de twintigste eeuw ten prooi aan grotere veranderingen dan ooit in het verleden hebben plaatsgevonden? Zulks hoor je immers vaak beweren: dat de mensheid nog nooit zoveel gedaanteverwisseling heeft meegemaakt als in onze tijd. Maar, denk je dan, voor een normaal mensenleven is zoiets misschien toch niet goed te overzien en de veranderingen die een gemiddeld mens tijdens zijn leven meemaakt zijn bij nader inzien misschien toch normaler of minder spectaculair dan hij zou denken (en wensen).

ROB SCHOUTEN

Of vinden we dat er juist betrekkelijk weinig verandert? Lijken wij in ons doen en laten nog steeds op de mensen uit de achttiende of de achtste eeuw, en zijn die onmiskenbaar maatschappelijke en culturele veranderingen maar oppervlakteverschijnselen; ook een gedachte die je hoort en die soms troost. Evengoed kan het trouwens zo zijn dat we die veronderstelde band met het verleden tevoorschijn toveren juist omdat we hem dreigen kwijt te raken; we willen parallellen met het verleden zien om ons niet volkomen losgeslagen te voelen, maar in feite hebben wij met onze voorouders nauwelijks nog iets gemeen.

Of moeten we de vraag gewoonweg maar niet stellen omdat het even onmogelijk is om over onze eigen tijd heen te kijken als het onmogelijk is om buiten ons hoofd te treden?

Peter Conrads boek 'Modern Times, Modern Places. Life & Art in the 20th Century' werd in het Nederlands vertaald als 'De metamorfose van de wereld' en lijkt met die titel een standpunt in te nemen: de wereld ís onherroepelijk veranderd of bezig te veranderen. Hoewel je het ook nog beperkter kunt lezen als: dit boek gaat over de wereld voorzover zij veranderd is. Hoe dan ook, als de wereld werkelijk zo veranderd is als Conrad doet vermoeden en als zij zo verschrikkelijk veel complexer is geworden dan ze was, dan doet deze schrijver toch een ouderwetse poging om haar in kaart te brengen.

Negenhonderd pagina's kost hem dat en het resultaat heeft iets van titanenwerk, een haast renaissancistische poging om nog eens de 'Uomo universale' uit te hangen. En dat biedt 'De metamorfose van de wereld' dan ook op het eerste gezicht: een uitgebreide vindplaats van culturele feiten, een soort beredeneerde encyclopedie van het belangrijkste dat onze eeuw aan kunst in al haar vormen heeft voortgebracht en tevens van de tijdgeest, respectievelijk culturele veranderingen die die kunstuitingen alles bij elkaar uitdrukken.

En juist vanwege de imposante grootschaligheid van Conrads carthografische onderneming valt het op dat minstens één belangrijk segment van onze culturele wereld vrijwel geheel ontbreekt: de popmuziek. Heel sporadisch stofferen de Beatles en de Rolling Stones een voorbeeld, maar over de invloed van de popmuziek of in het algemeen de jeugdcultuur sinds de jaren zestig heeft Conrad niks te melden. Wat er achter deze nogal spectaculaire omissie zit, kan men slechts bevroeden. Maar als hij wél laat zien hoe de hysterie van Richard Strauss' opera's 'Salome' en 'Elektra' de zenuwen van de nieuwe mens vertegenwoordigen en hoe Schönbergs verlangen naar een nieuw neutraal toonsysteem samenhangt met de algehele metamorfose van onze tijd, dan zou je toch verwachten dat hij de 'postmoderne' hang naar het operateske bij iemand als Freddy Mercury of de cultuur waarvoor bijvoorbeeld Bob Dylan staat, óók op de kaart zet. Niks van dat alles. Volstrekt onbegrijpelijk vind ik dat.

En voor de rest raak je niet gauw uitgekeken in deze erudiete bijbel van de moderne cultuurmens. Als we even de vervelende en penetrante vraag in hoeverre hogere cultuur ook de wereld van de grote massa's beïnvloedt en verandert, achterwege laten, blijft een boek over dat een overzicht biedt van vrijwel alle aspecten van de twintigste-eeuwse cultuurgeschiedenis.

In dertig ook als afzonderlijke essays te lezen hoofdstukken snijdt Conrad uitgebreid zaken aan als: de ideologie van de nieuwe mens aan het begin van deze eeuw en later in de nazistische en communistische denkwerelden. De openlegging van de wereld door de evolutie van vervoersmiddelen. De technologische ontwikkeling die met haar protheses de zintuigen van de mens uitbreidt. De verwerping van het bestaande menselijk lichaam in de kunst. De cultus van het ontlenen. Wenen, als plaats waar het einde van de oude wereld werd bezegeld. Parijs als ontdekkingsplek voor oerinstincten der lichamelijkheid. Berlijn als anti-utopie. De Russische revolutie. De belangstelling voor oorlog en macht bij kunstenaars. De belangstelling voor primitieve en exotische culturen. Het anti-individualisme van de nieuwe wereld. Film als nieuwe universele taal en geletterdheid. Het hyperrealisme van Amerika. De voorbeeldwerking van Hiroshima. Japan als toekomstwereld. De invloed van veranderde natuur en milieuproblemen op ons denken en handelen. Enzovoort.

Het is werkelijk een gigantische staalkaart en bij al zijn onderwerpen vertoont de soepel formulerende Conrad telkens een grote hoeveelheid overtuigende voorbeelden. Liever dan dat hij theoretiseert is hij een illustrator, puttend uit een indrukwekkende belezenheid en kennis van zaken, die wel moet teruggaan op een intensieve consumptie van de hedendaagse en vlak daaraan voorafgaande cultuur.

Cultuurhistorici moeten beschikken over een zeef die weglaat wat overbodig lijkt en overlaat wat het betoog kan ondersteunen. Onder Conrads handen lijkt alles wat hij opsomt iets te demonstreren. Een film als 'l'Histoire d'O' met haar openbare erotiek bijvoorbeeld wordt in verband gebracht met de anonymiteit uit 'Het ritsloze nummer van Erica Jong' en die weer met de cultus van de androgynie van Greta Garbo en Marlene Dietrich, die op haar beurt weer aansluit bij de eredienst van seksualiteit als iets transcendents en de bloei van pornografie in onze tijd. Dat alles om aan te geven dat er ,,in de twintigste eeuw een periode (is) geweest waarin de burgeroorlog tussen lichaam en geest luwde, en die zowel mannen als vrouwen gelegenheid bood dat wat Bataille 'diep ingewortelde eenheid van onze natuur' noemde, te erkennen en te accepteren.'

Een ander voorbeeld van zulke virtuoze verbandkunst demonstreert Conrad als hij de architectuur bespreekt en de cultus van het transparante in verband brengt met Röntgens ontdekking van de naar hem vernoemde stralen. Zo zouden Eiffeltoren, Guggenheim-museum en Rijksdagkoepel dezelfde drang naar doorzichtigheid, naar desinteresse en (Einsteiniaanse) relativering uitdrukken als de Glasnost van Gorbatsjov en de beoogde paringsdaad van schilder Dali met zijn Gala in een winkeletalage.

De twintigste eeuw als eindpunt van een oude beschaving en begin van een nieuwe, van relativering, transparantie, collectivering, universalisering, nieuwe zenuwen, bewustzijnsverandering etcetera. Conrad maakt het allemaal hoogst aanschouwelijk met zijn duizenden voorbeelden, die als puzzlestukjes bij elkaar een onontkoombaar plaatje lijken te vormen.

En toch blijf je, als je dit formidabele boek hebt uitgelezen, met een even geweldige vraag zitten. Zijn de veranderingen die deze eeuw laat zien uniek, of zijn ze het gevolg van onze perceptie, ons fijnere vermogen om onszelf zowel te relativeren als in een ander perspectief te zien (wat dan op zichzelf trouwens ook al een verandering genoemd zou kunnen worden). Waren vorige epochen werkelijk trager en minder transparant, dacht men totaal anders? Bestaat er een oude mens, die langzamerhand uit de tijd is geraakt en die inmiddels wordt opgevolgd door een nieuwere mens?

Wat laten al die plaatjes, citaten, samenvattingen en verbanden van Conrad eigenlijk zien? Dat er zoiets als een tijdgeest bestaat en dat die bezig is een nieuwe woning in te richten? Intuïtief ben je geneigd om met Conrad en die vele anderen in te stemmen: ja, natuurlijk leven we in een tijd van geweldigde transformaties en ja, natuurlijk lijkt het of de mens zichzelf momenteel opnieuw uitvindt. Maar William Blake dacht twee eeuwen geleden bij het aanbreken van de Industriële revolutie iets soortgelijks en de titel 'De metamorfose van de wereld' had voor hetzelfde geld ook op de Renaissance kunnen slaan.

Het is kortom zaak om die vermeende geest van verandering en relativering zelf ook weer te relativeren. Zo filosofisch en historisch relativerend wil Conrad echter niet zijn, hij houdt het op de demonstratie van vernieuwing die de hele kunst van de twintigste eeuw bij elkaar opgeteld lijkt te willen zijn en die bijgevolg wat a-symptotisch in de lucht hangt. Een vernieuwing die overigens minder met de befaamde dood van God rond 1900 te maken lijkt te hebben dan met de positie van de mens op aarde. Conrad: ,,In 1961 actualiseerde Alain Robbe-Grillet Gertrude Steins observatie dat de aarde anders was. 'De plaats van de mens in de wereld waar hij woont,' zo zei hij, 'is niet meer dezelfde als honderd jaar geleden.' De omslag had abrupt plaatsgevonden. De plaats van de mens in de wereld was veranderd omdat hij niet langer de heerser was.' En: ,,De nieuwe mens, dat schitterende, ongeremde, door de modernisten gedroomde schepsel, vormde een laatste poging de soort een nieuwe start te laten maken.'

Conrads cultuurgeschiedenis, die vooral ook een geschiedenis is van de revolutie van het Modernisme en haar gevolgen, dient zich aan als beschrijving van de twintigste-eeuwse openbaring maar ze herbergt ongemerkt ook een soort demasqué van de oude mens in zich, al kom je niet precies te weten hoe die er dan zou hebben uitgezien, en naarmate je verder ploegt door de culturele feiten van onze eeuw wordt die onduidelijkheid onaangenamer.

Zelden overigens laat Conrad zijn eigen 'vermoedens' spreken. Heel eventjes hier: ,,De technologie mag dan onze ziel niet hebben gered, ze bespaart wel een hoop tijd en werk. Als er van de twintigste eeuw een debet-creditbalans wordt opgemaakt, staan aan de ene zijde beslist de Somme, Auschwitz, Hirosjima en Sarajevo. Aan de andere kant staan, zonder dat zij het evenwicht helemaal herstellen, vliegtuigen, internationale telefonie, creditcards en geldautomaten, die je in sommige landen zelfs een prettige dag wensen en een glimlach op het scherm laten zien. Dat zijn onmiskenbare voordelen, verbeteringen van het leven, maar ze zijn niet absoluut en de angst is dat ze zich aansluiten bij de rampspoed uit de eerste kolom.'

Maar Conrad is een optimist. In zijn voorwoord zien we hem blijmoedig in het futuristische eldorado van onze tijd, Hong Kong, landen en de laatste woorden van zijn magnum opus suggereren dat in de nietige betrekkelijkheid van de aarde ook haar overlevingskansen liggen: ,,Binnen deze enkele molecule gaat het spel van combinaties door en zorgt ervoor dat het leven doorgaat en nooit ophoudt te veranderen.'

Denkers met een negatievere kijk duldt hij dan ook niet echt in zijn 'Metamorfose'. Om Oswald Spengler, de onheilsprofeet van 'Untergang des Abendlandes' kan hij niet goed heen, omdat de man op zijn beurt ook weer de na hem komende (met name de Nazi-)cultuur heeft beïnvloed, maar de sombere kijk van een eenling als George Steiner wordt (tot diens ergernis en depreciatie ongetwijfeld) niet eens vermeld. Dat is dunkt me, niet helemaal eerlijk, maar het karakteriseert wel de zonnebril die iemand op moet zetten om de kleuren van onze metamorfose te verdragen.

Overigens zijn de enige Nederlanders die aan de door Conrad beschreven grote Verandering iets bijdroegen redelijk willekeurig: Van Gogh, Theo van Doesburg, Mondriaan, Rem Koolhaas, Paul Verhoeven(!) en Rutger Hauer(!). Deels vindt men ze niet terug in het voor een boek als dit ongelooflijk lorrige en incomplete Register, dat demonstreert dat de technologische ontwikkeling van de computer nog niet helemaal is doorgedrongen in deze imponerende maar ook heel wat vragen open latende turf van voornamelijk geest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden