Review

De eenzaamheid van de schizofreen Ook Vincent van Gogh ging ten onder aan het grote verlangen

Robert J. van den Bosch: 'Schizofrenie. Subjectieve ervaringen en cognitief onderzoek'. Bohn; 242 blz. - f 59,50. Joost Baneke (red.): 'Dutch Art and Character. Psychoanalytic Perspectives on Bosch, Breughel, Rembrandt, Van Gogh, Mondrian, Willink, Queen Wilhelmina'. Swets en Zeitlinger; 220 blz. - f 49,50.

Al jaren kijk ik uit naar een boek waarin een specialist op het gebied van schizofrenie het aandurft de binnenwereld van mensen die in zo'n bizarre werkelijkheid gevangen zitten zichtbaar en wellicht zelfs enigszins voelbaar te maken. Het wil er bij mij namelijk niet in, dat romanschrijvers zoals bijvoorbeeld Patrick McGrath ('Spider') of Gijs IJlander ('De lichtval') dat alleen maar zouden kunnen.

Helaas is Van den Bosch' poging in dat opzicht niet helemaal geslaagd. Daarvoor lijkt het te veel op een leerboek, met een overigens voortreffelijk overzicht van wat de cognitieve psychologie, psychofysiologie en neuropsychologie op dit gebied hebben gevonden.

Het kost heel wat inspanning om dit boek uit te krijgen, maar wie zich eenmaal heeft overgegeven aan de bijna dwangmatig volgehouden computermetafoor die de auteur loslaat op schizofrenie, weet zich beloond met een scherper beeld van dit mysterieuze menselijk tekort dan hij ooit heeft gehad. Pas door je deze stoornis voor te stellen als een mankement van de harde schijf en het ontbreken van klaarliggende schema's met als een continue overbelasting van het werkgeheugen, wordt duidelijk wat er voortdurend mis gaat bij mensen met schizofrenie.

De schrijver zelf is beslist geen groot stilist, zijn toon is apodictisch, soms prikkelend, maar zijn taalgebruik wordt regelmatig ontsierd door woorden als 'aansturen', 'aanleveren' en 'afregelen'. Prikkelend is bijvoorbeeld zijn stelling dat - anders dan wat veelal wordt gedacht - het ontbrekend ziekte-inzicht helemaal niet typisch is voor schizofrenie. Hij noemt dat een nuttig verdedigingsmechanisme en vergelijkt het met de ontkenning ter vermijding van spanning door mensen die kanker hebben of een aantal hartinfarcten hebben doorgemaakt. Maar het falend ziekte-inzicht kan ook goed op rekening worden geschreven van de anosognosie (het niet 'weten' dat je een ziekte hebt) zoals voorkomt bij een beschadiging van het frontale hersengebied. Want juist in de frontale hersenschors, en in de subcorticale hersengebieden en de hippocampus, vermoedt men functiestoornissen bij schizofrenie.

Terecht belicht Van den Bosch het verschil waarop in westerse en andere culturen tegen schizofrenie aangekeken wordt. Vaak wordt gesteld dat het beloop van de ziekte in andere culturen gunstiger zou zijn, helemaal zeker is dat niet. Wel is het zo dat nergens de persoonlijke identiteit en het individualisme zo sterk hoogtij vieren als in het Westen.

Bovendien heeft het feit dat we niet (meer) gewoon zijn rampen in ons leven toe te schrijven aan hogere machten tot gevolg dat we ons er zelf verantwoordelijk voor voelen. In zo'n samenleving wordt het hebben van schizofrenie beleefd als een persoonlijke ramp die je op jezelf terugwerpt, met als gevolg de absolute eenzaamheid die Sechehaye in 'Dagboek van een schizofreen' zo beklemmend beschreef.

In wetenschappelijke kring is men steeds meer onderscheid gaan maken tussen positieve en negatieve symptomen van stilstand en stolling bij schizofrenie. Treffend laat Van den Bosch zien hoe de samenhang is tussen die twee. Iemand die in een schizofrene ervaringswereld leeft, ziet zich voor een diabolische keuze geplaatst: de band met de binnen- en buitenwereld handhaven en opgaan in de ongegronde betekenissen die daarin beleefd worden of ontkennen dat zich daar iets betekenisvols afspeelt. Verstrikt raken in een waanwereld of vast komen te zitten in een negatief syndroom, de leegte van het totale niets.

Het eerste kost energie, maar geeft tenminste structuur en een sprankje (valse) hoop in een overigens onzeker bestaan. De tweede mogelijkheid spaart energie en vermijdt onrust, maar tegen een hoge prijs, want de luiken worden gesloten.

Prachtig karakteriseerde Barbara O'Brien de toestand na een psychose als een droog strand waar af en toe een golf (een gedachte of herinnering) aanspoelt en waar de verbinding met de diepere gevoelslagen volledig is verbroken. “De vogel sprak tegen me over levende en dode familieleden uit verschillende tijden, alsof ze in dezelfde tijd leefden”, zo rapporteert de Franse dichter Gerard de Nerval vanuit zijn psychose. Behalve de paranoide belevingen wordt de stoornis van de tijdzin in dit boek tijdens een psychose heel mooi beschreven. “De bende heeft zich van mijn lichaam meester gemaakt”, en “Er was iets heel vreemds met de tijd”.

Van den Bosch nuanceert de rol van de ouders, maar heeft weinig oog voor het relationele aspect en hij laat in zijn boek nauwelijks zien dat schizofrenie juist aan mensen in de omgeving, de familie, wordt beleefd. Om deze reden gaat zijn vergelijking van schizofrenie met dysfuncties ten gevolge van een hersenletsel, bijvoorbeeld door een verkeersongeluk, naar mijn smaak dan ook niet goed op.

Ook zijn dimensionele kijk op schizofrenie vind ik problematisch. Iedereen kan last van schizofrenie krijgen, poneert de auteur, het is net als bij suikerziekte een kwestie van meer of minder. De (vaak bizarre) belevingen van patienten met schizofrenie wijken volgens mij niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief af van wat andere mensen beleven. Verder is de schrijver over de effecten van antipsychotische medicatie alles behalve juichend. Onterecht, denk ik, want juist op dit gebied is er de laatste tijd grote vooruitgang geboekt, zoals met het geneesmiddel Leponex (clozapine).

Met schizofrenie kan men heel verschillend omgaan. De een verveelt zich geen seconde, maar leidt het meest saaie, monotone kluizenaarsbestaan dat je maar bedenken kunt. Bij iemand anders kost elke inspanning moeite. Een kleine wandeling naar het park is als een tocht naar de Himalaya voor een gezond persoon. Een volgende voelt zich een geknakte bloem, maar zoekt niettemin activiteit of afleiding. Een enkeling geeft zich over aan een geweldige dadendrang, zoals bijvoorbeeld poriomanie, een niet te stuiten zwerflust. Zo is de onttakeling en uitputting der geestelijke vermogens een terugkerend thema bij de Franse schizofrene schrijver Antonin Artaud. Bij hem raakte de logische ordening verbroken, de dingen waren als hokjes van de geest, geurloos en zonder gevoelsmatige uitstraling. Maar tegelijkertijd ademt zijn werk een verlangen naar het overvloedige, naar sensuele overdaad en vitaliteit, dat men het beste kan begrijpen als een reactie op zijn innerlijk tekort.

Dat deed me denken aan de man die zo graag in Frankrijk vertoefde, Vincent van Gogh (1853-1890), die vaak in de luwte van een gesticht tot geweldige prestaties kwam. Het is nog steeds de vraag aan welke psychiatrische ziekte Van Gogh geleden heeft. Was zijn aandoening het gevolg van de inwerking van terpentijnolie en de zon, zoals zijn arts Gachet meende of van vergiftiging met digitalis (vingerhoedskruid, een hartversterkend middel)? Of ging het bij hem om syphilis, manisch-depressieve ziekte, temporale epilepsie, terugkerende schemertoestanden, de ziekte van Meniere of schizofrenie? Recent onderzoek van zijn talloze brieven pleit voor een combinatie van epilepsie en psychosen. Fout, zegt de Nederlandse psychoanalyticus Henk Conradi in het boek 'Dutch Art and Character'. Ook Van Gogh ging te gronde aan het grote verlangen.

De brieven die de schilder aan zijn jongere broer Theo schreef zijn meer dan een persoonlijk verslag van een psychiatrische stoornis, schizofrenie of niet. Het volgende fragment illustreert dat de schilder zich ten dele verantwoordelijk voelde voor zijn kwaal, maar tekenend zijn de laatste woorden die hij sprak: “La tristesse durera toujours.”

Op 30 april 1889 schrijft hij zijn zuster Wil vanuit Arles, dat hij van plan is tenminste drie maanden naar een gesticht in St. Remy te gaan, niet ver van Arles. Naar eigen zeggen heeft hij dan in totaal vier grote crises gehad, waarin hij volstrekt niet wist wat hij zei, wilde of deed. En dan had hij de drie keer, dat hij zonder verklaarbare reden in zwijm was gevallen en waarvan hij zich niets wist te herinneren, nog niet eens meegeteld.

Van Gogh kan niet goed uitleggen wat hem scheelt: “Het zijn soms verschrikkelijke angsten zonder duidelijke oorzaak, het is een gevoel van leegte en vermoeidheid in het hoofd. Ik beschouw het geheel meer als een ongeval. Zonder twijfel ligt een belangrijk deel van de schuld bij mezelf en ik ben soms zwaarmoedig en heb vreselijke wroeging, maar, zie je, als het me helemaal moedeloos maakt en spleen bezorgt, dan geneer ik me bepaald niet om te zeggen dat berouw en schuld misschien maar microben zijn, net als de liefde. Elke dag gebruik ik het geneesmiddel dat de onvergelijkelijke Dickens tegen zelfmoord voorschrijft. Dat bestaat uit een glas wijn, een stuk brood en kaas, en een pijp tabak.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden