Review

DE DUIVELUITDRIJVINGEN VAN MARQUEZ

Gabriel García Márquez: Over de liefde en andere duivels. Vertaald door Adri Boon. Meulenhoff, Amsterdam; 238 blz. - Fl. 34,90.

ILSE LOGIE

Of het nu door zijn bescheiden afkomst dan wel door zijn Caribische jovialiteit komt, feit is dat García Márquez zich door de roem niet gemakkelijk op sleeptouw laat nemen. Niettemin heeft het monstersucces zijn werkwijze ingrijpend veranderd: de lat wordt steeds hoger gelegd, en uitschuivers kan de nummer één van de Latijnsamerikaanse literatuur zich op dit niveau niet meer veroorloven.

'Over de liefde en andere duivels' is een met groot meesterschap geschreven roman die onmiskenbaar het handelsmerk van García Márquez draagt. Om te beginnen is er de herkenbare verteller-chroniqueur wiens taak het is de plot in de werkelijkheid te verankeren. In een kort voorwoord schetst een ik-persoon dan ook gewetensvol de herkomst van zijn verhaal. Toen hij lang geleden bij een Colombiaanse krant werkte, woonde hij beroepshalve de opruiming bij van de grafkelder van een oud clarissenklooster en tot zijn stomme verbazing kwam bij het openmaken van een van de tombes een schitterende koperkleurige haardos tevoorschijn die uitgerold maar liefst tweeëntwintig meter mat. De vondst in de grafkelder voert de verteller terug naar zijn kindertijd en maakt van hem weer het jongetje dat aan de lippen van zijn grootmoeder hing.

Een van de verhalen die zij hem vertelde, handelde over een twaalfjarig markiezinnetje, dat aan hondsdolheid was gestorven. Op vele plaatsen in het Caribisch gebied zou ze nog worden vereerd om haar wonderen. De legende stamde uit het eind van de achttiende eeuw, toen de Colombiaanse havenstad Cartagena de Indias nog in Spaanse handen was en als draaischijf voor de slavenhandel fungeerde.

Met zichtbaar genoegen ruilt de verteller zijn journalistieke pen in voor die van de romancier en duikt hij onder in het collectieve geheugen van zijn volk, waar ook de herinnering aan het markiezinnetje in thuishoort. In werkelijkheid heette zij Sierva María de Todos los Angeles en was ze de dochter van de lusteloze tweede markies van Casalduero en de aan cacaotabletten verslaafde Creoolse Bernarda Cabrera.

Beide ouders haatten elkaar zozeer dat ze de opvoeding van hun dochter schromelijk verwaarloosden, met het gevolg dat deze al gauw de luidruchtige vertrekken van de zwarte slaven opzocht en volledig in de ban van de Afrikaanse magie kwam. Haar kennis van verschillende negertalen, haar voorkeur voor ingelegde leguaan en gestoofd gordeldier, en haar ongegeneerde omgangsvormen zouden Sierva María later nog heel wat parten spelen.

García Márquez' verteller raakt pas goed op dreef wanneer hij, volgezogen met overgeleverde tradities, de meest fantastische verhalen onbewogen beschrijft als spraken ze vanzelf. Zijn stem vergroeit als het ware met de flarden bijgeloof en de resten vooroordelen die onder de plaatselijke bevolking circuleren. Zozeer kruipt hij in de huid van de inwoners van Cartagena dat, op de licht absurdistische toon na, alle gebeurtenissen die in zijn relaas voorkomen, hoe buitenissig ook, iets aannemelijks krijgen.

Een scharnierelement in García Márquez' strategie is ongetwijfeld de zijdelingse manier waarop hij de hoofdthema's van zijn werk aansnijdt. In dit verband kan worden opgemerkt dat de onnavolgbare openingszinnen de lezer nogal eens op het verkeerde been zetten. Zo bij voorbeeld de eerste zin van het eerste deel: “Op de eerste zondag van december stoof een asgrauwe hond met een witte vlek voorop zijn kop over de kronkelige paadjes van de markt, stootte tafels met vet gefrituurde etenswaren omver, gooide kraampjes van indianen en luifels van lotenverkopers ondersteboven, en beet in het voorbijgaan vier personen die hem in de weg liepen. Drie daarvan waren zwarte slaven. De andere was Sierva María de Todos los Angeles.”

De overrompelende nauwgezetheid van deze eerste zin, en de trefzekere details waar García Márquez' stijl mee is gekruid, wekken hier ten onrechte de indruk dat de opgeroepen wereld beheersbaar is op voorwaarde dat alle componenten ervan één voor één worden benoemd. Het was de lectuur van Hemingway die García Márquez deze obsessie voor het concrete detail bijbracht en die hem leerde inzien dat een verhaal staat of valt met de wijze waarop de kat die erin voorkomt een hoek omslaat.

Desondanks vertoont zijn proza, waar het hoofdzaken betreft, hardnekkige blinde vlekken. Zo krijgen we wel een omstandige beschrijving van de hond die Sierva María in de enkel bijt, maar wordt op geen enkel moment een duidelijk antwoord gegeven op de vraag of het meisje werkelijk met hondsdolheid besmet is geraakt.

Vermoedelijk is in dit spanningsveld tussen de extreme bepaaldheid van wat er niet echt toe doet, en de raadselachtigheid van datgene waar het in het verhaal wezenlijk om gaat, de onweerstaanbare aantrekkingskracht van García Márquez gelegen. Wanneer iets verderop op de hoofdgebeurtenis wordt gezinspeeld, gebeurt dat alweer terloops: het dienstmeisje ziet “het lijk van de hond aan een amandelboom hangen ten teken dat hij aan dolheid is gestorven. Een blik was voldoende om de witte vlek voorop zijn kop en de asgrijze vacht te herkennen van het dier dat Sierva María had gebeten.”

Deze opzettelijke vaagheid laat ruimte voor allerhande gissingen bij de lezer, die flink in verwarring wordt gebracht door de uiteenlopende standpunten van de personages. De toepassing van een dergelijk vertroebelend procédé maakt aanvaardbaar dat een louter vermoeden van hondsdolheid (een ziekte die toentertijd in verband werd gebracht met satanische bezetenheid) gaandeweg de vorm van een overtuiging aanneemt.

Uit een paar ironische commentaren van de verteller valt op te maken dat zijn standpunt het dichtst aanleunt bij dat van het enige volstrekt ondogmatische personage uit het boek: de op het nippertje aan de banbliksems van de Inquisitie ontsnapte, verlichte, joodse arts Abrenuncio, die tot op het einde van de roman volhoudt dat Sierva María kerngezond is en dat ze niet over bovennatuurlijke gaven beschikt.

In schril contrast met de frisse kijk van Abrenuncio staat de onbuigzame houding van de kerkelijke gezagsdragers. Wanneer berichten over de vermoedelijke bezetenheid van Sierva María de bisschop van Cartagena ter ore komen, beslist deze onverwijld in te grijpen. Onder zijn druk komt het meisje in de afdeling 'levend begravenen' van het clarissenklooster van de stad terecht, waar ze aan een uitdrijvingsritueel wordt onderworpen. Verblind door wrok en religieus fanatisme, schrijft de moeder-overste van het klooster na de opname van Sierva Mariá alle onheil, of het nu gaat om het instorten van een steiger of om de onverwachte dood van de elf sierpapegaaien uit de kloosteruin, aan de diabolische krachten van het meisje toe. Het gevolg van deze lastercampagne is dat niemand nog in twijfel durft te trekken dat het markiezinnetje inderdaad in de greep van de duivel is.

Ten slotte wordt de erudiete Spaanse pater Cayetano Delaura door de bisschop als biechtvader van Sierva María aangesteld. Vanaf de eerste ontmoeting echter verlamt de creoolse schoonheid van het meisje het oordeelsvermogen van de zachtmoedige pater, die opgewonden raakt “door de openbaring dat er zich iets ontzaglijks en onherroepelijks in zijn leven aan het voltrekken was.”

De hartstocht die bezit neemt van pater Delaura is echter slechts een van de vele verschijningsvormen waarin de duivel zich aan de mens voordoet. Maar García Márquez laat doorschemeren dat de verregaande onverdraagzaamheid en de macabere uitdrijvingspraktijken van de verstarde katholieke geestelijkheid uit die tijd geenszins voor de amoureuze variant van de bezetenheid moesten onderdoen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden