Review

De dood is een gevoelig jongetje dat van dansen houdt

In een ode aan de dood peinst cabaretier Herman Finkers over de hemel. „De dood is je uiteindelijke minnaar die het laatste bed met je deelt.”

Ik zat een keer in een interview – voor een of ander tv-programma – tegenover een man, en die man was nogal rationeel ingesteld. En deze nogal rationeel ingestelde interviewer vroeg me naar de zin van het lijden. Hij vertelde me dat hij een goede vriend had bij wie om een of andere reden een been moest worden geamputeerd. En nu had men bij die vriend per ongeluk het verkeerde been afgezet, zodat de arme drommel nóg een keer onder het mes moest en ook zijn andere been zou moeten missen. „Waarom”, zo vroeg de interviewer me, „krijgt iemand, die toch al de pech heeft een been te moeten missen, óók nog eens de pech dat hem het verkeerde been wordt afgezet?”

En mét dat me deze vraag werd gesteld, viel me het antwoord in. „Dat is... omdat wij niet in de hemel zijn. In de hemel wordt altijd het juiste been geamputeerd. Maar hier op aarde is het leven lijden.”

Of ik dat werkelijk geloofde. Die vraag vond ik moeilijker. Ze deed me denken aan wat er gebeurde toen mijn ouders voor het eerst naar een ouderavond gingen: ’En? Hoe gaat het met ons Herman op school?’ ’Nou, uw Herman heeft een bijzonder sterke fantasie. Maar maakt u zich niet ongerust, dat krijgen we er nog wel uit.’ Ik zat, moet u weten, in Almelo op een rooms-katholieke jongensschool. En op die rooms-katholieke jongensschool werden we doodgegooid met dogma’s. Het dogma van: ’1+1=2.’ Het dogma van: ’iets is in wezen niets anders dan...’: ’Een boom is in wezen niets anders dan een zuurstoffabriek.’

Die zuurstoffabriek benauwde mij en verstikte alle poëzie. Tot op een dag de kapelaan in de klas kwam. De kapelaan vertelde ons: ’Er is maar één God. En Hij bestaat uit drie personen.’ Ik dacht: Goddank, eindelijk iemand met wie je fatsoenlijk kunt praten. Want tot dan toe had ik op school maar één interessant verhaal gehoord. Dat was het verhaal van de drie musketiers, want die waren met z’n vieren. Dat was een verhaal met ruimte. Maar de kapelaan barstte van de verhalen met ruimte. Zo zei hij: ’God is het begin van alles. Voor God was er niets. En Maria is zijn moeder.’ Het was of mijn dichtgeknepen keel weer open ging en ik weer mocht ademhalen. De kapelaan had ook heel andere verhalen over een boom, hij had het niet over een zuurstoffabriek, hij had het over de boom van het leven, de boom van kennis van goed en kwaad, de boom van de zondeval en de boom van de verlossing. Kortom, een boom was weer in wezen alles.

„Tja”, zei de nogal rationeel ingestelde interviewer, „dat zijn natuurlijk fantastische sprookjes, maar ze zijn natuurlijk niet waar.”

Maar wat is waar? Het oog ziet niet wat op het netvlies valt. Het oor hoort niet wat het trommelvlies doet trillen. Het ziet en het hoort wat in het hart ligt. En fijnzinnigheid is altijd waar. Kwetsbaarheid is ook altijd waar. Lelijkheid en lompheid zijn een dagelijkse werkelijkheid, maar: een werkelijkheid. Nóóit de waarheid. De werkelijkheid verdwijnt, de waarheid blijft. En het is de dood die de waarheid bréngt.

„De dood?”, zei een zanger aan dezelfde tafel gezeten. „Die bestaat wat mij betreft niet.” „En mijn dood”, zei naast hem een schrijver die nooit twijfelt, „moet eerst maar eens wetenschappelijk worden bewezen.”

Ik was verbijsterd. Hoe kun je nu zó je trouwste vriend verloochenen? Je vrouw kan je verlaten, je kameraad kan je verraden, maar de dood heeft nog nooit iemand vergeten of verlaten. Denk daarom niet té onaardig over de dood, hijzelf is zo kwaad nog niet. Hij is een gevoelig jongetje dat houdt van dansen en van kunst. Hij is je uiteindelijke minnaar, die het laatste bed met je deelt. Soms is hij in zijn liefkozingen wat onbeholpen en daardoor onbedoeld wreed. Vooral wanneer iemand zó prachtig is dat de dood zich niet meer kan beheersen en te vroeg komt. Maar hij heeft dat niet zo gewild en lijdt zelf ook. Hij lijdt zelf ook. Ga daarom stijlvol met hem om. Als je losjes met hem danst, verandert elke dag in kunst.

„Kunst is, dat je leeft alsof je nooit doodgaat”, zei de schrijver-die-nooit-twijfelt. Anders had hij het wel in een willekeurige volgorde gezegd: kunst is dat je doodgaat alsof je altijd blijft leven. En het is ons al eens voorgedaan. ’O, wat vreselijk’, jammerden de apostelen, ’onze rabbi is dood.’ ’Och’, zei Maria Magdalena, ’dat gaat wel weer over.’ Want ook in geloof zijn vrouwen sterker dan mannen. En inderdaad, even later liep Hij er wel weer. ’O mijn God,’ zei Thomas, ’U bent herrezen. Hoe is dat mogelijk.’ ’O’, zei Christus, ’je moet even over het dode punt heen, dat is alles.’ En dan? Na dat dode punt? Als je uit de tijd gekomen bent? Als niets meer op je netvlies valt, en niets meer je trommelvlies doet trillen? Wat dan? Ben je dan op die plek aangekomen waar altijd het juiste been wordt geamputeerd?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden